The Project Gutenberg EBook of Thet Oera Linda Bok, by Anonymous

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org


Title: Thet Oera Linda Bok
       Naar een Handschrift uit de Dertiende Eeuw

Author: Anonymous

Translator: J.G. Ottema

Release Date: November 13, 2009 [EBook #30467]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was
produced from scanned images of public domain material
from the Google Print project.)








                          Thet Oera Linda Bok

              Naar een handschrift uit de dertiende eeuw.


                  Eigendom der familie Over de Linden,
                            Aan Den Helder,
                  Bewerkt, vertaald en uitgegeven door

                           Dr. J. G. Ottema.


                            Tweede uitgave.

                           Te Leeuwarden, bij
                              H. Kuipers.

                                 1876.





                Gedrukt bij J. R. Miedema te Leeuwarden.







VOORBERICHT.


De eerste druk van het Oera Linda Boek is uitverkocht, en daardoor de
gelegenheid ontstaan, om eene tweede uitgave ter perse te leggen. Voor
mij is dit eene gewenschte zaak, omdat ik nu in staat gesteld ben
hier en daar eene ingeslopen fout te herstellen of eene minder juiste
vertaling te verbeteren.

Van zijne eerste verschijning af, ja zelfs reeds voor dat het
gedrukt was, heeft het boek eene groote tegenspraak en veroordeeling
ondervonden. Vele pennen zijn daarover in beweging gebracht, eerst om
de uitgave te beletten en vervolgens om de verspreiding tegen te gaan.

Niet alleen binnen 's lands, maar ook daar buiten is men tegen dat
boek te velde getrokken, als of van de echtheid of onechtheid daarvan
het welzijn van land en volk afhing.

Wat heeft toch dat onschuldige boek gedaan, om zoo veel haat en
verbittering op te wekken? Is het zoo'n bespottelijk prulschrift,
zulk eene domme wartaal, niet waardig om gelezen te worden; wel nu men
leze het niet. Maar als men het dan toch leest, dan leze men ook wat
ik er bij en over geschreven heb in de Inleiding, de Geschiedkundige
Aanteekeningen, de Koninklijke Akademie en het Oera Linda Boek, en
de Deventer Courant en het Oera Linda Boek. Doch dat is juist wat men
niet doet. Men wil niet ingelicht wezen over den aard, de strekking en
de wetenschappelijke waarde van het boek. Het is veel gemakkelijker en
pleizieriger in den blinde te schermen en in het wilde te schreeuwen,
dan zich te zetten tot een ernstig onderzoek. Ieder, die maar even
het boek oppervlakkig heeft ingezien, of er wat over heeft hooren
praten, waant zich gerechtigd om er een afkeurend oordeel over uit
te spreken. Dat oordeel maakt een triumftocht door alle nieuwsbladen,
wordt door het van de zaak onkundig publiek toegejuicht, en het land
is gered.

Nu hebben de Heeren F. Muller en P. Smidt van Gelder, te Amsterdam,
het papier van het Handschrift zoo het heet onderzocht, en beweren
in de Nederlandsche Spectator no. 32 van den 5 Augustus 1876, dat
het papier in deze eeuw is vervaardigd en wel in de laatste 25 jaren,
dat het machinaal papier verg is en afkomstig uit de fabriek van de
Heeren Tielens en Schrammen te Maastricht.

De Heer Muller schrijft, dit gevoelen steunt op de navolgende gronden:

1. Het papier was in de 13e eeuw geheel van katoen, dik, ongelijk,
wollig, met zeer ongelijke onduidelijke waterlijnen,--dit papier
is dun, gelijk, hard, hier en daar doorschijnend, met geregelde
duidelijke waterlijnen.

Antw. Het katoenpapier uit de 13e en vroegere eeuwen moest, eer men
er op kon schrijven, daarvoor opzettelijk geprepareerd worden door
polijsten. De Arabieren en Gothen hebben dit gedaan op dezelfde
wijze als de Egyptenaren hun papier en de Romeinen de fijnere
perkamentsoorten glansden, namelijk door sterke wrijving met de
slagtand van een wildzwijn, apri dente levigatur (Plinius). Tot een
gelijk doel bedienen de boekbinders zich van een agaat. Door de sterke
wrijving werden de papiervezelen dichter ineen geperst en daardoor
het papier glad en effen en iets dunner als het was.

Doch daarom kan men het papier van het H. S. niet dun noemen. Het
H. S. bestaat uit 96 bladen, die tusschen eene pers gezet eene
gezamenlijke dikte hebben van ruim 12 m.M., waartegen de dikte van
2 boek best hollandsch schrijfpapier 12 m.M. bedraagt, zoodat de
dikte van die beide papiersoorten gelijk staat. En best hollandsch
schrijfpapier behoort toch niet onder de dunne papiersoorten.

Ik moet het er voor houden, dat de monsters papier, welke de Heer
Muller vroeger gezien heeft, nog ongeprepareerd en ongepolijst
geweest zijn, en dat hierdoor het verschil verklaard moet worden,
't welk hij bij deze vergelijking heeft opgemerkt.

2. Het papier is van oudsher tot ongeveer 1800 in het midden tusschen
de waterlijnen dunner dan ter weerszijde dicht bij de waterlijnen,--dit
papier is bij de waterlijnen egaal, gelijk alleen het papier van deze
eeuw is.

Antw. Ik merk hierbij op, dat die uitdrukking van oudsher niet verder
gaat dan tot het midden der 14e eeuw, toen het linnenpapier in de
plaats van het katoenpapier is getreden en de papier-fabrikatie
zich al meer en meer over Europa heeft uitgebreid. Die vergelijking
heeft dus geene betrekking op het katoenpapier van de 13e eeuw, en
leidt tot geene gevolgtrekking tegen het papier van het Handschrift,
namelijk dat dit van de tegenwoordige zijn zoude.

Het onderscheidt zich juist van het tegenwoordig papier in vier hier
zeer belangrijke punten.

a. De breedte der horizontale waterlijnen. Want in een afstand van 33
millimeters telt men daarbij 16 horizontale waterlijnen, zoodat de
breedte van elke lijn voluit 2 m.M. bedraagt. Het machinaal papier
wijst in dien afstand 17 tot 18 zulke lijnen aan, of voor elke lijn
eene breedte van niet meer dan 1.85 m.M. Zwaar Engelsch postpapier
heeft op dien afstand 20 lijnen, elk ter breedte van 1.65 m.M.

b. De afwezigheid van chloor. Eene proef, genomen in mijne
tegenwoordigheid door wijlen den heer A. P. H. Kuipers, heeft
aangetoond dat het papier in het minst niet reageert op zilver en
dus volstrekt geen chloor bevat. Terwijl in deze eeuw geen papier
vervaardigd wordt of het is met chloor behandeld en laat bij dezelfde
proef op zilver een witten aanslag achter.

c. De afwezigheid van stijfsel, amylum. De proef met eene oplossing
van iodium, die op machinaal papier eene zuivere en heldere violette
kleur te voorschijn brengt, heeft op dit papier geene uitwerking
en laat de bruine kleur van het iodium onveranderd, althans niet
meer dan bij elke uit zuivere planten vezelen vervaardigde stof wordt
waargenomen, omdat in alle planten vezelstof als natuurlijk bestanddeel
eenig amylum aanwezig is. Dit papier is derhalve vervaardigd zonder
toevoeging van stijfsel en dus niet in de tegenwoordige eeuw.

d. Ten aanzien van die waterlijnen is er nog een groot verschil
tusschen machinaal papier en dat van het Handschrift. Bij het
eerste zijn de lijnen van de vergeering uitwendig zichtbaar en
vallen terstond in het oog. Bij het laatste zijn de waterlijnen
van buiten bijna onzichtbaar, zoo zelfs, dat Dr. E. Verwijs in een
brief, d.d. Leiden 1 Dec. 1870, (d.i. nadat het Handschrift gedurende
drie jaren in zijne handen geweest was,) aan mij gericht, schreef:
Verder het papier, dat n om den vorm n om de stof mij verdacht
voorkomt. Oogenschijnlijk is het velijnpapier, dat in den rook heeft
gehangen.--Scheurt men de bladen in, dan vertoont het zich op de
scheur veel witter. Een watermerk is nergens te vinden, en ik heb
nooit middeleeuwsch papier gezien
zonder watermerk en kan mij het zelfs niet denken."

Dr. Verwijs heeft dus in al dien tijd de waterlijnen niet gezien,
zelfs niet toen hij naar een watermerk zocht. Dit was niet mogelijk,
wanneer hij gevergeerd machinaal papier voor zich had gehad.

3. Dit papier is geel gekleurd en niet van nature geel, gelijk veele
plaatsen bewijzen.

Antw. Als het papier gekleurd, d. i. geverfd was, dan moest de
kleurstof in het papier zijn ingedrongen, doch dit is niet het
geval. Op de breuk ziet men duidelijk dat van binnen de vezel wit
is. De vuile geelachtig zwarte kleur van het papier is alleen het
gevolg van den tijd, en de uitwerking van den ouderdom in een verloop
van meer dan zes eeuwen.

Dat overigens het papier nog zoo goed geconserveerd is en vooral door
vocht of mot niet geleden heeft, is een bewijs voor de zorgvuldige
bewaring van het H. S. als een om het zoo te noemen familie-heiligdom.

4. Dit papier is afgesneden, gelijk duidelijk zichtbaar is; het papier
der 13e eeuw laat zich niet afsnijden noch afknippen zonder vezels
achter te laten.

Antw. Dit laatste mag in zeker opzicht waar zijn bij ongepolijst
papier, maar bewijst niets ten opzichte van gepolijst en daardoor
dichter zamengeperst papier, en hangt in allen gevalle af van de
meerdere of mindere scherpte van mes of schaar.

5. Het afsnijden doet mij denken aan machinaal papier, waarin wel de
perpendiculaire waterlijnen (pontuseaux) kunnen gebracht worden, doch
het is mij onbekend of daarin de horizontale lijnen van papierramen
kunnen zijn; indien ja, dan houd ik dit voor goed machinaal papier,
wat daarom niet ouder dan 25 of 30 jaar kan zijn, vroeger kon men in
machinaal papier die lijnen niet maken.

Antw. Ik heb voor mij liggen eene authentieke verklaring van de
Heeren E. van Berk, P. Uurbanus, A. J. Leijer en T. Mooy aan den
Helder woonachtig, waarin zij verzekeren, dat bij hen bepaaldelijk
tusschen de jaren 1848 en 50 bekend is geweest het bestaan van het
handschrift, toebehoorende aan de familie over de Linden, dat later
is uitgegeven onder den titel van Thet Oera Linda Bok.

Deze verklaring is in zijn geheel opgenomen in de Heldersche Courant
van den 12 Maart 1876.

Daarmede vervalt de geheele redeneering van den Heer Muller omtrent
het machinaal papier, dat volgens zijne verklaring voor 25 of 30 jaar,
d. i. vr het jaar 1848, nog niet met horizontale waterlijnen gemaakt
kon worden.

Het papier van het H. S. is dus niet in deze 19e eeuw gemaakt. Van de
14e tot de 18e eeuw is geen papier bekend of het is voorzien van een
fabriekmerk (watermerk); maar in het papier van het H. S. is nergens
een spoor van fabriekmerk aanwezig.

Het is dus ook niet vervaardigd in de 14e of latere eeuwen. Zoodat
er geen ander besluit overblijft, dan dat het papier uit de 13e eeuw
afkomstig moet zijn.

6. Dit papier is tot boek ingenaaid geweest, blijkens de gaatjes; het
is veel te hard rondom die gaatjes om oud te zijn; ook is de wijze van
innaaijen geheel modern en geheel anders als bij oude handschriften;
daarbij gebruikte men minder gaten en dikker touw of perkament,
dan hiervoor kan bezigd zijn.

Antw. Indien de Heer Muller het geheele H. S. gezien had, dan zoude
hij hebben opgemerkt, dat de rugzijde der katerns (of liever sexterns)
nergens eene spoor van lijm of ander plaksel vertoont. Dit bewijst,
dat het niet ingenaaid is geweest op eenige moderne manier, noch
op touwtjes, noch op reepjes perkament, noch op strookjes, maar
daarentegen op eene zeer eenvoudige en primitieve manier, door
onmiddellijke vasthechting met naald en draad in een perkamenten
omslag, gelijk men in den handel nog wel aantreft bij kleine boekjes,
zoogenaamd los ineengehangen goedje, als almanakken en dergelijke.

Dit kan iedereen doen, en dit zal Hiddo oera Linda ook wel eigenhandig
gedaan hebben, en wel reeds daarom, omdat hij zijn Handschrift niet
kon toevertrouwen aan een boekbinder, dewijl die kunst in de kloosters
werd uitgeoefend, en zijn voorzaat Liko dringend gewaarschuwd had
voor de monniken, papekappa, wier oogen vooral niet mochten gaan over
deze schriften.

7. Het schrift is veel te nieuw voor een hoogen ouderdom; de inkt
ligt op het papier; heeft het papier niet aangetast, wat bij hoogen
ouderdom van den inkt noodzakelijk moet gebeuren.

De inkt is veel te zwart voor hoogen ouderdom, die was oudtijds
lichter en werd na langen tijd geheel bruin.

Antw. Hiertegenover stel ik de woorden van Wattenbach, das Schriftwesen
im Mittelalter (Leipzig 1871) S. 137: In alten Handschriften ist
die Dinte schwarz oder brunlich, immer von ausgezeichnet guter
Beschaffenheit. Nachdem aber von 13 Jahrhundert an immer massenhafter
geschrieben wird, erscheint die Dinte hufig grau oder gelblich,
und ist zuweilen ganz verblasst."

Als Bestandtheile des atramentum librarium giebt Plinius Russ
(lampenroet) und Gummi an. Marcianus Capella erwhnt zuerst die
Gallpfel: gallarum gummeosque commixtio."

Eine Mischung von Kupfervitriol und Gallpfeln soll am hufigsten
sein."

Uit welke bestanddeelen nu de inkt, waarmede het H. S. geschreven is,
kan bereid zijn, is mij onbekend; doch ik hecht aan de getuigenis van
Wattenbach voor de goede hoedanigheid der inkt tot in de 13e eeuw,
als bewijs voor de herkomst van het H. S. uit de 13e eeuw.



Om deze redenen kan ik mij niet vereenigen met of berusten in het
oordeel van de Heeren Muller en Van Gelder, welk oordeel bovendien niet
geheel vrij is van eenzijdigheid. Zij hebben zich hoofdzakelijk de
vraag gesteld: komt het papier van het H. S. in meerdere of mindere
mate overeen met eene papiersoort van den tegenwoordigen tijd,
papier verg. Dit is echter de tweede helft der kwestie. De eerste
en voornaamste helft is: in hoeverre komt het Handschrift overeen
met andere Manuscripten op papier die ouder zijn dan van het jaar 1300.

In betrekking hiertoe heb ik hier nog eene opmerking bij te voegen. Het
Handschrift is gelinieerd geweest, waarschijnlijk met lood,
doch de hooge ouderdom heeft die lijnen doen verbleeken en bijna
uitgewischt, zoozeer dat ik in den eersten tijd ze wel vermoedde,
maar niet onderscheiden kon, voordat Jhr. Hooft van Iddekinge er mij
opmerkzaam op maakte. Zoodra deze een deel van het Handschrift onder
oogen kreeg, zeide hij: dat is gelinieerd geweest, en dr kan men de
sporen er van zien." En toen ik zoo die sporen eens had leeren zien,
viel het mij gemakkelijk ze overal op elke bladzijde te onderkennen.

Daarom heb ik ook op het facsimil van bl. 45 de linieering hersteld,
teneinde te doen blijken hoe nauwkeurig en zorgvuldig die lijnen
getrokken, en de letters daartusschen geschreven waren, en tevens om te
doen beseffen, hoeveel tijd en vlijt er aan dat H. S., waarvan slechts
een paar honderd bladzijden zijn overgebleven, besteed is. Daarvan
heb ik de proef genomen door op gewoon gelinieerd papier pagina voor
pagina het H. S. in zijn eigen schrift te copieeren, en aan dat werk
300 uren moeten besteden. Dat is nog maar alleen overschrijven, en dan
zoude een verdichter nog eerst het geheele boek moeten zamengesteld
hebben, in eene taal, die van de bekende dialekten van het Oud-friesch
even onderscheiden is, als deze alle onderling verschillen; want die
oude Friesche wetten d. i. het wester Lauwers, het Hunsingor, het
Fivelgor, het Oldampster, het Emsingor, het Brokmer, het Rustringer
recht, zijn in even zooveele verschillende dialecten geschreven en
wijken in spelling en woordvormen van elkander af. Tegenover die alle
zoude hij een afzonderlijk dialect moeten uitvinden, dat gesproken
is tusschen het Flie en de Schelde. En ten slotte had hij nog een
letterschrift moeten bedenken, dat meer en beter dan eenig ander voor
de Friesche taal geschikt is.

Ten aanzien van dat letterschrift moet ik eindelijk nog wijzen op
eene zeer kenmerkende bijzonderheid:

Het alfabet heeft nog geen q en z. De verbindingen qu, sc, sch en
de c aan het begin van een woord zijn nog niet bekend, ten bewijze,
dat deze geschriften zijn uit den vr Romeinschen tijd.

De c wordt niet anders gebruikt dan in de verbinding ch, als
geadspireerde of verscherpte g b.v. burch m.v. burga.

In de Friesche Rechtboeken daarentegen heeft de taal die schrijfwijze
uit het Latijn aangenomen, en afzonderlijke teekens voor verlengde
vocalen verloren, gelijk mede die voor gs, ng en th. Die invloed
van het Latijn heeft vooral sedert Karel den Groote het alfabet door
vermindering van het getal der letters vereenvoudigd, maar daardoor
ook bedorven en minder geschikt gemaakt voor de aanduiding van aan
de Friesche taal eigendommelijke klanken. In dit opzicht heeft de
Friesche schrijfwijze of spelling een verbastering ondergaan, waarvan
de gevolgen bij de tegenwoordige schrijvers diep gevoeld worden.

Een verdichter zoude zich wel gewacht hebben aan de spelling en het
alfabet van de oud-Friesche wetten iets te veranderen, en wel gezorgd
hebben door eenige verandering geen wantrouwen te wekken.

Zie dat is niet een werkje, dat een of andere guit voor de grap
uitvoert, alleen om iemand te foppen. Dit te veronderstellen is immers
eene ongerijmdheid. Doch dat is niets. De negative kritiek der moderne
wetenschap staat voor geene ongerijmdheden. Als zij zich eenmaal in
het hoofd gezet heeft niet te willen dulden dat het Oera Linda Boek
echt is, dan moet het onecht wezen, het koste wat het wil. Nu loopt
zij overal rond om den bedrieger te zoeken; er is zelfs sprake van
geld bijeen te brengen om een prijs op zijn hoofd te stellen en den
aanbrenger te beloonen. Doch alles even vruchteloos, om de eenvoudige
en natuurlijke reden, dat die man niet bestaat en nooit bestaan heeft.

Intusschen meent zij overal het publiek af te schrikken en richt tot
iedereen de inquisitoriale vraag: geloof jij nog aan het Oera Linda
Boek? Mijn antwoord is: ja Mijne Heeren. Ik heb nu bijna zes jaren lang
dat boek door en door als 't ware van binnen en van buiten bestudeerd,
in verband met de geheele oude Grieksche en Latijnsche literatuur,
maar nergens heb ik iets kunnen vinden, wat mij eenigen grond tot
twijfel aanbood. Daarom geloof ik nog aan de echtheid van thet Oera
Linda Bok, [1] en om deze reden heb ik de eer u eene tweede uitgave
daarvan aan te bieden.


Leeuwarden, Sept. 1876.

Dr. J. G. Ottema.







INLEIDING [2].


De heer C. over de Linden aan den Helder, eerste Meesterknecht bij
's Rijks Marine-werf, bezit een overoud Handschrift, dat sinds
onheugelijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard is, zonder
dat iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende,
wegens de onbekendheid van taal en schrift. Alleen wist men, dat eene
daaraan verbondene traditie van geslacht tot geslacht de zorgvuldige
bewaring daarvan had aanbevolen. Het is gebleken, dat die traditie
berustte op den inhoud van twee brieven, waarmede het Handschrift
aanvangt; van Hiddo oera Linda Ao. 1256 en van Liko oera Linda Ao. 803.

Het was aan hem gekomen volgens beschikking van zijn grootvader den
heer Andries over de Linden, wonende te Enkhuizen en aldaar overleden
den 15 April 1820, in den ouderdom van 61 jaren. Daar de kleinzoon
echter destijds nog slechts 10 jaren oud was, moest het H. S. voor hem
bewaard worden door zijne tante Aafje Meylhoff geb. over de Linden,
wonende te Enkhuizen, die het in Augs. 1848 aan den tegenwoordigen
eigenaar ten hand gesteld heeft.

Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer
oud Friesch. Hij bekwam tevens vergunning er een afschrift van te
vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap, en was van
oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien
het niet een ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht
geschrift was, waarvoor hij vreesde. Het afschrift in mijne handen
gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het onzekere,
schoon ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen, dat
iemand een valsch geschrift zoude opstellen zonder eenig doel, en
alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef bestaan,
tot dat ik naauwkeurige facsimils van een paar fragmenten en later het
Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan stelde
mij terstond omtrent den hoogen ouderdom van het geschrift gerust.

Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest,
als hij van het letterschrift der Galliers en Helvetiers sprekende
B. G. I. 29 en VI. 14 zegt: Graecis utuntur literis. Echter blijkt
uit V. 48 dat het niet geheel grieksche letters waren. Caesar
maakt dus slechts eene vergelijking en wel eene zeer juiste. Want
het schrift, dat met geen bekende lettervormen geheel overeenkomt,
gelijkt oppervlakkig nog het meest op het Grieksche schrift, zoo als
het op monumenten of in de oudste handschriften voorkomt, en behoort
tot den vorm, dien men lapidair of steenschrift noemt. Daarbij is
mij later gebleken, dat de schrijver van het laatste gedeelte des
boeks een tijdgenoot van Caesar geweest is. De vorm en oorsprong
van dit schrift is in het eerste gedeelte des boeks zoo omstandig en
uitvoerig beschreven, als men het van geene taal kan aanwijzen. Het
is zeer volkomen en bestaat uit 34 letterteekens, waaronder drie
afzonderlijke vormen voor de a en u en twee voor de e, i, y en o,
benevens vier zamengestelde of dubbelde medeklinkers: ng, th, ks
en gs. De ng, die als neusklank in geene andere westersche taal een
afzonderlijk teeken heeft, is eene ondeelbare verbinding, de th is
zacht als in het Engelsen en wordt somwijlen door d vervangen, en de
gs komt slechts zeer zelden voor, ik geloof alleen in het woord segse,
zeggen, in het hedendaagsche Friesch sidse, uitgesproken sisze.

Het papier, groot kwarto formaat, is katoen papier, vrij dik, zonder
water- of fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet
zeer wijde perpendiculaire lijnen.

Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op overlandsch of
buitenlandsch papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten zijn
uit Spanje, waar de Arabieren destijds katoenpapier vervaardigden
en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W. Wattenbach, das
Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:

De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen sedert
overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering van
Samarkand omstreeks den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden. Te
Damascus werd dat fabriekaat een levendige tak van industrie, waarom
het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren werd de kunst
naar de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften
uit de tiende eeuw op katoenpapier te hebben, en in de dertiende eeuw
komen deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.

Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het
linnenpapier was toen nog niet noodig.

Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk
de ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij
Petrus Clusiacensis (1122-1150.)

Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa,
Valencia, Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona. [3]

In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
geweest, tenzij het papier uit Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch
hoe meer de vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer
staande landen uitbreidde, des te meer moest ook linnen in de plaats
van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op linnenpapier uit
het jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog
gemengd papier voor.

Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest
zijn, ook waar de sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.

Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een liniaal
en een passer om de afstanden te bepalen.

In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar
mate echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werd, vertoont de
inkt zich vaak grijs of geelachtig, of somtijds geheel verbleekt,
ten bewijze dat zij ijzerhoudend is."

Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend
Handschrift uit het midden der dertiende eeuw, beschreven met helder
zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De
kleur van de inkt toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend
is. Door deze kenteekenen wordt het opgegeven jaartal 1256 geheel
gewettigd en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar
daarmede vervalt ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.

De taal is overoud Friesch, nog ouder en veel zuiverder dan de taal
van het Friesch Rjuchtboek of oude Friesche wetten en daarvan in vele
vormen en spelling verschillende, zoodat zij een geheel afzonderlijken
tongval of dialekt vertoont, en blijkens de lokaliteiten de taal
moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd van het Vlie tot aan
de Schelde.

De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen, ongedwongen
zich bewegende, even als de dagelijksche spreektaal, en vrij in de
vormen der woorden.

De spelling is eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing
geene de minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij,
dat ieder van de verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt
hebben, zijne eigene bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de
wijziging van den klank der vokalen in verloop van lange tijdruimten,
hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het laatste gedeelte
vijf eeuwen later geschreven is als het eerste.

Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen,
dat dit boek geheel eenig in zijne soort is.

Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
opmerking.

De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus,
een Phenicier. De namen hunner oudste letters van de Alfa tot de Tau
komen zoo geheel overeen met de namen der letters in het Hebreeuwsche
Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn,
dat de Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan
worden. Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van
die in het Phenicisch en Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzigt aan
geene verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus de Grieken
die letter vormen ontvangen?

Uit thet bok thra Adela follistar (het boek van Adelas helpers)
leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet geleefd hebben,
omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig handelsverkeer bestond
tusschen de Friesen en de Pheniciers, die zij Kadhemar, kustbewoners,
noemden. De naam Kadmus komt te nabij dat woord Kadhemar, om niet te
besluiten, dat Kadmus eenvoudig een Phenicier beteekent.

Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van de
Burgt op Walcheren, Min-erva, ook Nyhellenia genoemd, aan het hoofd
eener Friesche kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de
burgt Athene gesticht heeft. Alsmede uit de berichten, opgeteekend
aan de wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift
bezat, doch zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom
de Tyriers en de Krekalanders het schrift van Frya hebben geleerd.

Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve, en is het
duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het Grieksche en
oud Friesche schrift ontstaan is, welke ook Caesar in het oog gevallen
is bij de Galliers; alsmede op welke wijze de Grieken de namen van
Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben gekregen
en behouden.

Even opmerkelijk zijn de vormen der cijfers. Men noemt onze
getalteekens gewoonlijk Arabische cijfers, ofschoon zij met de
Arabische getalteekens niet de minste overeenkomst hebben. De Arabieren
in Spanje hebben hunne cijfers niet uit het oosten medegebracht,
want de Semitische volken bezigden het geheele alfabet tot het
opschrijven van getallen. De wijze van met 10 teekens alle getallen
uit te drukken hebben de Arabieren in het westen geleerd, doch daar
vormen voor gekozen eenigermate in overeenstemming met die van hun
letterschrift, en toch geschreven van de linker naar de rechterhand op
Westersche manier. Onze cijfers blijken hier oorspronkelijk Friesche
cijfers (siffar) te wezen, wier vorm denzelfden oorsprong heeft als
het letterschrift en aan de lijnen van het Juul ontleend is.

Het boek, zooals het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander
zeer verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als
schrijfster van het eerste gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van
Apol, grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd door haren
zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende
van pag. 1-88 (hier p. 4-120) is geschreven door Adela. Een vervolg
van pag. 88-94 (122-128) is begonnen door Adelbrost en voortgezet
door Apollonia. Het tweede boek loopende van pag. 94-114 (128-154)
is geschreven door Apollonia. Veel tijd, misschien 250 jaren
later, is een derde boek geschreven van pag. 114-134 (156-180) door
Frethorik. Vervolgens van pag. 134 tot 143 (180-192) door zijne weduwe
Wiljow, daarna van pag. 144-169 (194-226) door hun zoon Konereed,
alsdan van pag. 169-192 (226-232) door hun kleinzoon Beeden; nu
ontbreken bl. 193 en 194, waarmede het laatste stuk pag. 195-210
(235-253) moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons
onbekend, hij zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Door Wiljow
worden op bl. 134 (182) nog andere geschriften genoemd; daar vermeldt
zij thet bok thra sanga, (thet bok) thra tellinga, and thet Hellnia
bok; en vervolgens tha skrifta fon Dela jeftha Hellnia.

Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft,
en waarvan hij zegt, dat het was het 3449 jaar nadat Atland verzonken
is. Dit vergaan van het oude land, ldland, tland, is bij de Grieken
ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24, nog melding
van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders bekend was,
dan dat het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen. Uit dit
geschrift blijkt, dat het een uitgestrekt land geweest is ten westen
van Jutland, waarvan Helgoland en de Noordfriesche eilanden de laatste
schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis, waardoor het schijnt
dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt is,
was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met
2193 voor Chr. Bij de geologen bekend als de eerste Cimbrische vloed.

Op bladzijde 80 (110) begint een verhaal in het jaar 1602 nadat Atland
verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 (112) het verhaal
van den moord gepleegd aan Frna, Eeremoeder op Texland, twee jaren
later, en dus 589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt met haar
eigen optreden in eene volksvergadering, 30 jaren na den dag dat de
Eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar 559 voor Chr. Uit
het schrijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat Adela
15 maanden na die vergadering, bij eene overrompeling van Texland
door de Finnen, verslagen is; dit moet dus gebeurd zijn in 557 voor
Chr. en hieruit volgt, dat het eerste boek door Adela geschreven is
in 558 voor Chr. Het tweede boek, door Apollonia geschreven, mag dus
gesteld worden omstreeks het jaar 530 voor Chr.

Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
van Friesland, Friso, Adel (Ubbo) en Asega Askar, genaamd zwarte
Adel. Evenwel is van den derden Koning Ubbo niets gemeld, of
liever dit stuk is verloren gegaan, bl. 169-188 (zie bl. 226)
ontbreken. Frethorik, de eerste schrijver, die hier voorkomt, is
een tijdgenoot van de gebeurtenissen, die hij verhaalt, namelijk de
komst van Friso. Hij is een vriend van Liudgert, den Geertman, die
als skelta bi thr nacht op de vloot van Wichhirte den skening met
Friso hier was gekomen, in 't jaar 303 voor Chr., 1890 jaren nadat
Atland verzonken was. Uit het dagboek van Liudgert heeft hij vele
van zijne berichten ontleend.

De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als
een tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar, omstreeks het midden van
diens regering, welke bij Furmerius gesteld wordt van 70 vr 11 na
Chr. gelijktijdig met Julius Ceasar en Augustus. Hij schreef dus in
het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de verovering
van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.

Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide afdeelingen
van het handschrift.

Van die Gla lezen wij bl. 84: alsa hton tha sndalinga prestera
Sidonis. En op bl. 124: tha Gola jeftha Trowyda.

De Golen zijn dus de Druiden, en de naam Galli, overgedragen op het
geheele volk, eigenlijk de naam van eene Priesterorde of Priesterstam
van oostersche herkomst, even als bij de Romeinen de Galli, Priesters
van Cybele.

De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er staat
bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier van
Friso, Adel en Askar lezen, verschilt gansch en al van hetgeen onze
bekende kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in
een geheel ander daglicht beschouwen. B. v. allen verhalen dat Friso
uit Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit Indie afkomstig zijn,
en toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot
een Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt Germ'anioi. Naar
de berichten, die we hier ontmoeten, is Friso ook uit Indie gekomen
en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom geen Indir, hij
is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort namelijk tot eene
kolonie Friesen, die na den dood van Nijhellnia, 15 eeuwen voor Chr.,
onder aanvoering eener Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus)
neergezet en den naam Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen
zijn slechts bij een van de Grieksche schrijvers bekend, namelijk bij
Strabo, die hen vermeld als Germ=anec eene van de Braqm=anec in zeden,
taal en godsdienst geheel en al verschillende volkstam.

Bij de schrijvers van Alexanders tochten worden noch Friesen noch
Geertmannen genoemd, doch zij spreken van Indoscythae; en geven
daardoor te kennen een volk, dat wel in Indie woont, maar uit het
verre onbekende Noorden afkomstig is.

In de berichten van Liudgert worden geene namen genoemd van plaatsen,
waar die Friesen in Indie gewoond hebben. Wij vernemen alleen,
dat zij zich eerst in het land ten oosten van den Pangab hebben
nedergezet, en later verhuisd zijn naar den westelijken oever dier
rivier. Verder wordt als eene bijzonderheid medegedeeld, dat in den
zomer de zon op den middag recht boven hun hoofd stond. Zij woonden
dus nagenoeg onder den keerkring. En nu vinden wij bij Ptolomeus
(zie b. v. de kaarten van Kiepert) juist daar op 24 N. B. aan den
westelijken oever van den Indus den naam Minnagara, en een graad of
zes oostelijk van daar op 22 N. B. nog een Minnagara. Die naam is
zuiver Friesch, gelijk Walhallagara, Folsgara, en gevormd van Minna,
den naam eener Eeremoeder (zie pag. 74), in wier tijd de tochten van
Teunis en zijn neef Inka plaats vonden.

Die overeenkomst is te opmerkelijk om enkel toevallig te wezen, en
niet dat Minnagara voor de hoofdplaats dier Friesche kolonie te houden.

De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor
Chr. en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela's boek vrij
uitvoerig beschreven, en wel met de bijvoeging van eene uiterst
merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die Friesche zeelieden
gevaren zijn door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
uitliep. Uit een bericht bij Strabo L. I fol. 38 en 50 blijkt dat
Eratosthenes nog kennis gedragen heeft van die voormalige zeengte,
waarvan de latere geografen geene melding meer maken. Zij bestond
nog in de dagen van Mozes, Exod. XIV : V, daar hij zich legerde bij
Pi ha chiroht, den mond der zeengte. Strabo vermeldt bovendien, dat
Sesostris eene poging gedaan heeft om de landengte door te graven,
maar dat plan niet heeft kunnen uitvoeren.

Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen
de uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door
de commissie voor het kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op
den 19 Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht bij de Academie des
Sciences. In dat rapport komt onder anderen voor: Une question fort
controverse est celle de savoir, si  l'poque o les Hebreux fuyaient
de l'Egypte sous la conduite de Mose, les lacs amrs faisaient encore
partie de la mer rouge. Cette dernire hypothse s'accorderait mieux
que l'hypothse contraire avec le texte des livres sacrs, mais alors
il faudrait admettre que depuis l'poque de Mose le seuil de Suez
serait sorti des eaux.

Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden
der 16e eeuw voor Chr. de verbinding van de Bittermeeren met de Roode
Zee nog bestond en de straat nog bevaarbaar was.

Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
Geertmannen beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo
hoog ophief, dat al het water de straat uitliep en dat alle wadden
en schorren als een wal oprezen.

Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren
nog wel bevaarbaar was, maar bij lagen waterstand droogvoets kon
worden doorgetrokken.

Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus, na welks vorming zeker
spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium
geheel is opgeslibd.

Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
kaart gevoegd bij: l'anne scientifique et industrielle etc. par
Louis Figuier (premire anne). Paris, Hachette, 1857.



Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder
de Grieksche schrijvers de eenige die vermeldt, dat Nearchus na zijne
troepen in de Persische golf aan den mond van de Pasitigris te hebben
ontscheept, op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf gestevend
is. Zoo als dit bericht daar staat, is het niet duidelijk wat Nearchus
daar te maken had en wat het doel van die verdere tocht wezen kon;
enkel tot het doen van geographische onderzoekingen, zoo als Strabo
meent, behoefde hij toch niet eene gansche vloot mede te nemen,
daartoe was een schip of twee voldoende. Wij lezen ook niet dat hij
weer teruggevaren is; waar is hij dan met die vloot gebleven?

Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van
de geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van,
of laten bouwen door de daar gevestigde afstammelingen van de Friesen,
de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in dienst genomen, en aan het
hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de volbragte tocht
en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
meer noodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had
hij in zijn hoofd gezet en dat moest gebeuren. Alexander wilde iets
doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde moest Nearchus
de Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez),
vond hij daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en
gereedschap, balken, touwen enz., om de schepen op het land te halen
en over de landengte te slepen. Dit werk werd met zooveel overleg en
ijver ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de
vloot in de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot
werkelijk in de Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht
van Plutarchus (vit. Alexandri), doch deze laat te dien einde Nearchus
met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen. Na de
nederlaag bij Actium heeft Kleopatra, in navolging van dit voorbeeld,
getracht hare vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te
ontsnappen. Zij is daarin verhinderd door de Petraeische Arabieren,
die hare schepen in brand staken. (Zie Plutarchus vit. Antonii.)

Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven
van Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene
schandelijke wijze beleedigd zijnde, besloot met zijne manschappen
het oorspronkelijke moederland, Friesland, op te zoeken. Naar Indie
terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander
aan en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige
bevestiging.

Zulke enkele trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen
of legenden.

Sints een twintigtal jaren is de aandacht getrokken door de
overblijfselen van paalwoningen, het eerst opgemerkt in de meeren
van Zwitserland en vervolgens in een aantal streken van Europa
gevonden. Men zie daarover Dr. E. Rckert, Die Pfalhbauten. Wrtzburg
1869, of Dr. T. C. Winkler, in de Volksalmanak t. N. v. A. 1867. Toen
men ze gevonden had, trachtte men uit de onder het water aanwezige
fragmenten van wapens, gereedschappen en huisraad na te sporen, door
wie en wanneer deze verblijfplaatsen bewoond geweest waren. Uit
berichten van historieschrijvers bleek daaromtrent niets meer,
dan hetgene Herodotus Lib. v. c. 16 van de Paeonen schrijft. Alleen
vond men eene spoor in een der tafereelen op de zuil van Trajanus,
waarin de verwoesting van een paaldorp in Dacie is afgebeeld. Dubbel
belangrijk is het daarom uit het geschrift van Apollonia te vernemen,
dat zij als burgtmaagd (omstreeks 540 v. Chr.) eene reis langs den
Rijn gedaan, Switserland (de Swetsar) bezocht, en daar de Meerbewoners
(Marsaten) heeft leeren kennen. Zij beschrijft hunne in het meer op
palen gebouwde woningen, het volk zelf, zijn aard en levenswijze. Zij
vermeldt, dat die Marsaten van vischvangst en jacht leven, en de huiden
van het wild bereiden met de schors van berkenboomen, om die pelterij
te verkoopen aan de Rijnschippers, die ze verder in den handel brengen.

Dit bericht omtrent de paalwoningen in de meeren van Switserland
kan niet geschreven zijn, dan in een tijd toen die paaldorpen nog
bestonden en bewoond werden.

In het tweede gedeelte van het Handschrift wordt door Konerd oera
Linda vermeld, dat Adel de zoon van Friso ( 260 j. v. Chr.) met
zijne vrouw Ifkja ook die paaldorpen in Switserland bezocht heeft,
fon Walhallagra brdon hja alingen thra sder Hrnum al-ont hja
mith grte frse boppa thre Rne by tha Mrsta kmon, hwrfon vsa
Apollnja skrven heth. Tha hja thr en stt wst hde, gvngon hja
wither ni tha delta."

Later als dit bericht komt bij geen schrijver ergens eenige
vermelding van die paalwoningen voor en is die zaak gedurende
twintig eeuwen volkomen onbekend gebleven, totdat in den jare 1853,
bij buitengewoon lagen waterstand, overblijfselen van zulke woningen
ontdekt zijn. Daarom heeft niemand zulk een bericht in lateren tijd
kunnen verzinnen.

Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
geheel valt in het Mythologisch Tijdvak vr den Trojaanschen oorlog,
is hier in de verhalen een groot verschil met de Grieksche Mythen
in het oogloopend. De Mythen kennen geene tijdsbepaling, veel min
eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen bestaat geen inwendige
zamenhang of consequentie. De vrije verdichting ontwikkelt zich in
iedere sage afzonderlijk en onafhankelijk. De Mythologische verhalen
weerspreken elkander bijna op ieder punt. Les Mythes ne se tiennnent
pas is de eenige sleutel op de Grieksche Mythologie.

Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande van
een vast punt, het vergaan van Atland (2193 voor Chr.) De verhalen,
natuurlijk, eenvoudig, vaak naf, weerspreken elkander nimmer,
en zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en tijd. Als
b. v. de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burgtmaagd Kalip op
Walhallagara (Walcheren), 't gene wel het meest sagenhafte stuk is
van allen, hier gesteld is op 1005 jaren nadat Atland verzonken is,
dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus vrij nabij overeen
met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de Trojaansche oorlog
heeft plaats gehad. Die Ulysses-sage is hier niet door de Romeinen
aangebracht. Tacitus vond ze reeds in Neder Germanie (zie Germania
cap. 3) en zegt er bij, dat te Asciburgium een altaar was, waarop de
naam van Ulysses en die van zijn vader Lartes gelezen werd.

Een ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene
herkomst kent, voor hare verhalen nooit berichtgevers of schrijvers
noemt, en dus nimmer eenig gezag weet aan te voeren. In Adelas boek
daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar het gevonden of
waaruit het ontleend is, b. v. dit is uit Minno's schriften, dit is
aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te
Stavia, dit op Walhallagara.

En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
Adelas boek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie
eene onbekende en met haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als
de Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene wetgeving op
Kreta, dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te
berichten. Ook in de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving,
de eenige wet is daar het onveranderlijke Noodlot, of de wil van den
oppermachtigen Zeus.

Ten opzichte van de Mythologie is dit geschrift, dat zelf geen
mythisch karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de
geschiedenis. Ondanks de vele en velerlei betrekkingen met Denemarken,
Zweden (Sknland = Schonen) en Noorwegen (Northland), vindt men
hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Scandinavische
mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een
Friesch heerman, die door een Magy, koning der Finnen, tot schoonzoon
aangenomen en na zijn dood vergood is.

De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda's geest is het eenige, eeuwige,
onveranderlijke, volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft alle
dingen geschapen; alles komt uit hem voort, eerst de aanvang, dan de
tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie dochters Lyda,
Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte,
het geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa). Als zoodanig is Frya
de moeder van Frya's volk, de Friezen. Zij is de vertegenwoordigster
van Wralda en wordt als zoodanig vereerd. Frya heeft hare tex gegeven,
de eerste wet, en de eeredienst ingesteld van het eeuwige licht. Die
dienst bestaat in het onderhouden van de altijd brandende lamp, foddik,
door priesteressen, maagden; aan het hoofd dier maagden staat op alle
burgten eene Burgtmaagd; de opperste van alle Burgtmaagden, is de
Eeremoeder op de Fryasburgt op Texland. De Eeremoeder heerscht over het
geheele land; de Koningen mogen niets doen, er mag niets geschieden,
buiten hare raad en goedkeuring. De eerste Eeremoeder is door Frya
zelve aangesteld, zij heette Fsta. Met n woord, wij ontmoeten hier
de prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.

Men denke hierbij aan Velleda (Welda) en Aurinia bij Tacitus Germ. 8
Hist. IV. 61. 65. V. 22. 24. Annal. I. 51 en Gauna de opvolgster van
Velleda bij Dio Cassius fragm. 49.

Van de burgt van Velleda spreekt Tacitus als eene edita turris;
Verg. hier bl. 146. Zij was de burgt Mannagarda forda (Munster). In
het land der Marsi noemt hij deze burgt Templum Tanfane (Tanfanc)
zoo genoemd naar het teeken van het Juul. Zie plaat I.

De laatste dier burgten is de Fstaburgt op Ameland geweest, templum
Foste, volgens Occa Scarlensis verwoest in het jaar 806.

Ontmoeten wij hier bij de Friezen een Godsbegrip en godsdienstige
denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
nog onverwachter komen ons hier zaken voor, die in het nauwste verband
staan met de Grieksch-Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst
van twee godheden van den eersten rang, Minerva en Neptunus. Min erva
(Athn), is oorspronkelijk eene burgtmaagd, priesteres van Frya
op de burgt Walhallagara, Middelburg, of Domburg, op Walcheren. En
deze zelfde Min erva is tevens die geheimzinnige, raadselachtige
godin, van welker vereering bijna geene sporen zijn overgebleven,
dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg, Nehalennia
[4], van welke geene mythologie iets naders weet dan enkel den naam,
waarvan de etymologie zich heeft meester gemaakt tot het uitvinden
van allerlei fantastische afleidingen.

De andere, Neptunus, bij de Etruriers Nethunus, de God van de
Middellandsche zee, blijkt hier bij zijn leven een Friesche Viking,
zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga (Ouddorp
niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Teunis, in de wandeling bij
zijne manschappen Neef Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche
zee tot het doel en tooneel zijner tochten gekozen had, en door de
Tyriers vergood zoude zijn, in den tijd toen de Phenicische zeevaart
zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om
hier Britsch tin, Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balda (Baltische)
zee te halen, omstreeks 2000 jaren v. Chr.

Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch persoon,
Minos, de wetgever van Kreta, die alsmede verschijnt als een Friesche
zeekoning Minno, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en Kreyl,
die aan de Kreters een Asegaboek heeft medegedeeld. Namelijk die
Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in de
onderwereld over het lot der schimmen beslist. Niet te verwarren met
den lateren Minos, den tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt
in de Atheensche sage.

Bij deze voorstelling kan misschien iemand zijn lachen niet bedwingen,
en kaatst hij mij het straks gebezigde woord fantastisch terug met
dat van avontuurlijk. Ook ik kon eerst mijne oogen niet gelooven,
en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de ontdekking van
verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder avontuurlijk
maken, als de geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus door een
bijlslag van Hephaistos.--B. v.

De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen Pallas
heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen. Minerva
komt als opperpriesteres uit den vreemde, uit een den Krekalanders
onbekend land, in Attica. Pallas is eene maagdelijke godin, Minerva
is eene burgtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas onderscheidt zich
door deze type van de overige goden en godinnen, als behoorende tot
Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige attributen zijn
dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de nieuwe stad haren
naam Athnai, die overigens in 't Grieksch geene beteekenis heeft:
Minerva geeft aan de door haar gestichte burgt den naam Athene, die in
het Friesch wel eene beteekenis heeft en te kennen geeft dat zij als
vrienden then daar gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600
jaren voor Chr. in het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer
begint te vormen. Minerva is met de vloot van Jon aan het hoofd van
eene kolonie in Attica geland; op Walcheren vindt men haar in later
tijd blijkens de Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia
vereerd als eene godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is
Pallas de beschermgodin van scheepsbouw en zeevaart.

De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het jol, het wiel,
moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het stergewelf
van winter-zonnestand tot winter-zonnestand. Zoo vormt hij de jaren,
waarbij elke omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te midwinter
wordt het Jolfeest gevierd op Fryasdag. Dan worden koeken gebakken in
den vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Fryas de letters
gemaakt, toen zij hare Tex schreef, en het Jolfeest is daarom ook
een feest ter eere van Frya als uitvindster van het letterschrift.

Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
de Christenheid op 't Kerstfeest en in ons land op St. Nikolaasdag
verplaatst is, even zoo zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen, de
vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en onze St. Nikolaas
(banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het Zonnerad gevormd
letterschrift.

Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij
mogen eenig denkbeeld geven van den rijkdom en belangrijkheid van
dien inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen moeten zij
waarde hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat van ons voorgeslacht
zoo goed als niets was overgebleven.

Een inwendig bewijs voor de oudheid van deze geschriften ligt ook
daarin, dat de naam Batavieren er nog niet in voorkomt. De inwoners
van het geheele land tot aan de Schelde zijn Fryas volk, Friezen. De
Batavieren zijn niet een afzonderlijk volk geweest. De naam Batavi is
eene uitvinding van de Romeinen, die dezen naam gegeven hebben aan de
bewoners van het land ter weerzijde van de Waal, welke rivier op de
Tabula Peutingeriana den naam Patabus draagt. Die naam Batavi komt ook
niet vroeger voor dan bij Tacitus en Plinius, want de bekende plaats
bij Caesar B. G. IV. 10, is geinterpoleerd. Zie mijne verhandeling
over den loop der rivieren door het land der Friesen en Batavieren
bl. 49 in de Vrije Fries, IV Deel 1e Stuk, 1845.



Met nog eene opmerking betreffende de taal wil ik eindigen.

Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H. S. hebben
kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de
overeenkomst met het tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen
zij een grond te zien voor twijfel aan de oudheid van het geschrift.

Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan
die van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van
den Homerischen woordenschat nog voort in het Grieksch van onze dagen?

Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan
kleine veranderingen onderhevig, waardoor men verschil vindt bij
dezelfde taal in onderscheidene tijdperken. Deze wisseling van de
taal geeft juist in dit H. S. stof tot belangrijke opmerkingen voor
den taalbeoefenaar. Want niet alleen, dat van de acht schrijfsters
en schrijvers, die achtereenvolgende aan dit boek gewerkt hebben,
ieder zich kenmerkt door kleine eigenaardigheden in stijl, taal en
spelling; maar vooral tusschen de beide afdeelingen van het boek,
waar tusschen een tijdverloop van meer dan twee eeuwen ligt, is een
in het oog vallend verschil aanwezig, dat aantoont, welk een langzaam
voortgaande wijziging de taal in dat bestek ondervonden heeft.

Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik
geene reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te
twijfelen. Verdichting kan het niet zijn. In de eerste plaats het
afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. In
lateren tijd is eene verdichting evenzeer onmogelijk, om de eenvoudige
reden, dat niemand meer die taal machtig was. Buiten de namen van
Rask, Richthofen en Hettema, is er geen te noemen, die als taalkundige
in dit vak bekend is geweest, of de taal zoo bestudeerd heeft, dat
hij daar in schrijven kon. En al kon iemand zulks, dan stond hem nog
geen ruimer woordenschat ten dienste, dan de beperkte voorraad, dien
de O. F. Wetten aanboden. Daarom is in de laatstverloopen eeuwen de
vervaardiging van dit geschrift eene onmogelijkheid geweest. Wie dit
in twijfel wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer,
door wien en waartoe zulk eene vervalsching had kunnen gepleegd
worden, en wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit papier,
dit schrift en deze taal.

Dat het H. S. van 1256 bovendien geen origineel, maar eene kopie is,
bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkele ophelderingen
van woorden, die in des afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig
meer bekend waren; b. v. bl. 82 (114) to thra flte jeftha bedrum;
op bl. 151 (204) bargum jefta tonnum fon tha besta bjar.

Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
bladen ontbroken hebben, die uit dit H. S. niet hebben kunnen verloren
gaan, omdat bl. 167 en 168 (212-214) de paginas recta en versa zijn
van hetzelfde blad.

Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle
vrienden, die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de
Minnemaand verstandige lieden tot hem zouden zenden.

Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne vrouw, zeide
hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift
gekregen.

Daar tusschen is geen zamenhang. Voor het minst ontbreekt er: de
komst dier genoodigden, en het verhaal van hetgene bij die zamenkomst
is voorgevallen. De afschrijver moet dus in het door hem gevolgde
exemplaar twee bladen in plaats van een hebben omgeslagen. Er bestond
dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko oera
Linda was geschreven.

Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift, waarvan het eerste
gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling, het
oudste voortbrengsel (op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche
letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij in ons vaderland eene
eeuwenoude bevolking, in 't bezit van eene ontwikkeling, beschaving,
nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere verhevene
Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben
gehad. In onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen
van ons volk niet hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden
stamvader der Friezen; doch hier ontwaren wij, dat die herinneringen
opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor Christus, en in hoogen
ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Isral evenaren.





BIJLAGE TOT PAG. XX.

Vergelijkende Taalproeve van de oud Friesche Wetten en de taal van
het Handschrift.



Dyo forme need is: hweerso en kynd jongh is finsen ende fitered noerd
wr hef, jefta (sud) wr birgh. Soe moet die moder her kindes eerwe
setta ende sella ende her kynd lesa ende des lives bihelpa.

Dioe oder need is: jef da jere diore wirdat, ende di heta honger wr
dat land faert, ende dat kynd honger stere wil, so moet dio moder
her kindes eerwe setta ende sella ende capia her bern ky ende ey ende
coern deerma da kinde des lives mede helpe.

Dyo tredde need is: Als dat kind is al stocnaken, jefta huus laes,
ende dan di tiuestera nevil ende calde winter oen comt sa faert
allermanick oen syn hof ende oen sin huis ende an waranne gaten, ende
da wiilda dier seket diin holla baem ende der birgha hlii, aldeer
hit siin liif oen bihalda mey. Soe weinet ende scryt dat onieriga
kind ende wyst dan syn nakena lyae ende syn huuslaes, ende syn fader
deer him reda schuld, to ienst dyn honger ende winter nevil cald, dat
hi so diepe ende dimme mitta fiower neylen is onder eke ende onder
da eerda bisloten ende bitacht, so moet dio moder her kindes eerwe
setta ende sella omdat hio da bahield habbe ende biwaer also lang so
hit onierich is, dat hit oen forste ner oen honger naet forfare.


Anjumer druk e.i.i..

(1466.)



Thju forma nd is: Shwersa en brn jvng is fensen nd fterad
northward vr-et hef jeftha sdward vr tha berga, sa ch thju mm hjara
brns erva to settande nd to seljande nde hjra brn to lsane nd
thes lives to bihelpane.

Thju thera nd is: jef tha jra djura wrthat nd thi hte hvnger wr
thet lnd frth nd tht brn sterva wil, sa mot thju mm hjara brns
erva setta nd selja nd kpja hiri brne ky nd skp nd kren thr
mitha mn thet brn thes lives bihelpe.

Thju tredde nd is: shwersa tht brn is stoknked jefta hsls nd
then thi tjustera nvil nd kalda winter ankvmth, sa frth allera
mnnalik an sin hof nd an sin hus nd an wrande gta, nd thet wilde
kwik sykath thene hola bm nd thre berga hly thr-it sin lif an
bihalda mi, sa wnath nd krytath tht vnjrich brn nd wyst then
sin nkeda litha nd siu hsls-s nd sin tt thr him hrda skolde
tojenst tha hvnger nd tha kalda winter nvil, that hi sa djap nd
dimme mith fjuwer nilum vndera ke nd vnder tha irtha bisletten nd
bidobben is, sa mot thju mm hjara brns erva setta and selja vmbe
that hju tha bihield hve nd tha wringa al sa long sa hit vnjrich
sy, til thju-t hor an forst ner an hvnger navt vmkvma ne mi.


Vertaald door J. G. O.







ADELA.


OKKE MIJN ZOON.


Deze boeken moet gij met lijf en ziel bewaren, zij bevatten
de geschiedenis van ons geheele volk, en ook van onze
voorvaderen. Verleden jaar heb ik die uit den vloed gered tegelijk
met u en met uwe moeder. Doch zij waren nat geworden, daardoor
gingen zij naderhand bederven. Om ze niet te verliezen, heb ik ze
op overlandsch papier overgeschreven. Bijaldien gij ze erft, moet
gij ze ook overschrijven. Uwe kinderen desgelijks, opdat zij nimmer
verloren gaan. Geschreven te Liuwert, nadat Atland verzonken is, het
drie duizend vier honderd negen en veertigste jaar, dat is naar de
Christen-rekening het twaalf honderd zes en vijftigste jaar, Hiddo
bijgenaamd Over de Linde. Waak.



Lieve erfgenamen, om onze lieve voorouderen wille, en om onze lieve
vrijheids wille, duizendmaal bid ik u. Och lieve, laat de oogen van
een monnik toch nooit over deze schriften weiden. Zij spreken zoete
woorden, maar zij tornen ongemerkt, aan alles wat ons Fries betreft. Om
rijke prebenden te winnen, heulen zij met de vreemde koningen; deze
weten dat wij hunne grootste vijanden zijn, omdat wij hunne lieden
toespreken durven over vrijheid, recht en vorstenplicht. Daarom laten
zij alles vernielen, wat van onze voorvaderen komt, en wat nog overig
is van onze oude zeden. Och lieve, ik ben bij hen aan het hof geweest;
wil Wralda het gehengen, en wij ons niet sterk maken, dan zullen zij
ons altegader verdelgen. Geschreven te Liudwert, acht honderd en drie
jaar, na de Christen meening. Liko bijgenaamd Over de Linde.





HET BOEK VAN ADELA'S AANHANGERS.


Dertig jaren na den dag, waarop de volksmoeder omgebracht was,
door den overste Magy, stond het er erg aan toe. Alle Staten, die
er liggen aan de andere zijde der Weser, waren van ons afgescheurd
en onder het geweld des Magy gekomen; en het stond te vreezen,
dat hij geweldig zoude worden over het geheele land. Om dat ongeluk
te weeren, had men eene algemeene volksvergadering belegd, alwaar
vergaderd waren alle manspersonen, die in een goeden roep stonden bij
de maagden (priesteressen). Doch nadat er meer verloopen waren dan drie
etmalen, was de geheele Go-raad in de war, en alles even als bij hunne
komst. Toen ten laatste vroeg Adela het woord, en sprak: Gij allen
weet, dat ik drie jaren burgtmaagd geweest ben; ook weet gij, dat ik
gekozen ben tot volksmoeder en dat ik niet volksmoeder wezen wilde,
omdat ik Apol tot mijn echtgenoot begeerde. Doch wat gij niet weet,
dat is, dat ik alle gebeurtenissen nagegaan heb, evenals of ik een
wezenlijke volksmoeder was geweest. Ik heb gestadig heen en weder
gereisd, toeziende wat er gebeurde. Daardoor zijn mij veele zaken
openbaar geworden, die anderen niet weten. Gij hebt gisteren gezegd,
dat onze stamverwanten aan de andere zijde der Wezer tam en laf waren;
doch ik mag tot u zeggen, dat de Magy hun niet n dorp afgewonnen
heeft door het geweld zijner wapenen, maar bloot door arglistige
ranken en nog meer door de hebzucht der hertogen en edelingen. Frya
heeft gezegd: wij moesten geene onvrije lieden bij ons toelaten;
doch wat hebben zij gedaan? Zij hebben onze vijanden nagevolgd;
want in plaats van hunne gevangenen te dooden of vrij te laten,
hebben zij Fryas raad veracht en hen tot hunne slaven gemaakt. Omdat
zij zulks deden, had Frya geene lust meer langer over hen te waken;
zij hebben eens anders vrijheid benomen, en dat is oorzaak, dat zij
hunne eigene verloren hebben. Doch dat alles is u zelven ook bekend;
maar ik wil tot u zeggen, hoe zij allengs zoo laag verzeild zijn. De
vrouwen der Finnen kregen kinderen; deze groeiden op met onze vrije
kinderen. Somtijds dartelden en joelden zij te zamen op het hiem, of
zij waren met elkander bij den haard. Daar hoorden zij met welgevallen
naar de losbandige sagen der Finnen, omdat die slecht en nieuw
waren. Zoo zijn zij ontfriesd ondanks de macht hunner ouders. Toen
de kinderen groot werden en zagen dat de kinderen der Finnen geene
wapenen mochten hanteeren en slechts moesten werken, kregen zij van
het werken een afkeer en werden zeer hoogmoedig. De meesters en hunne
kloekste zoonen kropen bij de wulpsche meisjes der Finnen; en hunne
eigene dochteren, door het slechte voorbeeld van den weg gebracht,
lieten zich door de schoonste knapen der Finnen begorden, ten spot van
hare verdorvene ouders. Toen de Magy dat in de neus kreeg, toen nam hij
de schoonste zijner Finnen en Magyaren, en beloofde hun roode koeijen
met gouden hoornen, zoo zij zich door ons volk lieten gevangen nemen,
ten einde zijne leer te verbreiden. Maar zijne lieden deden meer;
kinderen werden te zoek gemaakt, naar de bovenlanden weggevoerd,
en nadat zij opgevoed waren in zijne verderfelijke leer, dan werden
zij terug gezonden. Toen de schijn-slaven onze taal machtig waren,
klampten zij de Hertogen en Edelingen aan boord en zeiden, dat zij
den Magy onderhoorig moesten worden, dan konden hunne zoonen hen
opvolgen zonder door het volk gekozen te worden. Diegenen, die om
hunne goede daden een vrdeel tot hun huis gekregen hadden, beloofden
zij van zijnentwege ook nog een achterdeel er bij; zulken die een
voor- en achterdeel gekregen hadden, zeiden zij een ronddeel toe;
en die een ronddeel hadden eene geheele State. Waren de ouders te
hard Fryasgezind, dan wenden zij den boeg en hielden aan op hunne
verbasterde zoonen. Gisteren waren er onder u, die al het volk te
hoop roepen wilden om de oostelijke Staten weder tot hare plicht
te dwingen. Doch naar mijne eenvoudige meening zou dat verkeerd
uitkomen. Denk eens, daar was er eene hevige longziekte onder het vee,
en dat die daar nog erg woedde, zoudt gij het dan wel wagen om uw
gezonde vee te voeren onder hun ziek vee? Immers neen. Bijaldien nu
iedereen beamen en toestemmen moet, dat het dan met de (vee)stapel
erg afloopen zoude; wie zoude dan zoo onvoorzichtig wezen om zijne
kinderen te wagen onder een volk, dat geheel en al verdorven is?

Mocht ik u een raad geven, ik zoude tot u zeggen, gij moest voor alle
dingen eene nieuwe volksmoeder kiezen. Ik weet wel dat gij daarmede
aan den grond zit, uithoofde dat er van de dertien burgtmaagden,
die wij nog overig hebben, wel acht zijn, die naar die eere dingen,
maar daar zoude ik geen acht op slaan. Teuntia, die maagd is op de
burgt Medeasblik, heeft er nooit naar getaald, en toch is zij iemand
van wetenschap en helder inzicht en wel zoo sterk op haar volk en
onze gewoonten gesteld, als alle andere te zamen. Voorts zoude ik
aanraden, gij moest naar de burgten gaan en daar opschrijven alle
wetten van Fryas tex, benevens alle geschiedenissen, ja alles wat
er te vinden is op de wanden, opdat die alle niet verloren gaan,
en met de burgten tevens niet worde vernield. Daar staat geschreven:
De moeder en elke burgtmaagd zal hebben buiten helpers en zendboden,
eenentwintig maagden en zeven leermeisjes. Mocht ik daar wat bijvoegen,
dan zoude ik schrijven, en alzoo veele eerzame dochteren om te leeren,
als daar op de burgten wezen mogen. Want ik zeg in trouwe en de tijd
zal het bevestigen, bijaldien gij echte Fryas kinderen wilt zijn,
nimmer te overwinnen noch door list noch door wapenen, zoo behoort gij
er voor te waken, dat uwe dochters echte Fryas vrouwen worden. Den
kinderen moet men leeren, hoe groot ons land weleer geweest is,
hoe groote mannen onze voorvaderen waren, hoe groot wij nog zijn,
zoo wij ons neder liggen (vergelijken) bij anderen: men moet hun
vertellen van de zeehelden en van hunne heldhaftige daden, ook over
de verre zeetochten. Alle deze verhalen behooren gedaan te worden bij
den haard, op het hiem, en waar het wezen moge, zoo in blijdschap,
als bij tranen. Maar zal het standhoudend komen in het brein en in
het hart, dan moeten alle leeringen over de lippen uwer vrouwen en
dochteren daarin vloeijen. Adelas raad is opgevolgd.

Deze zijn de grevetmannen onder wier bestuur dit boek is vervaardigd.

Apol, Adelas man, driewerf is hij zeekoning geweest, nu is hij
grevetman over Oostflyland en over de Lindeoorden, de burgten
Liudgarda, Lindahem en Stavia zijn onder zijne hoede.

De Saxman Storo, Sytias man, grevetman over de Hoogefennen en Wouden,
negenwerf is hij tot hertog dat is tot heerman gekozen; de burgten
Buda en Manna-garda-forda zijn onder zijne hoede.

Abelo, Jaltias man, grevetman over de Zuiderflylanden, driewerf is
hij heerman geweest, de burgten Aken, Liudburg en Katsburg zijn onder
zijne hoede.

Enoch, Dywekes man, grevetman over Westflyland en Texel, negenmaal is
hij tot zeekoning gekozen, Waraburg, Medeasblik, Forana en Fryasburg
zijn onder zijne hoede.

Foppe, de man van Dunroos, grevetman over de Zeven eilanden, vijf maal
is hij zeekoning geweest, de burgt Walhallagara is onder zijne hoede.

Dit stond op de wanden der Fryasburg te Texland geschreven, dat staat
ook te Stavia, ook te Medeasblik.

Het was Fryasdag en te dier tijd was het zeven maal zeven jaren
geleden, dat Festa was aangesteld als volksmoeder, naar Fryas
begeerte. De burgt Medeasblik was gereed en eene maagd was gekozen. Nu
zoude Festa hare nieuwe lamp opsteken, en toen dat gedaan was in
tegenwoordigheid van het volk, toen riep Frya van hare waakstar, zoodat
iedereen het hooren konde: Festa neem uwe stift en schrijf de dingen,
die ik niet zeggen mocht. Festa deed alzoo als haar geboden was. Zoo
zijn wij Fryas kinderen aan onze vroegste geschiedenis gekomen.

Dit is onze vroegste geschiedenis.

Wralda, die alleen goed en eeuwig is maakte den aanvang, alsdan kwam
de tijd, de tijd wrochte alle dingen, en ook de aarde, de aarde baarde
alle gras, kruiden en boomen, al het liefelijk gedierte en al het
booze gedierte. Alles wat goed en liefelijk is, bragt zij bij dag
voort, en alles wat boos en kwaad is, bragt zij bij nacht voort. Na
het twaalfde Juulfeest bragt zij voort drie maagden:

Lyda uit gloeijende stof,

Finda uit heete stof, en

Frya uit warme stof.

Toen deze te voorschijn kwamen, spijsde Wralda haar met zijnen adem,
opdat de menschen aan hem zouden gebonden wezen. Zoodra zij volwassen
waren, kregen zij vermaak en genoegen in de droomen van Wralda. Haat
trad tot haar binnen. En nu baarden zij elk twaalf zonen en twaalf
dochteren, elke juultijd een paar. Daarvan zijn alle menschen gekomen.

Lyda was zwart, met krullend haar als de lammeren, gelijk starren
fonkelden hare oogen, ja de blikken des grijpvogels waren vreesachtig
bij de hare.

Scherpe Lyda. Een slang kon ze kruipen hooren, en wanneer er visschen
in het water waren, ontging dat hare neusgaten niet.

Snelgebouwde Lyda. Een sterken boom kon zij buigen, en wanneer zij
liep brak geen bloemstengel onder hare voet.

Geweldige Lyda. Hard was hare stem, en schreeuwde zij uit verbittering,
dan liep ieder schielijk weg.

Wondervolle Lyda. Van wetten wilde zij niet weten; hare daden werden
door hare driften bestuurd; om de zwakken te helpen, doodde zij de
sterken, en wanneer zij dat gedaan had, weende zij bij het lijk.

Arme Lyda. Zij werd grijs van het dwaze gedrag, en ten laatste stierf
zij van hartseer over de boosheid harer kinderen.

Onverstandige Kinderen. Zij betichteden elkander van hunne moeders
dood, zij huilden als wolven en vochten evenzoo, en terwijl zij zoo
deden, vraten de vogels aan het lijk. Wie mag daarbij zijne tranen
weerhouden.

Finda was geel en hare haren gelijk de manen van een paard; een boom
kon zij niet buigen, maar waar Lyda een leeuw doodde, doodde zij
wel tien.

Verleidelijke Finda, zoet was haar stem en geen vogel kon zingen gelijk
zij, hare oogen lokten en lonkten, maar die er inzag werd een slaaf.

Onredelijke Finda. Zij schreef duizende wetten, doch zij volgde er
niet eene van op. Zij verfoeide de goeden wegens hunne vrijmoedigheid,
maar aan flikflooisters gaf zij bijna haar zelve weg. Dat was haar
ongeluk. Haar hoofd was te vol, doch haar hart te ijdel. Zij beminde
niemand dan haar zelve, en zij wilde dat elk haar lief zoude hebben.

Valsche Finda. Honingzoet waren hare woorden; doch wie haar vertrouwde,
dien was ongeluk nabij.

Zelfzuchtige Finda, Over allen wilde zij heerschen, en hare zoonen
waren gelijk zij. Zij lieten zich bedienen van hunne zusteren, en
elkander sloegen zij om het meesterschap dood.

Dubbelhartige Finda. Om een schuins woord werd zij gram, en de ergste
daden roerden haar niet. Zag zij een hagedis eene spin verslinden,
dan werd zij om het hart als ijs; maar zag zij hare kinderen een
Fries vermoorden, dan zwol haar boezem van genoegen.

Ongelukkige Finda. Zij stierf in den bloeitijd van haar leven, en
het is nog duister hoe zij gevallen is.

Schijnheilige kinderen. Onder een kostelijk gesteente legden zij
haar lijk neder. Met hoogdravende opschriften smukten zij dat op,
luid weenende om gehoord te worden, maar in stilte weenden zij niet
een eenige traan.

Verfoeijelijk volk. De tex (inzetting), die Finda naliet, was op
gouden bladen geschreven, doch de besten, waarvoor zij gemaakt was,
was zij nimmer tot nut; de goede wetten werden uitgewischt en zelfzucht
schreef daar slechte voor in de plaats. O Finda, toen werd de aarde
vol bloed, en de hoofden der menschen maaiden uwe kinderen af gelijk
grashalmen. Ja Finda, dat zijn de vruchten van uwe ijdelheid, zie
neer van uwe waakstar en ween.

Frya was wit gelijk de sneeuw bij het morgenrood, en het blaauw harer
oogen won het de regenboog af.

Schoone Frya. Als stralen der middagzon schitterden hare haarlokken,
die zoo fijn waren als spinrag.

Bekwame Frya. Ontsloten zich hare lippen, dan zwegen de vogelen en
geen bladeren bewogen zich meer.

Geweldige Frya. Door de kracht harer blikken streek de leeuw voor
hare voeten neder, en hield de adder zijn gift terug.

Reine Frya. Hare spijs was honing en haar drank dauw, vergaderd in
de boesem der bloemen.

Verstandige Frya. Het eerste wat zij hare kinderen leerde was
zelfbeheersching, het tweede was liefde tot de deugd, en toen zij
volwassen waren, leerde zij hun de waarde van de vrijheid kennen. Want,
zeide zij, zonder vrijheid zijn alle andere deugden alleen goed om
u tot slaven te maken, uwe afkomst tot eene eeuwige schande.

Milde Frya. Nimmer liet zij metaal uit de aarde delven om eigen
voordeel, maar wanneer zij het deed, was het tot nut van iedereen.

Gelukkigste Frya. Gelijk de sterren de aarde omzwermen, zoo zwermden
hare kinderen om haar.

Wijze Frya. Toen zij hare kinderen had opgevoed tot in het zevende
lid, toen riep zij ze alle naar Flyland te zamen. Daar gaf zij hun
hare tex, en zeide laat die uw wegwijzer wezen, dan zal het u nimmer
kwalijk gaan.

Uitverkoren Frya. Toen zij dit gezegd had, beefde de aarde, als Wraldas
zee. Flylands bodem zonk allengs onder hare voeten neder, de lucht werd
zwart en geelgroen van tranen te storten, en toen zij naar hunne moeder
omzagen, was zij al lang opgerezen tot hare waakstar. Toen ten laatste
sprak donder uit de wolken en bliksem schreef aan het luchtruim: waak!

Verziende Frya. Het land van waar zij was opgevaren, was nu een stroom,
en behalve hare tex was daarin alles bedolven, wat van hare handen
gekomen was.

Gehoorzame kinderen. Toen zij tot hun zelven kwamen, toen maakten zij
dit hooge terp, bouwden deze burgt daarop, aan diens wanden schreven
zij de tex, en omdat iedereen die zoude mogen vinden, hebben zij het
land daarom heen Texland geheeten. Daarom zal het blijven bestaan,
zoo lang de aarde aarde is.





FRYAS TEX.


Heil verbeidt de vrijen. Ten laatste zullen zij mij weder zien. Doch
hem alleen mag ik als vrij erkennen die geen slaaf is van een ander
noch van zijne driften. Hier is mijn raad.

1. Zoo wanneer de nood erg is, en goede raad en goede daad niets
meer vermogen, roep dan den geest van Wralda aan; maar gij moet hem
niet aanroepen, bevorens alle dingen beproefd zijn. Doch ik zeg u met
redenen, en de tijd zal het waar maken: De moedeloozen zullen immer
bezwijken onder hun eigen leed.

2. Wraldas geest mag men alleen kniebuigende dank toewijden, ja
driewerf, voor hetgene gij van hem genoten hebt, voor hetgene gij
geniet en voor de hoop, die hij u laat in angstige tijden.

3. Gij hebt gezien, hoe spoedig ik hulp verleende. Doe al eender
met uwen naaste; maar en toef niet tot dat men u gebeden heeft; de
lijdende zoude u vloeken, mijne maagden zouden uwen naam uitwisschen
uit het boek en ik zoude u als een onbekende moeten afwijzen.

4. Neem nimmer kniebuigende van uwen naaste dank aan, deze behoort
aan Wraldas geest. De nijd zoude u bekruipen; de wijsheid zoude u
belagchen; mijne maagden zouden u betigten van vaderroof.

5. Vier dingen zijn tot uw genot gegeven, met name lucht, water,
land en vuur; maar Wralda wil alleen daarvan bezitter wezen. Daarom
raad ik u, gij zult u rechtvaardige mannen kiezen, die den arbeid en
de vruchten naar recht verdeelen, zoodat niemand vrij van werken noch
van verdedigen zij.

6. Zoo wanneer daar iemand onder u gevonden wordt, die zijne eigene
vrijheid verkoopt, die is niet van uw volk, hij is een bastaard met
verbasterd bloed. Ik raad u, dat gij hem en zijne moeder uit het land
drijft. Zeg dat tot uwe kinderen des morgens en des middags en des
avonds, tot dat zij daar van droomen des nachts.

7. Een iegelijk die een ander van zijne vrijheid berooft, al ware de
ander hem schuldig, dien moet ik aan den leiband eener slavin laten
voeren. Doch ik raad u om zijn lijk en dat zijner moeder op eene
kale plaats te verbranden en daarna hunne asch vijftig voet onder
den grond te begraven, opdat daar geen grashalm op groeijen moge,
want zoodanig gras zoude uw kostelijkste vee dooden.

8. Tast nooit aan het volk van Lyda, noch van Finda, omdat Wralda
zoude hen helpen; zoodat al het geweld, dat van u uitging, op uw
eigen hoofd zoude terugkeeren.

9. Zoo wanneer het mocht gebeuren, dat zij van u raadgeving of iets
anders begeerden, zoo behoort gij hen te helpen. Maar komen zij om
te rooven, val dan op hen neder als het bliksemende vuur.

10. Zoo wanneer een van hun eene uwer dochteren tot vrouw begeert,
en zij dat wil, dan zult gij haar hare dwaasheid beduiden, doch wil
zij toch haren vrijer volgen, dat zij dan met vrede ga.

11. Wil uw zoon eene van hunne dochteren, dan moet gij even zoo doen
als met uwe dochter. Maar noch de een, noch de ander mag terugkeeren,
want zij zouden uitheemsche zeden en gewoonten medevoeren, en zoodra
deze bij u gehuldigd worden, mag ik niet langer over u waken.

12. Op mijne dienares Fasta heb ik al mijne hoop gevestigd. Daarom
moet gij haar tot uwe Eeremoeder nemen. Volgt gij mijn raad, dan
zal zij namaals mijne dienares blijven en alle vrome maagden die
haar volgen. Dan zal de lamp nimmer uitgaan, die ik voor u opgestoken
heb. Het licht daarvan zal dan eeuwig uw brein verlichten, en gij zult
dan even vrij blijven van onvrij geweld, als uwe zoete rivierwateren
van het zoute water der eindelooze zee.





DIT HEEFT FASTA GEZEGD.


Alle inzettingen die eene eeuw, dat is honderd jaren, mogen omloopen
met den Kroder (kruijer) en zijn Juul, die mogen op raad der Eeremoeder
en bij gemeene wil op de wanden der burgten gegrift worden; zijn
zij op de wanden geschreven, dan zijn zij wetten (ewa), en het
is onze plicht om die alle in eere te houden. Komt nood en dwang
ons inzettingen te geven, strijdende met onze wetten en gewoonten,
zoo moet de mensch doen gelijk zij eischen; doch zijn zij geweken,
dan moet men immer tot het oude terugkeeren. Dat is Fryas wil en dat
moet wezen die van alle hare kinderen.





FASTA ZEIDE

Alle dingen die men aanvangen wil, hoedanig zij mogen wezen, op
den dag, waarop wij Frya gehuldigd hebben, zullen eeuwig falikant
uitkomen. Nadat de tijd nu bewezen heeft, dat zij recht had, zoo is
dat eene wet geworden, dat men zonder nood en dwang op Frya haren
dag niets anders doen mag dan blijde feesten vieren.





DIT ZIJN DE WETTEN DIE TOT DE BURGTEN BETREKKING HEBBEN.


1. Zoo wanneer ergens eene burgt gebouwd is, dan moet de lamp aldaar
aan de eerste lamp te Texland aangestoken worden, doch dat mag nimmer
anders dan door de Moeder geschieden.

2. Elke moeder zal hare eigene maagden kiezen. Eveneens die welke op
andere burgen moeder zijn.

3. De Moeder te Texland mag hare opvolgster kiezen, doch bijaldien
zij sterft voor dat zij het gedaan heeft, dan moet die gekozen worden
op eene algemeene vergadering bij raad van alle staten te zamen.

4. De Moeder op Texland mag eenentwintig maagden hebben en zeven
spinmeisjes, opdat er altijd zeven bij de lamp mogen waken des daags
en des nachts. Bij de maagden die op de andere burgten als moeder
dienen, even zoo vele.

5. Bijaldien eene maagd aan iemand huwen wil, zoo moet zij dat aan
de moeder berichten, en op staande voet tot de menschen terugkeeren,
eer zij met haar tochtige adem het licht verontreinigt.

6. Aan de Moeder en aan iedere burgtmaagd zal men toevoegen
eenentwintig burgtheeren, zeven bejaarde wijzen, zeven bejaarde
krijgslieden en zeven oude zeestrijders.

7. Daarvan zullen alle jaren naar huis keeren drie van elk zevental,
maar zij mogen niet opgevolgd worden door hunne nabestaanden, nader
dan het vierde lid.

8. Ieder mag drie honderd jonge burgtverdedigers hebben.

9. Voor deze diensten zullen zij Fryas tex leeren en de wetten, van
de wijze mannen de wijsheid, van de oude heermannen de kunst van den
oorlog, en van de zeekoningen de kundigheden die bij het buitenvaren
noodig zijn.

10. Van deze verdedigers zullen jaarlijks honderd naar huis keeren;
doch zijn er sommigen verlamd geworden, dan mogen zij op de burgten
blijven hun geheele leven lang.

11. Bij het kiezen van de verdedigers mag niemand van de burgt eene
stem hebben, noch de Grevetmannen, of andere opperhoofden, maar enkel
het volk alleen.

12. De Moeder te Texland zal men geven driemaal zeven flinke boden,
met driemaal twaalf rappe paarden. Op de andere burgten elk burgtmaagd
drie boden met zeven paarden.

15. Ook zal iedere burgt hebben vijftig (land) bouwers, door het
volk verkozen, maar daartoe mag men slechts zulken geven, die niet
geschikt en sterk voor de krijgsdienst, noch voor buitenvaarders zijn.

14. Iedere burgt moet in haar eigen onderhoud voorzien en geneeren
zich van haar eigen ronddeel en van het deel, dat zij van het markgeld
ontvangt.

15. Is er iemand gekozen om op de burgten te dienen en wil hij niet,
dan mag hij naderhand geen burgtheer worden, en dus nooit een stem
hebben. Is hij reeds burgtheer, dan zal hij die eer verliezen.

16. Bijaldien iemand raad begeert van de Moeder, of van eene
burgtmaagd, dan moet hij zich melden bij den schrijver. Deze brengt
hem bij den burgtmeester. Vervolgens moet hij naar den leetse, dat is
naar den heelmeester, die moet zien of hij ook bezocht is van kwade
tochten. Is hij goedgekeurd, dan ontdoet hij zich van zijne wapenen
en zeven krijgslieden brengen hem bij de Moeder.

17. Is de zaak over ne state, dan mogen er niet minder dan drie
boden komen. Betreft zij het geheele Friesland, dan moeten er nog
driemaal zeven getuigen bij wezen, daarom, omdat er geen kwaad
vermoeden oprijze moge, noch bedrog gepleegd worde.

18. Bij alle zaken moet de Moeder zorgen en hoeden dat hare kinderen,
dat is Fryas volk, zoo maatrijk blijven, als het wezen kan, dat is
de grootste van hare plichten, en ons aller (plicht is het) om haar
daar in te helpen.

19. Heeft men haar bij eene gerechtelijke zaak ingeroepen om uitspraak
te doen tusschen een Grevetman en de gemeente, en vindt zij de zaak
twijfelachtig, zoo moet zij ten bate der gemeente spreken, opdat
er vrede kome, en omdat het beter is dat aan n man onrecht gedaan
wordt dan aan velen.

20. Komt iemand om raad en weet de Moeder raad, zoo behoort zij op
het oogenblik dien te geven. Weet zij op het oogenblik geen raad,
dan mag zij zeven dagen laten wachten. Weet zij dan nog geen raad,
dan mogen zij henen gaan en zij mogen zich niet beklagen, omdat geen
raad beter is dan een verkeerde raad.

21. Heeft eene Moeder slechte raad gegeven uit kwaadwilligheid, dan
moet men haar dooden, of uit het land drijven geheel naakt en bloot.

22. Zijn hare burgtheeren medeplichtig, dan doet men even zoo met hen.

23. Is hare schuld twijfelachtig of bloot vermoeden, dan moet men
hier over beraadslagen en spreken, zoo het noodig is, eenentwintig
weken lang. Stemt het half deel schuldig, zoo houde men haar voor
onschuldig. Twee derde, zoo wacht men nog een vol jaar. Stemt men dan
ook nog zoo, dan mag men haar voor schuldig houden, maar niet dooden.

24. Bijaldien er onder het derde deel sommigen zijn, die haar voor
zoo onschuldig houden, dat zij haar willen volgen, zoo mogen zij dat
doen met al hunne drijvende en tilbare have en niemand behoort hen
daarom te minachten, aangezien de meerderheid even goed kan dwalen
als de minderheid.





ALGEMEENE WET.


1. Alle vrijgeborenen zijn op gelijke wijze geboren. Daarom moeten
zij ook gelijke rechten hebben, even goed op het land als op het ee,
dat is water, en op alles dat Wralda geeft.

2. Elk manspersoon mag de vrouw zijner keuze vrijen, en elke dochter
mag haren heildrank aanbieden aan hem, dien zij bemint.

3. Heeft iemand eene vrouw genomen, dan geeft men hem huis en werf. Is
er geen, dan moet het gebouwd worden.

4. Is hij naar een ander dorp gegaan, om eene vrouw en wil hij daar
blijven, dan moet men hem aldaar een huis en werf geven, benevens
het genot van de hemrik.

5. Aan ieder manspersoon moet men een achterdeel als werf bij zijn
huis geven: want niemand mag een voordeel bij zijn huis hebben, veel
min een ronddeel. Alleen wanneer iemand eene daad verricht heeft tot
gemeenen nutte, dan mag hem dat gegeven worden. Ook mag zijn jongste
zoon dat erven. Na dezen moet het dorp dat terugnemen.

6. Elk dorp zal een hemrik hebben naar zijne behoefte en de graaf zal
hoeden dat elk zijn deel bemest en goed houdt, opdat de nakomelingen
geene schade lijden mogen.

7. Elk dorp mag eene markt hebben ter koop en verkoop, of tot
ruilhandel, Al het andere land zal bouw en bosch blijven. Doch de
boomen daarin zal niemand vellen, buiten gemeene raad, en buiten
weten van den woudgraaf. Want de wouden zijn ten gemeenen nutte,
daarom mag niemand er meester van zijn.

8. Als marktgeld mag het dorp niet meer nemen dan het twaalfde
gedeelte van den koopschat, noch van de inwoners, noch van den
verafwonenden. Ook mag de marktschatting niet eerder verkocht worden
als het andere goed.

9. Al het marktgeld moet jaarlijks verdeeld worden, drie dagen voor
den Juuldag, in honderd deelen te verdeelen.

10. De grevetman met zijne graven zal daarvan ontvangen twintig
deelen; de marktrechter tien deelen en zijne helpers vijf deelen;
de volksmoeder een deel; de vroedvrouw vier deelen; het dorp tien
deelen; de armen, dat zijn die welke niet werken kunnen of mogen,
vijftig deelen.

11. Degene die te markt komen mogen niet woekeren. Komen er sommige,
dan is het de plicht der maagden, hen kenbaar te maken over het geheele
land, opdat zij nimmer gekozen worden tot eenig ambt, want zulke hebben
een gierig hart. Om rijkdom te vergaderen zouden zij alles verraden,
het volk, de Moeder, hunne nabestaanden en ten laatsten zich zelven.

12. Is er iemand zoo boos dat hij zuchtziek vee of bedorven waar voor
heel goed verkoopt, dan moet de marktrechter hem weren en de maagden
hem noemen over het geheele land.

In vroegere tijden huisde Findas volk meest al te gader over hun
moeders geboorteland, met name Aldland, dat nu in zee ligt. Zij
waren dus ver af. Daarom hadden wij ook geen oorlog. Toen zij
verdreven zijn en herwaarts kwamen om te rooven, toen kwam er van
zelf landverdediging, heermannen, koningen en oorlog. Voor die alle
kwamen inzettingen, en uit de inzettingen kwamen wetten.





HIER VOLGEN DE WETTEN DIE DAARUIT ZAMENGESTELD ZIJN.


1. Elke Fries moet de beleedigers of vijanden afweren, met al zulke
wapenen, als hij verzinnen, bekomen en hanteren mag.

2. Is een knaap twaalf jaar, dan moet hij de zevende dag missen van
zijn leertijd om vaardig te worden met de wapenen.

3. Is hij bekwaam geworden, dan geve men hem wapenen en hij wordt
tot krijgsman geslagen.

4. Is hij drie jaren krijgsman, dan wordt hij burgtheer en mag hij
helpen zijn hoofdman te kiezen.

5. Is hij zeven jaren kiezer, dan mag hij helpen een heerman of koning
te kiezen en dan zelf ook gekozen worden.

6. Alle jaren moet hij herkozen worden.

7. Behalve de koning mogen alle ambtmannen wedergekozen worden,
die recht doen en naar Fryas raad.

8. Geen koning mag langer dan drie jaren koning blijven, opdat hij
niet bestendig moge worden.

9. Heeft hij zeven jaren gerust, dan mag hij weer gekozen worden.

10. Is de koning door den vijand verslagen, dan mogen zijne
nabestaanden ook naar die eer dingen.

11. Is hij op zijn tijd afgetreden of binnen zijn tijd gestorven,
dan mag geen bloedverwant hem opvolgen, die hem nader bestaat dan
het vierde lid.

12. Die welke strijden met de wapenen in hunne handen, kunnen niets
verzinnen en wijs blijven, daarom voegt het geen koning wapenen te
hanteren in den strijd. Zijne wijsheid moet zijn wapen wezen en de
liefde zijner krijgslieden moet zijn schild wezen.





DIT ZIJN DE RECHTEN DER MOEDER EN DER KONINGEN.


1. Zoo wanneer er oorlog komt, zende de Moeder hare boden naar den
koning, de koning zende boden naar de grevetmannen om de landweer.

2. De grevetmannen roepen alle burgtheeren te zamen en bespreken hoe
vele mannen zij zullen zenden.

3. Alle besluiten van dezen moeten dadelijk naar de Moeder gezonden
worden, met boden en getuigen.

4 De Moeder laat alle besluiten verzamelen en geeft het guldengetal,
dat is het middengetal van alle besluiten te zamen. Hiermede moet
men vooreerst vrede hebben, en de koning eveneens.

5. Is het leger te velde, dan behoeft de koning slechts met zijne
hoofdmannen te raadplegen, doch daarbij moeten altijd de drie
burgtheeren der Moeder vooraan zitten zonder stem. Deze burgtheeren
moeten dagelijks boden naar de Moeder zenden, opdat zij weten moge
of er iets gedaan wordt, strijdende met Fryas raadgeving.

6. Wil de koning iets doen, en zijne raden niet, zoo mag hij het
niet onderstaan.

7. Komt een vijand onverwacht, dan moet men doen, zooals de koning
gebiedt.

8. Is de koning niet op het pad, dan moet men zijn volger gehoorzaam
wezen, of die op dezen volgt, tot den laatsten toe.

9. Is er geen hoofdman, dan moet men een kiezen.

10. Is daar geen tijd toe, dan werpe zich een tot hoofdman op, die
zich sterk gevoelt.

11. Heeft de koning een gevreesd volk afgeslagen, dan mogen zijne
nakomelingen zijnen naam achter hun eigen naam voeren. De koning
mag, zoo hij wil, op eene onbebouwde plaats eene plek uitkiezen tot
een huis en erf. Dat erf mag een ronddeel zijn, zoo groot, dat hij
naar alle zijden zeven honderd treden van zijn huis af loopen mag,
eer hij aan zijn grensscheiding komt.

12. Zijn jongste zoon mag dat goed erven, na hem diens jongste zoon,
dan zal men het terug nemen.





HIER ZIJN DE RECHTEN ALLER FRIESEN OM VEILIG TE WEZEN.


Zoo wanneer er wetten gemaakt worden, of nieuwe inzettingen
zamengesteld, alsdan moet het ten gemeenen nutte geschieden, maar
nimmer ten bate van enkelde menschen, noch van enkelde geslachten,
noch van enkelde staten, noch van iets dat enkeld is.

2. Zoo wanneer er oorlog komt en daar worden huizen vernield of
schepen, hoedanig het ook wezen mogen, hetzij door den vijand, hetzij
bij gemeenen rade, zoo behoort de gemeene gemeente, dat is al het volk
te zamen, dit weder te vergoeden, daarom opdat niemand de algemeene
zaak zal helpen verliezen, om zijn eigen goed te behouden.

3. Is de oorlog voorbij gegaan, en zijn er sommige zoodanig verminkt,
dat zij niet langer werken kunnen, dan moet de gemeene gemeente hen
onderhouden, bij de feesten behooren zij vooraan te zitten, opdat de
jeugd hen zal eeren.

4. Zijn er weduwen en weezen gekomen, dan moet men haar ook
onderhouden, en de zonen mogen de namen hunner vaderen op hunne
schilden schrijven tot eere van hun geslacht.

5. Zijn er sommigen door den vijand gevangen genomen en komen zij
terug, dan moet men hen verre van het kamp wegvoeren, want zij mochten
vrij gelaten zijn onder kwade beloften, en dan mogen zij hunne beloften
niet houden en toch eerlijk blijven.

6. Indien wij zelve vijanden gevangen nemen, dan voere men die diep
in het land weg, en leert hen onze vrije zeden.

7. Indien men hen naderhand vrijlaat, dan laat men dat met goedheid
door de Maagden doen, opdat wij makkers en vrienden winnen in plaats
van haters en vijanden.





UIT MINNO'S GESCHRIFTEN.


Zoo wanneer daar een man is dermate boos, dat hij onze naburen berooft,
doodslagen pleegt, huizen in brand steekt, maagden schendt, wat het
ook zij dat boos is, en onze landgenooten willen dat gewroken hebben,
dan is het recht, dat men den dader vatte en in hunne tegenwoordigheid
doode, opdat daar over geen oorlog kome, waardoor de onschuldige zoude
boeten voor den schuldige. Willen zij hem zijn lijf laten behouden
en de wraak laten afkoopen, zoo mag men dat gedoogen. Is de schuldige
een koning, grevetman, grevet, wie dat het zij, die over de zeden moet
waken, zoo moeten wij het kwaad herstellen, maar hij moet zijne straf
hebben. Voert hij een eernaam op zijn schild van zijne voorvaderen,
dan mogen zijne nabestaanden dien naam niet langer voeren, daarom
dat de eene bloedverwant zorgdragen zal over de zeden des anderen.





WETTEN VOOR DE STUURLIEDEN. STUURMAN IS EEN TITEL VOOR DE
BUITENVAARDERS.


1. Alle Fryas zonen hebben gelijke rechten, daarom mogen alle flinke
knapen zich als buitenvaarders aanmelden bij den olderman, en deze
mag hen niet afwijzen, ten ware dat er geen plaats is.

2. De stuurlieden mogen hun eigen meesters benoemen.

3. De kooplieden moeten gekozen en benoemd worden door de gemeente,
aan wie het goed toebehoort, en de stuurlieden mogen daarbij geen
stem hebben.

4. Als men op reis bevindt, dat de koning slecht of onbekwaam is,
dan mogen zij een ander nemen. Komen zij weer thuis, dan mag de koning
zich beklagen bij den olderman.

5. Komt de vloot weder thuis, en zijn er baten, dan moeten de zeelieden
daarvan een derde deel hebben, aldus te deelen. De witkoning twaalf
mansdeelen, de schout bij nacht zeven mansdeelen, de bootsmannen elk
twee deelen, de schippers elk drie deelen, het overige scheepsvolk elk
een deel, de jongste scheepsjongens elk een derde deel, de middelste
jongens elk een halfdeel en de oudste jongens elk een tweederde deel.

6. Zijn er sommigen verlamd, dan moet de gemeene gemeente zorgen voor
hun onderhoud, ook moeten zij vooraan zitten bij de algemeene feesten,
bij huisselijke feesten, ja bij alle feesten.

7. Zijn er op de tocht omgekomen, dan moeten hunne naasten hun
deel erven.

8. Zijn daar weduwen en weezen van gekomen, dan moet de gemeene
gemeente die onderhouden; zijn zij in een zeestrijd gesneuveld,
dan mogen hunne zonen de namen hunner vaderen op hunne schilden voeren.

9. Zijn er ligtmatrozen verongelukt, dan moeten zijne erven een geheel
mansdeel hebben.

10. Was hij verloofd, dan mag zijne bruid zeven mansdeelen eischen
om aan haar bruidegom een steen te wijden, maar dan moet zij voor
deze eer weduw blijven haar leven lang.

11. Bijaldien eene gemeente eene vloot uitrust, moeten de reeders
zorgen voor de beste leeftocht en voor vrouwen en kinderen.

12. Indien een zeeman afgeleefd en arm is, en heeft hij huis noch erf,
dan moet hem dat gegeven worden. Wil hij geen huis en erf, zoo mogen
zijne vrienden hem in huis nemen en de gemeente moet dat vergoeden
naar zijn staat, tenzij dat zijne vrienden dit voordeel weigeren.





NUTTIGE ZAKEN UIT DE NAGELATEN SCHRIFTEN VAN MINNO.


Minno was een oude zeekoning, een ziener en wijsgeer; hij heeft aan
de Kretensen wetten gegeven. Hij is geboren aan de Lindeoord, en
na al zijne omzwervingen heeft hij het geluk genoten om te Lindahem
te sterven.

Zoo wanneer onze naburen een stuk land hebben of water, dat ons goed
toeschijnt, zoo voegt het ons dat te koop te vragen; willen zij dat
niet doen, zoo moet men hun dat laten behouden: dat is naar Fryas
tex en het zoude onrecht wezen dat afhandig te maken.

Wanneer er naburen te zamen kijven en twisten over eenige zaak (anders)
dan over land, en zij ons verzoeken een oordeel uit te spreken, zoo
behoort men dat liever achterwege te laten; doch als men daar niet
buiten kan, zoo moet men dat eerlijk en rechtvaardig doen.

Komt er iemand en zegt: ik heb oorlog en nu moet gij mij helpen. Of
een ander komt en zegt: mijn zoon is minderjarig en onbekwaam en ik
ben oud, nu wilde ik u tot voogd over hem en over mijn land stellen,
totdat hij meerderjarig is, zoo behoort men dat te weigeren, opdat wij
niet in twist mogen komen over zaken strijdende met onze vrije zeden.

Wanneer een buitenlandsch koopman komt op de toegelatene markt te
Wyringen of te Almanland en hij bedriegt, zoo wordt hij terstond in
de marktboete geslagen en door de maagden kenbaar gemaakt over het
geheele land. Komt hij dan terug, dan zal niemand van hem koopen, en
hij mag vertrekken gelijk hij gekomen is. Dus wanneer er kooplieden
gekozen worden om ter markt te gaan, of met de vloot te varen, dan
behoort men alleen dezulken te kiezen, die men door en door kent en
in een goeden roep staan bij de maagden. Gebeurt het desniettemin,
dat er een slecht man onder is, die de menschen bedriegen wil, zoo
behooren de anderen dat te weren. Heeft hij het reeds gedaan, dan
moet men dat herstellen, en den misdadiger uit het land verbannen,
opdat onze naam overal met eere genoemd mag worden.

Maar zoo wij ons op eene buitenlandsche markt bevinden, hetzij nabij
of ver af en het volk ons leed doet of besteelt, dan behooren wij met
een haastigen aanval toe te slaan, want ofschoon wij alles behooren te
doen om des vredes wille, mogen onze halfbroeders ons nimmer minachten
of wanen dat wij bang zijn.

In mijne jeugd heb ik wel eens gemord over de banden der wetten,
achterna heb ik Frya dikwijls gedankt voor hare tex, en onze
voorvaderen voor de wetten, die daaruit zamengesteld zijn. Wralda
of Alvader heeft mij vele jaren gegeven, en over vele landen en
zeen heb ik rondgevaren, en na alles wat ik gezien heb, ben ik
overtuigd, dat wij alleen door Alfader uitverkoren zijn, om wetten
te hebben. Lydas volk vermag geene wetten te maken, noch te houden,
zij zijn te dom en onbeschaafd daartoe. Velen gelijken op Finda,
zijn schrander genoeg, maar zij zijn hebzuchtig, hovaardig, valsch,
onkuisch en moordzuchtig. De padde blaast zich op en zij kan slechts
kruipen. De kikvorsch roept werk, werk, en zij doet niets als huppelen
en grappenmaken. De raven roepen spaar, spaar, maar zij stelen en
verslinden al wat onder hun snavel komt. Aan die allen gelijk is
het Findas volk, zij spreken luide altijd over goede wetten, elk wil
inzettingen maken om het kwaad te weren, maar zelf wil niemand daaraan
gebonden wezen. Diegene wiens geest het listigste is en daardoor
sterk, diens haan kraait koning en de andere moeten allerwege aan zijn
wil onderworpen wezen, totdat een ander komt die hem van den zetel
verdrijft. Het woord ewa is te heilig om eene gemeene zaak te benoemen,
daarom heeft men ons evin leeren zeggen. Ewa beteekent inzettingen,
die bij alle menschen gelijkelijk in hun gemoed geprent zijn, opdat
zij weten mogen wat recht en onrecht is, en waardoor zij in staat
zijn hunne eigene daden en die van anderen te beoordeelen, dat wil
zeggen: alzoo verre zij goed en niet misdadig opgevoed zijn. Ook is
er nog een andere zin aan vast: Ewa (effen) beteekent ook gelijk,
vlak als water, recht en slecht gelijk water dat door geen hevige wind
of iets anders verstoord is. Wordt het water verstoord, dan wordt het
oneffen, onrecht, maar het neigt altijd om weder effen te worden. Dat
ligt in zijn wezen, even als de neiging tot recht en vrijheid in Fryas
kinderen ligt. Deze neiging hebben wij door den geest van Wralda onzen
vader, die luide spreekt in Fryas kinderen. Daarom zal die ook eeuwig
beklijven. Ewa (eeuwig) is ook het andere zinnebeeld van Wralda, die
eeuwig recht en onverstoord blijft, ofschoon het in zijn ligchaam
erg toe gaat. Eeuwig en onverstoord zijn de kenmerken der wijsheid
en rechtvaardigheid die door alle vrome menschen gezocht en door alle
rechteren moeten bezeten worden. Willen dus de menschen inzettingen en
bepalingen maken, die steeds goed blijven en aller wege, zoo moeten
zij gelijk wezen voor alle menschen. Naar deze wetten behooren de
rechteren hun oordeel uit te spreken. Is er eenig kwaad bedreven,
waaromtrent geene wetten gemaakt zijn, zoo moet men eene algemeene
vergadering beleggen, daar oordeelt men naar den zin, dien Wraldas
geest in ons spreekt, om over alles rechtvaardig te oordeelen. Zoo
doende zal ons oordeel nimmer falikant uitkomen. Doet men geen recht,
maar onrecht, dan rijst er twist en tweespalt onder de menschen en
staten; daaruit ontspruit binnenlandsche oorlog, waardoor alles in de
war gebragt en in 't verderf gestort wordt. Maar o domheid. Terwijl wij
bezig zijn elkander te schaden, komt het nijdige volk Findas met zijne
valsche priesteren om uwe have te rooven, uwe dochteren te schenden,
uwe zeden te verderven, en ten laatste sluiten zij slavenbanden om
een ieders vrijen hals.





UIT MINNOS SCHRIFTEN.


Toen Nyhalennia, die van haar eigen naam Min-erva heette, goed gezeten
was, en de Krekalanders haar soms evenzeer lief hadden als ons eigen
volk, toen kwamen daar eenige vorsten en priesteren op hare burgt en
vraagden Min-erva, waar hare erven gelegen waren. Hellenia antwoorde
mijne erven draag ik om in mijn boezem, 't gene ik gerfd heb is liefde
tot wijsheid, rechtvaardigheid en vrijheid. Heb ik die verloren, dan
ben ik gelijk aan den minste van uwe slaven. Nu geef ik raad om niet,
maar dan zoude ik die verkoopen. De heeren gingen heen en riepen al
lachende, uwe gehoorzame dienaren, wijze Hellenia. Doch daarmede misten
zij hun doel, want het volk dat haar beminde en volgde nam dezen naam
als een eernaam op. Toen zij zagen, dat hun schot gemist had, toen
gingen zij haar belasteren, en zeiden dat zij het volk behekst had;
maar ons volk en de goede Krekalanders beweerden allerwege dat het
laster was. Eens kwamen zij en vroegen: als gij dan geen tioenster
(heks) zijt, wat doet gij dan met de eijeren, die gij altijd bij
u hebt. Minerva antwoordde: Deze eijeren zijn het zinnebeeld van
Frya's raadgevingen, waarin onze toekomst verholen ligt en die van het
geheele menschelijk geslacht. De tijd moet ze uitbroeden, en wij moeten
waken dat er geen leed aan komt. De priesteren (zeiden): goed gezegd,
maar waartoe dient de hond aan uwe rechter hand. Hellenia antwoorde:
Heeft de herder geen schaapshond om zijne kudde bijeen te houden? wat
de hond is in de dienst des schaapsherders, dat ben ik in Frya's
dienst. Ik moet over Frya's kudde waken. Dat komt ons goed voor zeiden
de priesters, maar zeg ons wat is de beteekenis van de nachtuil, die
altijd boven uw hoofd zit; is dat lichtschuwende dier soms het teeken
van uw helder zien? Neen, antwoorde Hellenia, hij helpt mij herinneren
dat er een slag van menschen over de aarde omdwaalt, dat even gelijk
hij in kerken en holen huist, die in duister omwroeten, doch niet
als hij, om ons van muizen en andere plagen te bevrijden, maar om
ranken te verzinnen, andere menschen hunne wetenschap te rooven,
opdat zij hen des te beter mogen vatten om er slaven van te maken, en
hun bloed uit te zuigen even als de bloedzuigers doen. Eens kwamen zij
met eene bende volks (de pest was over het land gekomen), zij zeiden:
wij alle zijn bezig de goden te offeren, opdat zij de pest mogen weren,
wilt gij dan niet helpen hunne gramschap te stillen, of hebt gij zelve
de pest over het land gebracht met uwe kunsten. Neen, zeide Minerva,
maar ik ken geene goden die kwaaddoende zijn, daarom kan ik niet vragen
of zij beter willen worden. Ik ken slechts een goede, dat is Wralda's
geest, maar omdat hij goed is, doet hij ook geen kwaad. Waar komt het
kwaad dan weg, vroegen de priesteren. Alle kwaad komt van u en van de
domheid der menschen, die zich van u laten vangen. Indien uwe godheid
dan zoo bijster goed is, waarom weert hij dan het kwaad niet, vroegen
de priesters. Hellenia antwoorde: Frya heeft ons op den weg gebracht,
en de Kroder, dat is de Tijd, die moet het overige doen; voor alle
rampen is raad en hulp te vinden, doch Wralda wil dat wij die zelve
zullen zoeken, opdat wij sterk zullen worden en wijs. Willen wij niet,
dan laat hij onze verbastering uitrazen, opdat wij zullen ervaren,
wat na verstandige daden en wat na dwaze daden volgt.

Toen zeide een vorst: Ik zoude wanen, dat het beter ware, die te
weeren. Wel mogelijk, antwoordde Hellenia, want dan zouden de menschen
blijven gelijk makke schapen, gij en de priesters zoudt hen willen
hoeden, maar ook scheren en naar de slachtbank voeren. Doch zoo wil
het onze godheid niet, hij wil, dat wij elkander helpen, maar hij
wil ook dat iedereen vrij zij en wijs worde. En dat is ook onze wil,
en daarom kiest ons volk zijne vorsten, graven, raadgevers en alle
bazen en meesters uit de wijsten der goede menschen, opdat alle man
even zeer zijn best zal doen, om wijs en goed te worden. Zoodoende
zullen wij eens weten en aan het volk leeren, dat wijs zijn en
wijs doen alleen leidt tot zaligheid. Dat schijnt wel een oordeel,
zeiden de priesters, maar als gij nu meent dat de pest door onze
domheid ontstaat, zoude Nyhellenia dan wel zoo goed willen wezen,
om ons wat van dat nieuwe licht te leenen, waarop zij zoo trotsch
is. Ja, zeide Hellenia, de raven en andere vogelen komen alleen af op
bedorven aas, maar de pest bemint niet alleen bedorven aas, maar ook
bedorven zeden en gewoonten en booze lusten; wilt gij nu dat de pest
van u zal wijken en niet terugkomen, dan moet gij de booze lusten
wegdoen, opdat gij alle rein wordt van binnen en van buiten. Wij
willen gelooven, dat de raad goed is, zeiden de priesters, maar zeg
ons, hoe zullen wij daar alle menschen toe krijgen, die onder onze
heerschappij zijn? Toen stond Hellenia op van haren zetel en sprak:
De musschen volgen den zaaijer, de volken hunne goede vorsten, daarom
betaamt het u te beginnen met u zelven alzoo rein te maken, dat gij
uwe blikken naar binnen en naar buiten moogt richten zonder schaamrood
te worden voor uw eigen gemoed. Doch in plaats van het volk rein te
maken, hebt gij vuile feesten uitgevonden, waarop het volk alzoo lang
zuipt, dat zij ten laatsten, gelijk de zwijnen in het slik wroeten,
omdat gij uwe lusten boeten moogt. Het volk begon te joelen en te
spotten, daardoor durfden zij geen strijd weder aan te spinnen. Nu
zoude ieder wanen dat zij overal het volk te hoop geroepen hadden, om
ons allen te zamen het land uit te drijven. Neen, in plaats van haar
te beschimpen gingen zij allerwegen, ook naar het heinde Krekaland
tot aan de Alpen uitroepen: dat het den Oppersten God behaagd had
zijne verstandige dochter Minerva, bijgenaamd Nyhellenia, onder de
menschen te zenden van over zee met eene wolk, om de menschen goede
raad te geven, en opdat alle menschen die haar hooren wilden rijk
en gelukkig zouden worden, en eens meester zouden worden over alle
koningrijken der aarde. Zij stelden haar beeld op hunne altaren,
zij verkondigden of verkochten aan de domme menschen allerwegen
raadgevingen die zij nimmer gegeven had, en vertelden wonderen die zij
nooit gedaan had. Door list wisten zij zich meester te maken van onze
wetten en inzettingen en door listen en drogredenen wisten zij alles te
bewijzen en te verbreiden. Zij stelden ook priesteressen onder hunne
hoede, die schijnbaar onder de hoede van Festa onze eerste eeremoeder
(waren) om over het heilige licht te waken, maar dat licht hadden zij
zelve ontstoken, en in plaats van de priesteressen wijs te maken en
naderhand onder het volk te zenden om de zieken te verplegen en de
jeugd te onderwijzen, maakten zij ze dom en duister, en zij mochten
nimmer buiten komen. Ook werden zij als raadgeefsters gebezigd, maar
die raad was voor den schijn uit hare monden, want hare monden waren
niet anders dan de roepers, waardoor de priesters hunne begeerten
uitspraken. Toen Nyhellenia gestorven was, wilden wij eene andere
moeder kiezen. Sommigen wilden naar Texland om aldaar eene te vragen;
maar de priesters die bij hun eigen volk het rijk weder in hadden,
wilden dat niet gedoogen, en kreten ons bij het volk als onheilig uit.





UIT DE SCHRIFTEN VAN MINNO.


Toen ik aldus weggevaren was met mijne lieden van Athenia, kwamen wij
ten laatsten aan een eiland, door mijne manschappen Kreta geheeten,
wegens de woeste kreten die het volk aanhief bij onze komst. Toen zij
echter zagen, dat wij geen oorlog in het schild voerden, werden zij
gedwee, zoodat ik ten laatsten voor een boot met ijzer gereedschap
eene havenmond en een plek grond inruilde, doch toen wij daar eene
poos gezeten waren, en zij bespeurden dat wij geene slaven hadden,
toen waren zij daarover versteld. Maar toen dat ik hun nu verteld
had, dat wij wetten hadden om gelijk recht te doen over allen, toen
wilde het volk ook zulke hebben, doch nauwlijks hadden zij die, of
het geheele land kwam in de war. De vorsten en priesteren kwamen en
gaven voor dat wij hunne onderdanen oproerig gemaakt hadden, en het
volk kwam tot ons om heul en schut te vragen. Doch toen de vorsten
zagen dat zij hun rijk zouden verliezen, toen gaven zij aan het volk
vrijheid en kwamen bij mij om een Asegaboek. Doch het volk was aan
geen vrijheid gewoon, en de heeren bleven heerschen, naardat hun goed
dacht. Nadat die storm over was, begonnen zij tweespalt tusschen ons
te zaaijen. Zij zeiden aan mijn volk, dat ik hunne hulp had ingeroepen,
om bestendig koning te worden. Eens vond ik vergif in mijne spijs. Doch
als er eens een schip van Flyland bij ons verzeilde, ben ik daarmede
stilletjes weggetogen. Doch mijn eigen wedervaren daarlatende, wil ik
met deze geschiedenis alleen zeggen, dat wij ons niet moeten inlaten
met Finda's volk, van waar het ook zij, omdat zij vol zijn van valsche
ranken, even te vreezen als hunne zoete wijnen met doodend vergif.


Einde van Menno's schriften.





HIERONDER ZIJN DRIE BEGINSELEN, DAARNAAR ZIJN DEZE INZETTINGEN GEMAAKT.


1. Iedereen weet dat hij zijn nooddruft moet hebben, maar wordt aan
iemand zijne nooddruft onthouden, dan weet niemand wat hij doen zal,
om zijn lijf te behouden.

2. Alle volwassen menschen worden gedrongen kinderen te verwekken,
zoo dat geweerd wordt, weet niemand, wat kwaads daarvan kan komen.

3. Een ieder weet dat hij vrij en onverlet wil leven, en dat anderen
dat ook willen. Om veilig te wezen zijn deze inzettingen en bepalingen
gemaakt.

Het volk van Finda heeft ook inzettingen en bepalingen, maar deze
zijn niet volgens het recht, maar alleen ten bate van de priesters en
vorsten, dientengevolge zijn hunne staten immer vol tweespalt en moord.

1. Bijaldien iemand gebrek heeft en hij kan hem zelf niet helpen,
zoo moeten de Maagden dat ter kennis brengen van den graaf, om reden
dat het een hooghartigen Fries niet past dat zelf te doen.

2. Zoo iemand arm wordt, doordien hij niet werken wil, die moet uit
den lande uitgedreven worden; want de laffen en tragen zijn lastig
en ergdenkend, daarom behoort men hen te weren.

3. Ieder jong man behoort eene bruid te zoeken, en is hij vijf en
twintig jaar oud, dan behoort hij eene vrouw te hebben.

4. Is iemand vijf en twintig jaar, en heeft hij nog geene echtgenoot,
dan behoort men hem uit zijn huis te weren, de knapen behooren hem
te vermijden. Neemt hij dan nog geene vrouw, dan moet men hem dood
verklaren, opdat hij uit het land vertrekke, en hier geen ergernis
mag geven.

5. Is iemand machteloos, dan moet hij openbaar zeggen dat niemand
van hem te vreezen heeft, dan mag hij komen, waar hij wil.

6. Pleegt hij naderhand ontucht, dan mag hij vluchten; vlucht hij niet,
dan wordt hij aan de wraak der bedrogene overgelaten en niemand mag
hem helpen.

7. Bijaldien iemand eenig goed heeft, en een ander begeert dat
dermate, dat hij zich daaraan vergrijpt, dan moet hij dat drievoudig
vergelden. Steelt hij dan nog eens weer, dan moet hij naar de
tinlanden; wil de bestolene hem vrij laten, dan mag hij dat doen,
maar gebeurt het voor de derde reis, dan mag niemand hem de vrijheid
schenken.





DEZE BEPALINGEN ZIJN GEMAAKT VOOR TOORNIGE MENSCHEN.


Zoo iemand in drift of uit boosheid een ander leden breekt, een oog
uitstoot, ofte tand, wat het ook zij, zoo moet de beleediger betalen,
wat de beleedigde eischt. Kan hij dat niet doen, zoo moet er openbaar
aan hem gedaan worden, wat hij aan den ander deed. Wil hij dat niet
uitstaan, dan moet hij zich tot zijne burgtmaagd wenden, of hij in
de ijzer- of tinlanden mag werken, tot dat zijne schuld voldaan is
volgens de algemeene bepaling.

2. Wanneer iemand gevonden wordt zoo boos, dat hij een Fries dood
slaat, dan moet hij dat met zijn lijf betalen. Doch kan zijne
burgtmaagd hem voor altijd naar de tinlanden helpen, voor dat hij
gevat wordt, dan mag zij dat doen.

3. Bijaldien de gevangene kan bewijzen met erkende getuigen, dat het
bij ongeluk geschied is, zoo zal hij vrij wezen. Maar gebeurt het
nog eenmaal, dan moet hij toch naar de tinlanden, opdat men daardoor
vermijde alle onbehoorlijke wraak en veete.





DIT ZIJN BEPALINGEN VOOR DE HOERENKINDEREN.


1. Wie eens anders huis uit boosheid den rooden haan opzet, is geen
Fries, hij is een hoerenkind, met basterd bloed. Kan men hem op heeter
daad vatten, dan moet men hem in het vuur werpen. Hij mag vlieden
zoo hij kan, nergens zal hij veilig wezen voor de wrekende hand.

2. Geen echte Fries zal over de misslagen zijns naaste mallen of
kwaadspreken. Is iemand misdadig jegens hem zelven, maar niet te
vreezen voor anderen, dan mag hij zijn eigen rechter wezen. Wordt hij
zoo slecht, dat hij gevaarlijk wordt, dan moet men het aan den graaf
openbaren. Maar is er iemand die een ander achter zijn rug aantijgt,
in plaats van het bij den graaf te doen, die is een hoerenkind,
op de markt moet hij aan den paal gebonden worden, zoodat het jong
volk hem mag aanspuwen; daarna leidt men hem over de grenzen, maar
niet naar de tinlanden, want een eerrover is ook te vreezen.

3. Bijaldien er eens iemand zoo slecht was, dat hij ons ging verraden,
aan den vijand de paden en bijpaden wees om onze vliedburgten
te genaken, of des nachts daar in te sluipen, die zoude alleen
gesproten zijn uit Finda's bloed, men zoude hem moeten verbranden,
de zeelieden zouden zijne moeder en al zijne bloedverwanten naar
een afgelegen eiland moeten brengen, en daar zijn asch verstuiven,
opdat er geen vergiftige kruiden van mochten groeijen. De maagden
moeten zijn naam vervloeken over alle onze staten, opdat geen kind
zijn naam moge krijgen, en de ouden hem mogen verwerpen.

Oorlog was voorbij gegaan, maar nood was in zijne plaats gekomen; nu
waren er drie menschen die elk een zak koorn stalen van afzonderlijke
eigenaren. Doch zij werden alle gevangen. Nu ging de eerste (eigenaar)
heen en bracht den dief bij den schout, de maagden zeiden daarvan
allerwege, dat hij gehandeld had naar het recht. De andere nam den
dief het koorn af, en liet hem voorts met vrede; de maagden zeiden,
hij heeft wel gedaan. Maar de derde eigenaar ging naar den dief in
zijn huis. Toen hij nu zag, hoe de nood daar zijn zetel had opgesteld,
ging hij terug en keerde weder met een wagen vol nooddruftigheden,
waarmede hij den nood van den haard verdreef. Frya's maagden hadden
bij hem rondgewaard en zijne daad in het eeuwige boek geschreven,
terwijl zij al zijne zonden hadden uitgewischt. Het werd gezegd aan
de eeremoeder, en deze liet het verkondigen over het geheele land.





HETGENE HIERONDER STAAT IS AAN DE WANDEN VAN DE WARABURGT GEGRIFT.


(Zie plaat I.)

Wat hier boven staat, dat zijn de teekens van het Juul, dat is het
eerste zinnebeeld van Wralda, ook van den aanvang of het begin, waaruit
de Tijd is voortgekomen; deze is de Kroder, die eeuwig met het Juul
moet rondloopen. Hiernaar heeft Frya het staand schrift gevormd,
't welk zij gebruikte voor hare tex. Toen Fasta eeremoeder was,
heeft zij er het run of loopend schrift van gemaakt. De Witkoning
d. i. Zeekoning Godfried, de oude, heeft er afzonderlijke getalteekens
van gemaakt voor het staand en loopend schrift beide. Het is daarom
niet te veel dat wij er jaarlijks eenmaal feest voor vieren. Wij
mogen Wralda eeuwig dank wijden, dat hij zijn geest zoo krachtig
over onze voorvaderen heeft laten varen. In haren tijd heeft Finda
ook een schrift uitgevonden; maar dat was zoo hoogdravend en vol
met franjes en krullen, dat de nakomelingen de beteekenis daarvan
spoedig verloren hebben. Naderhand hebben zij ons schrift geleerd,
met name de Finnen, de Thyriers en de Krekalander. Maar zij wisten
niet goed, dat het van het Juul gemaakt was, en dat het daarom altijd
moest geschreven worden met de zon om. Bovendien wilden zij dat hun
schrift voor andere volken onleesbaar zoude wezen, omdat zij altijd
geheimnissen hebben. Zoodoende zijn zij zeer van de wijs geraakt,
dermate, dat de kinderen de schriften hunner ouderen bezwaarlijk kunnen
lezen; terwijl wij onze alleroudste schriften even gemakkelijk kunnen
lezen als die, die gisteren geschreven zijn.

Hieronder is het staand schrift, daaronder het loopend schrift,
vervolgens de getalteekens op beide wijzen.

(Zie plaat II.)





DIT STAAT OP ALLE BURGTEN GESCHREVEN.


Eer de booze tijd kwam, was ons land het schoonste in de wereld. De zon
rees hooger en er was zelden vorst. Aan de boomen en heesters groeiden
vruchten en ooft, die nu verloren zijn. Onder de grasplanten hadden
wij niet alleen gerst, haver en rogge, maar ook tarwe, die als goud
blonk en die men onder de zonnestralen kon bakken. De jaren werden
niet geteld, want het eene jaar was even vrolijk als het andere. Aan
de eene zijde werden wij door Wraldas zee besloten, waarop geen volk
behalve wij, mocht varen, noch konde. Aan de andere zijde werden wij
door het breede Twiskland (tusschenland, Duitschland) omtuind, waardoor
het volk van Finda niet durfde komen, wegens de dichte wouden en het
wild gedierte. Ten oosten paalden wij tot het uiteinde der Oostzee,
en ten westen aan de Middellandsche zee, zoodat wij buiten de kleine
rivieren wel twaalf groot zoetwater stroomen hadden, ons door Wralda
gegeven om ons land vochtig te houden en om onze zeevaarders den weg
naar zijne zee te wijzen.

De oevers van deze stroomen werden somtijds alle door ons volk bezeten,
ook de velden aan den Rijn, van 't eene einde tot het andere toe.

Tegenover de Denemarken en het Juttenland hadden wij volkplantingen met
eene burgtmaagd. Van daar trokken wij koper en ijzer, benevens teer,
pik en sommige andere benoodigdheden. Tegenover ons voormalig Westland
hadden wij Brittannie met zijne tinlanden. Brittannie was het land der
ballingen, die met behulp hunner burgtmaagd weggetrokken waren, om hun
lijf te behouden. Maar opdat zij niet terug zouden komen, werd eerst
een B. voor hun voorhoofd geprikt, de gebannenen met roode bloedverf,
de andere misdadigers met blaauwe verf. Bovendien hadden onze zeelieden
en kooplieden menige loods (factorij) in de heinde Krekalanden (Italie)
en in Lydia. In Lydia (Lybia) zijn de zwarte menschen. Daar ons land
zoo ruim en groot was, hadden wij vele afzonderlijke namen. Die welke
gezeten waren ten oosten van de Denemarken, werden Jutten genoemd,
uithoofde zij dikwijls anders niet deden dan barnsteen jutten
(aan het strand zoeken). Die welke woonden op de eilanden werden
Letten geheeten, omdat zij meestal verlaten leefden. Alle strand en
kustbewoners van de Denemarken af tot aan de Sandval, nu Schelde,
werden Stuurlieden, Zeekampers en Angelaren geheeten. Angelaren zoo
noemde men te voren de buitenvisschers, omdat zij alleen met angel of
hoekwant vischten, en nooit geen netten (gebruikten). Die welke van
daar tot aan het naaste Krekaland woonden, werden eenvoudig Kadhemers
genoemd, omdat zij nimmer buiten voeren (maar aan de kade bleven). Die
in de hooge marken gezeten waren, welke aan de Twisklanden paalden,
werden Saxmannen geheeten, uithoofde zij altijd gewapend waren tegen
het wild gedierte en de verwilderde Britten. Daarenboven hadden wij
de namen Landzaten, Marzaten en Hout- of Woudzaten.





HOE DE BANGE TIJD KWAM.


Geheel den zomer had de zon achter de wolken gescholen, als wilde
zij de aarde niet zien. De wind rustte in zijn holen, waardoor
rook en damp als zeilen boven huis en poelen stonden. De lucht werd
aldus droef en dof, en in de harten der menschen was blijdschap noch
vreugde. Te midden van deze stilte begon de aarde te beven, alsof zij
stervende was. De bergen spleten van een om vuur en vlam te spuwen;
andere zonken in haren schoot neder, en waar zij eerst velden had,
hief zij nu bergen omhoog. Aldland, door de zeelieden Atland geheeten,
zonk neder, en de woeste golven traden zoo verre over bergen en
dalen, dat alles onder de zee bedolven was. Vele menschen werden
in de aarde begraven, en velen die aan het vuur ontkomen waren,
kwamen daarna in het water om. Niet alleen in het land van Finda
spuwden de bergen vuur, maar ook in het Twiskland. Wouden brandden
daardoor achterelkander weg, en toen de wind daar van daan kwam,
waaiden onze landen vol asch. Stroomen werden verlegd en bij hunne
monden kwamen nieuwe eilanden van zand en drijvend vee. Drie jaren was
de aarde zoo lijdende, maar toen zij herstelde, kon men hare wouden
zien. Vele landen waren verzonken, en andere uit de zee opgerezen
en het Twiskland voor de helft ontwoud. Benden Findas volk kwamen de
ledige ruimten bezetten. Onze weggetrokkenen werden verdelgd, of zij
werden hunne bondgenooten. Toen werd waakzaamheid ons dubbel geboden,
en de tijd leerde ons, dat eendracht onze sterkste burgt is.





DIT STAAT AAN DE WARABURGT BIJ DE ALDEGAMUDE GEGRIFT.


De Waraburgt is geen Maagdeburgt, maar daarin werden alle uitheemsche
en buitenlandsche dingen bewaard, die mede gebracht zijn door de
zeelieden. Zij is drie palen, dat is een halftij (3 uren) zuidwaarts
van Medeasblik gelegen. Aldus is de voorafspraak: Bergen neigt uwe
kruinen, wolken en stroomen weent. Ja, Schoonland bloost, slavenvolken
stappen op uw kleed, o Frya.





ZOO IS DE GESCHIEDENIS.


100 en 1 jaar nadat Aldland gezonken is, kwam uit het oosten een volk
weg. Dat volk was verdreven door een ander volk. Achter ons Twiskland,
kregen zij tweespalt, zij schiften zich in twee hoopen, en elk ging
zijns weegs. Van het eene gedeelte is geen bericht tot ons gekomen,
maar het ander gedeelte viel achter in ons Schoonland. Schoonland was
schaars bevolkt en aan de achterkant het spaarzaamst van al. Daarom
mogten zij het zonder strijd overwinnen, en uithoofde zij anders geen
leed deden, wilden wij daarom geen oorlog hebben. Nu wij hen hebben
leeren kennen, willen wij over hunne zeden schrijven, en daarna hoe het
ons met hen vergaan is. Het volk was niet woest, gelijk vele geslachten
van Finda; maar het is gelijk de Egyptelanders, zij hebben priesters,
even als deze, en in de kerken hebben zij ook beelden. De priesters
zijn de eenigste heeren, zij noemen zich zelf Magyaren, hun opperste
heet Magy, hij is hoofdpriester en koning met een; al het andere volk
is nul in 't cijfer en gelijk, en allen zijn onder hun geweld. Het
volk heeft niet eens een naam; door ons worden zij Finnen genoemd;
want ofschoon hunne feesten allemaal treurig en bloedig zijn, zijn
zij daar toch zoo fijn op, dat wij daarbij achterstaan. Voorts zijn
zij niet te benijden, want zij zijn slaven van hunne priesters,
maar nog veel meer van hunne meeningen. Zij meenen, dat alles vol
is van booze geesten, die in de menschen en dieren sluipen; maar van
Wraldas geest weten zij niets. Zij hebben steenen wapenen, de Magyaren
koperen. De Magyaren verhalen, dat zij de booze geesten kunnen bannen
en verbannen, daarover is het volk steeds in bange vrees, en op hun
gelaat is nimmer vrolijkheid te zien.

Toen zij goed gezeten waren, zochten de Magyaren vriendschap bij ons,
zij roemden onze taal en zeden, ons vee en onze ijzeren wapenen,
die zij gaarne voor hunne gouden en zilveren sieraden wilden ruilen,
en hun volk hielden zij altoos binnen de palen, en dat verschalkte
onze waakzaamheid.

Tachtig jaren later, juist was het Juulfeest, kwamen zij
onverwacht, gelijk sneeuw door een stormwind gedreven, over onze
landen toeloopen. Die niet vlieden konden, werden gedood. Frya werd
aangeroepen, maar de Schoonlanders hadden haren raad verwaarloosd. Toen
werden krachten verzameld, drie palen van Godasburgt werden zij
wederstaan, de oorlog bleef. Kat of Katerinne, zoo heette de
priesteres, die burgtmaagd op Godasburgt was. Kat was trotsch en
hooghartig, daarom liet zij noch raad, noch helpers aan de Moeder
vragen. Maar toen de burgtheeren dat begrepen, zonden zij zelve boden
naar Texland tot de Eeremoeder. Minna, zoo was de naam der Moeder, liet
al de zeelieden oproepen en al het andere jong volk van Oostflyland
en van de Dennemarken. Uit deze tocht is de geschiedenis van Wodin
ontstaan, die op de burgten gegrift is, en hier is uitgeschreven.

Aan de Aldergamude daar ruste een oude zeekoning, Sterik was zijn
naam, en de roep zijner daden was groot. Deze oude rob had drie neven;
Wodin de oudste woonde te Lumkamakia bij de Eemude in Oostflyland bij
zijne ouders. Eenmaal was hij heerman geweest. Teunis en Inka waren
zeestrijders, en juist nu bij hunne vaderen aan de Aldergamude. Toen
nu de jonge krijgers bij elkander kwamen, kozen zij Wodin tot hun
heerman of koning, en de zeekampers kozen Teunis tot hun zeekoning
en Inka tot hun schout bij nacht. De zeelieden gingen toen naar
de Dennemarken varen, daar namen zij Wodin met zijne krijgshaftige
landweer aan boord. De wind was ruim, en zoo waren zij in een ommezien
in Schoonland. Toen de noordsche broeders zich bij elkander gevoegd
hadden, deelde Wodin zijn geweldig leger in drie benden (wiggen). Frya
was hun wapenroep, en zoo sloeg hij de Finnen en Magiaren terug alsof
het kinderen waren. Toen de Magy vernam, hoe zijne manschappen overal
omgebragt werden, zond hij boden met staf en kroon. Zij zeiden tot
Wodin: o gij allergrootste der koningen, wij zijn schuldig, doch
al wat wij gedaan hebben, is uit nood gedaan. Gij meent dat wij
uwe broeders met moedwil aangetast hebben, maar wij zijn door onze
vijanden voortgedreven, en die alle zijn ons nog op de hielen. Wij
hebben dikwijls aan uwe burgtmaagd hulp gevraagd, maar zij heeft
zich om ons niet bekommerd. De Magy zegt: bijaldien wij elkander
voor de helft vermoorden, dan zullen de wilde schaapherders komen
en ons allen vermoorden. De Magy heeft vele rijkdommen, maar hij
heeft gezien, dat Frya veel machtiger is als alle onze geesten te
zamen. Hij wil zijn hoofd in haren schoot neerleggen. Gij zijt de
krijgshaftigste koning der aarde, uw volk is van ijzer. Word onze
koning, en wij allen willen uwe slaven wezen. Wat zoude dat eervol
voor u wezen, als gij de wilden weder terug kondt drijven, onze
basuinen zouden het rondblazen, en onze berichten zouden u overal
vooruit gaan. Wodin was sterk, woest en krijgshaftig, maar hij was
niet helder ziende, daardoor werd hij in hunne strikken gevangen en
door den Magy gekroond. Zeer velen van de zeelieden en de landweer,
dien deze keuze niet naar den zin was, vertrokken in stilte, Kat
medenemende. Maar Kat die niet voor de Moeder, noch voor de algemeene
vergadering, wilde verschijnen, sprong over boord. Toen kwam de
stormwind en dreef de schepen op de schorren van de Dennemarken,
zonder een enkel man te missen. Naderhand hebben zij die straat het
Kattegat geheeten. Toen Wodin gekroond was, ging hij op de wilden los;
zij waren allen ruiters; gelijk een hagelbui, vielen zij op Wodins
heer aan, maar als een dwarrelwind wendden zij om, en durfden niet
weder verschijnen. Toen Wodin nu terug kwam, gaf de Magy hem zijne
dochter tot vrouw. Daarop werd hij met kruiden berookt, doch er waren
tooverkruiden onder; want Wodin werd trapsgewijze zoo zeer vermetel,
dat hij Frya en Wraldas geest durfde miskennen en bespotten, terwijl
hij zijn vrije hals boog voor de valsche gedrochtelijke beelden. Zijn
rijk duurde zeven jaren, toen verdween hij. De Magy zeide dat hij onder
hunne goden was opgenomen, en dat hij van daar over hen heerschte,
maar ons volk lachte om zijne taal. Toen Wodin eene poos weg geweest
was, kwam er tweespalt; wij wilden een anderen koning kiezen, maar
dat wilde de Magy niet gedoogen. Hij beweerde dat het een recht was,
hem door zijne afgoden gegeven. Maar buiten en behalve deze twist,
was nog eene tusschen de Magiaren en Finnen, die Frya noch Wodin
wilden eeren, doch de Magy deed zoo als hem goed dacht, want zijne
dochter had bij Wodin een zoon gewonnen, en nu wilde de Magy dat deze
zoon van hooge afkomst wezen zoude. Terwijl allen keven en twisten,
kroonde hij den knaap tot koning en stelde zich zelven tot voogd of
raadgever aan. Zij die meer hielden van hun lijf, dan van het recht,
lieten hem tobben, maar de goeden trokken weg. Vele Magiaren vloden
met hunne manschappen terug, en de zeelieden gingen scheep en een
heer van stoutmoedige Finnen gingen als roeijers met hun.

Nu komen de geschiedenissen van neef Teunis en zijn neef Inka eerst
recht op het pad.





DIT ALLES STAAT NIET ALLEEN OP DE WARABURGT, MAAR OOK OP DE BURGT
STAVIA, DIE GELEGEN IS ACHTER DE HAVEN VAN STAVRE


Toen Teunis met zijne schepen naar huis wilde keeren, ging hij
het eerst op de Dennemarken af, maar hij mocht daar niet landen,
dat had de Moeder besteld. Ook te Flyland mocht hij niet landen en
voorts nergens. Hij zoude alzoo met zijne manschappen van kommer en
gebrek omgekomen zijn; daarom gingen zij des nachts aan land om te
rooven, en voeren bij dag verder. Aldus langs de kust voort varende
kwamen zij tot de volkplanting Kadik, zoo geheeten omdat zij door een
steenen kadijk gevormd was. Hier kochten zij allerhande leeftocht,
maar Tuntia de burgtmaagd wilde niet gedoogen, dat zij zich daar
nederzetteden. Toen zij gereed waren, kregen zij twist. Teunis wilde
door de straat van de Middellandsche zee, om te varen voor den rijken
koning van Egyptenland, gelijk hij wel eer gedaan had. Maar Inka zeide
dat hij zijn bekomst had van al dat Findas volk. Inka meende dat er
misschien wel een hooggelegen deel van Atland, bij wijze van eiland,
zoude overgebleven wezen, waar hij met zijne manschappen vredig
leven mocht. Als de beide neven het aldus niet eens konden worden,
ging Teunis heen en stak een roode banier in het strand, en Inka
eene blaauwe. Daarna mocht ieder kiezen, wien hij volgen wilde, en o
wonder, tot Inka die er een afkeer van had, om de koningen van Findas
volk te dienen, liepen de meeste Finnen en Magyaren over. Toen zij
nu het volk geteld en de schepen daarnaar verdeeld hadden, scheidden
de vloten van elkander; van neef Teunis is naderhand bericht gekomen,
van neef Inka nimmer.

Neef Teunis voer langs de kust door de straat der Middellandsche
zee. Toen het Atland verzonken is, was het aan de oevers der
Middellandsche zee ook erg toegegaan. Daardoor waren vele menschen van
het Findas volk naar onze heinde en verre Krekalanden gekomen en ook
velen van Lydas land. Daarentegen waren ook velen van ons volk naar
Lydas land gegaan. Dat alles had uitgewerkt, dat de heinde en verre
Krekalanden voor het oppergezag der Moeder verloren waren. Daar had
Teunis op gerekend, daarom wilde hij daar een goede haven kiezen en
van daaruit voor de rijke vorsten varen doch omdat zijne vloot en zijn
volk er zoo haveloos uitzagen, meenden de Kadhemers (kustbewoners),
dat zij roovers waren en daarom werden zij overal geweerd. Doch
ten laatste kwamen zij aan Phoenisius kust, dat was 193 jaren nadat
Atland gezonken is. Nabij de kust vonden zij een eiland met twee diepe
golven, zoodat het als drie eilanden uitzag. Op het middelste daarvan
stelden zij hunne schuilplaats op, naderhand bouwden zij daar eenen
burgtwal om toe. Toen zij nu daaraan een naam, wilden geven, werden
zij oneens, sommigen wilden het Fryasburgt heeten, andere Neettunia,
maar de Magyaren en Finnen verzochten, dat het Thyrhisburgt zoude
heeten. Thyr noemden zij een hunner afgoden, en op diens verjaardag
waren zij daar geland; tot eene vergelding wilden zij Teunis eeuwig
als hun koning erkennen. Teunis liet hem belezen, en de anderen
wilden daarover geen oorlog hebben. Toen zij nu goed zaten zonden
zij sommige oude zeelieden en Magyaren aan den wal en verder naar
de burgt Sydon, maar in het eerst wilden de Kadhemers niets van hen
weten. Gij zijt veraf wonende zwervers, zeiden zij, die wij niet achten
kunnen. Doch toen wij hun van onze ijzeren wapenen wilden verkoopen,
ging ten laatsten alles goed. Ook waren zij zeer begeerig naar onze
barnsteenen, en het vragen daarnaar nam geen einde. Maar Teunis, die
verziende was, deed alsof hij geen ijzeren wapenen noch barnsteenen
meer had. Toen kwamen de kooplieden en baden hem, hij zoude twintig
schepen geven die zij alle met de fijnste waren wilden bevrachten,
en zij wilden hem zoovele lieden tot roeijers geven als hij begeerde.

Twaalf schepen liet hij bevrachten met wijn, honig, toebereid leder,
daarbij kwamen toomen en zadels met goud overtrokken, gelijk men
ze nimmer gezien had. Met al dien schat viel Teunis het Flymeer
binnen. De grevetman van Westflyland werd door al deze dingen verrukt,
hij bewerkte dat Teunis bij de mond van het Flymeer een pakhuis bouwen
mocht. Naderhand is die plaats Almanaland genoemd en de markt, waarop
zij naderhand te Wyringen ruilhandel mochten drijven, Toelaatmarkt. De
Moeder raadde dat wij hun alles zouden verkoopen behalve ijzeren
wapenen, maar men sloeg geen acht op haar. Daar de Thyriers dus vrij
spel hadden, kwamen zij steeds weder om onze waren heinde en ver te
vervoeren, tot schade van onze eigene zeelieden. Daarna is besloten
op eene algemeene vergadering, jaarlijks zeven Tyrische schepen toe
te laten en niet meer.





WAT DAARVAN GEWORDEN IS.


In de noordelijkste hoek van de Middellandsche zee ligt een eiland
bij die kust. Nu kwamen zij dat te koop vragen. Daarover werd eene
algemeene vergadering belegd. Moeders raad werd ingewonnen, maar Moeder
zag hen liefst ver af. Daarom meende zij dat er geen kwaad in stak,
doch als wij achterna zagen, hoe wij verkeerd gedaan hadden, noemden
wij dat eiland Mis.sellia. [5] Hierachter zal blijken, hoe wij hiertoe
reden hadden. De Golen, zoo heetten de zendeling-priesters van Sydon,
hadden wel gezien dat het land daar schaars bevolkt was en ver van
de Moeder was. Om nu zich zelven een goeden schijn te geven, lieten
zij zich zelve in onze taal aan de trouw gewijden heeten, maar dat was
beter geweest, als zij zich zelve van de trouw gewenden genoemd hadden
of kort weg Triuwenden, gelijk onze zeelieden later gedaan hebben.

Toen zij wel gezeten waren, ruilden hunne kooplieden schoone koperen
wapenen en allerlei sieraden tegen onze ijzeren wapenen en huiden
van wilde dieren, die in onze zuidelijke landen in menigte te bekomen
waren, maar de Golen vierden allerhande vuile gedrochtelijke feesten,
en dan dienden de Kadheimers die door toedoen van hunne wulpsche
meisjes en de zoetheid van hunne vergiftige wijn. Was er iemand van
ons volk die het zoo erg verbruid had, dat zijn leven in gevaar kwam,
dan verleenden de Golen hem heul en schuilplaats, en voerden hem
naar Phonisia, dat is Palmland. Was hij daar gezeten, dan moest hij
aan zijne bloedverwanten, vrienden en aanverwanten schrijven, dat het
land zoo goed was en de menschen zoo gelukkig, als niemand zich konde
verbeelden. In Brittania waren zeer vele mannen, doch weinig vrouwen,
toen de Golen dat wisten, lieten zij allerwege meisjes schaken, en
deze gaven zij aan de Britten om niet. Doch al deze meisjes waren
hunne dienaren die kinderen van Wralda stalen om ze aan hunne valsche
afgoden te geven.





NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN OVER DEN OORLOG DER BURGTMAAGDEN KALTA EN
MIN-ERVA.


En hoe wij daardoor alle onze zuidelijke landen en Brittannie aan de
Golen verloren hebben.

Bij de Zuider Rijnmond en de Schelde daar zijn zeven eilanden, genoemd
naar Fryas zeven waakmeisjes der week. Midden op het eene eiland is
de burgt Walhallagara, en van de wanden dier burgt is de volgende
geschiedenis afgeschreven. Daarboven staat: lees, leer en waak.

563 jaar nadat Atland verzonken is zat hier eene wijze burgtpriesteres,
Min-erva was haar naam, door de zeelieden bijgenaamd Nyhellenia. Deze
bijnaam was goed gekozen, want de raad, die zij verleende was nieuw
en helder boven alle andere.

Over de Schelde op de Flyburgt, zat Sijrhed; deze burgtmaagd was vol
ranken, schoon was haar gelaat, en rap hare tong; maar de raad die zij
gaf, was altijd in duistere woorden. Daarom werd zij door de zeelieden
Kalta genoemd. De landsaten meenden dat het een eernaam was. In de
uiterste wil der verstorvene Moeder stond Rosamunde het eerst, Minerva
het tweede en Syrhed het derde als opvolgster beschreven. Minerva
had daar geen weet van, maar Syrhed was er door geknakt. Even als
eene buitenlandsche vorstin wilde zij geerd, gevreesd en gebeden
wezen; maar Minerva wilde alleen bemind wezen. Ten laatste kwamen
alle zeelieden aan haar hunne hulde bieden, zelfs van de Dennemarken
en van het Flymeer. Dat kwetste Syrhed, want zij wilde boven Minerva
uitmunten. Opdat men een grooten dunk van hare waakzaamheid zoude
hebben, maakte zij een haan op hare banier. Toen ging Minerva heen
en maakte een herdershond en een nachtuil op hare banier. De hond,
zeide zij, waakt voor zijn heer en over de kudde, en de nachtuil waakt
over de velden, opdat zij door de muizen niet verwoest worden; maar
de haan heeft voor niemand vriendschap, en door zijn ontucht en zijne
hoovaardigheid is hij vaak de moordenaar zijner naaste bloedverwanten
geworden. Als Kalta zag dat haar werk verkeerd uitkwam, ging zij van
kwaad tot erger; in stilte liet zij de Magyaren bij zich komen om
toverij te leeren. Als zij daar haar bekomst van had, wierp zij zich
in de armen der Golen, doch van al die misdaden kon zij zich niet
beteren. Toen zij zag, dat de zeelieden meer en meer van haar weken,
wilde zij hen door vrees winnen. Was de maan vol en de zee onstuimig,
dan liep zij over de wilde vloed, de zeelieden toeroepende, dat zij
alle zouden vergaan, indien zij haar niet wilden aanbidden. Voorts
verblindde zij hunne oogen, waardoor zij water voor land en land voor
water hielden, daardoor is menig schip vergaan met man en muis. Op
het eerste krijgsfeest, toen alle hare landgenooten gewapend waren,
liet zij hun tonne bier schenken. In dat bier had zij een tooverdrank
gedaan. Toen het volk nu allen te zamen dronken waren, ging zij boven
op haar strijdros staan met het hoofd tegen hare speer geleund. Het
morgenrood kon niet schooner wezen. Toen zij zag, dat aller oogen
op haar gevestigd waren, opende zij hare lippen en sprak: Zoonen en
dochteren van Frya, gij weet wel, dat wij in den laatste tijd veel
schade en gebrek geleden hebben, doordien de zeelieden niet langer
komen om ons schrijfvilt te koopen, maar gij weet niet, waardoor dat
gekomen is. Lang heb ik mij daarover ingehouden (gezwegen), doch nu
kan ik het niet langer. Hoort dan vrienden, opdat gij weten moogt,
waarnaar gij bijten moet. Aan de overzijde der Schelde, waar zij van
tijd tot tijd de vaart van alle zeen hebben, daar maken zij heden
ten dage schrijfvilt van pompebladen, daarmede sparen zij vlas uit,
en kunnen zij ons ontbeeren. Nadien het maken van schrijfvilt altijd
ons voornaamste bedrijf geweest is, zoo heeft de Moeder gewild, dat
men het van ons zoude leeren. Maar Minerva heeft al het volk behekst,
ja behekst, vrienden, even als al ons vee, dat laatst gestorven
is. Er uit moet het, ik wil het u vertellen, was ik niet burgtmaagd,
ik zoude het wel weten. Ik zou die heks in haar nest verbranden. Toen
zij het laatste woord geuit had, spoedde zij zich naar hare burgt; maar
het beschonken volk was zoo opgewonden, dat het over zijne rede niet
vermocht te waken. In doldriesten ijver gingen zij over de Sandfal,
en nadien de nacht middelerwijl neder streek, gingen zij even kloek
op de burcht los. Doch Kalta miste al weder haar doel, want Minerva
en hare maagden en de lamp werden alle door de rappe zeelieden gered.





HIERBIJ KOMT DE GESCHIEDENIS VAN JON.


Jon, Jn, Jhon en Jan is gelijk met gegeven, doch dat ligt aan de
uitspraak der zeelieden, die uit gewoonte alles bekorten, om het
verre te mogen spreken en luide te roepen. Jon, dat is gegeven, was
zeekoning, geboren te Alderga, het Flymeer uitgevaren met 127 schepen
uitgerust voor eene groote reis en rijk geladen met barnsteen, tin,
koper, ijzer, laken, linnen, vilt, vrouwenvilt van otters, bevers en
konijnenhaar. Nu zoude hij van hier nog schrijfvilt medenemen; doch
toen Jon hier kwam en zag, hoe Kalta onze roemrijke burgt verwoest had,
toen werd hij zoo uitermate boos, dat hij met alle zijne manschappen op
Flyburch losging en daar tot vergelding den rooden haan instak. Maar
door zijn schout bij nacht en sommige zijner manschappen werden
de lamp en de maagden gered; doch Syrhed of Kalta mochten zij niet
vatten. Zij klom op de uiterste tinne; iedereen meende dat zij in
de vlammen moest omkomen; doch wat gebeurde? Terwijl al hare lieden
stokstijf van schrik stonden, kwam zij schooner als te voren op haren
klepper, hun toeroepende: naar Kalta . Toen stroomde het
andere Schelda volk te hoop. Als de zeelieden dat zagen, riepen zij:
wij voor Minerva. Daaruit is een oorlog ontstaan, waardoor duizende
gesneuveld zijn.

Te dier tijde was Rosamund, dat is Rosamuda Moeder; zij had veel
in der minne gedaan om vrede te bewaren, doch nu het zoo erg kwam,
maakte zij korte maat. Terstond zond zij boden door de landpalen en
liet een algemeene noodban uitroepen; toen kwamen de landsverdedigers
uit alle oorden weg. Het strijdende landvolk werd al gevat; maar Jon
bergde zich met zijne manschappen op zijne vloot, medenemende de beide
lampen, benevens Minerva en de maagden van de beide burgten. Helprijk,
de heerman, liet hem indagen, maar terwijl alle soldaten nog aan
de overzijde van de Schelde waren, voer Jon terug naar het Flymeer
en terstond daarna naar onze eilanden. Zijne krijgslieden en vele
van ons volk namen vrouw en kinderen aan boord, en als Jon nu zag,
dat men hem en zijne lieden als misdadigers wilde straffen, vertrok
hij heimelijk. Hij deed terecht, want al onze eilanders en al het
andere Schelde volk, die gevochten hadden, werden naar Brittanje
gebracht. Deze stap was verkeerd, want nu kwam het begin van het einde.

Kalta, die, als men zegt, even gemakkelijk op het water als op
het land kon loopen, ging naar de vaste wal en voorts op Missellia
af. Toen kwamen de Golen met hunne schepen uit de Middellandsche zee
naar Kadix varen en geheel ons buitenland langs en vielen op en over
Brittannia, doch daar konden zij geen vasten voet krijgen, omdat de
bestuurders machtig en de bannelingen nog Friesch waren. Maar nu kwam
Kalta en sprak: gij zijt vrij geboren en om kleine gebreken heeft men
u tot verworpenen gemaakt, niet om u te verbeteren, maar om tin te
winnen door uwe handen. Wilt gij weer vrij wezen en onder mijn raad
en hoede leven, trekt dan uit, wapenen zullen u gegeven worden en ik
zal over u waken. Als bliksemvuur ging het over de landen, en eer
des Kroders juul eens omgeloopen was, was zij meesteres over allen
te zamen en de Thyriers van al onze zuiderstaten tot de Seine. Om dat
Kalta haar zelve niet betrouwde, liet zij in het noordelijke bergland
een burgt bouwen. Kaltasburch werd zij geheeten, zij is nog in wezen
maar nu heet zij Kerenak. Van deze burgt uit heerschte zij als eene
echte moeder, doch niet ter wille van, maar over hare volgelingen,
die zich voortaan Kelten noemden. Maar de Golen heerschten allengs
over geheel Brittannia, dat kwam eensdeels, omdat zij geen burgten
meer hadden, anderdeels omdat zij daar geene burgtmaagden hadden en
in de derde plaats omdat zij geene echte lamp hadden. Door al deze
oorzaken konde haar volk niet leeren, dat werd dom en dwaas en werd
eindelijk door de Golen van al zijne wapenen beroofd en ten laatste
als een stier bij de neus omgeleid.





NU WILLEN WIJ SCHRIJVEN HOE HET JON VERGAAN IS. HET STAAT TE TEXLAND
GESCHREVEN.


Tien jaren nadat Jon vertrokken was, kwamen hier drie schepen in het
Flymeer binnenvallen, het volk riep hoezee, (wat een zegen); en van
hunne verhalen heeft de Moeder dit laten opschrijven.

Toen Jon in de Middellandsche zee kwam, was de mare van de Golen hun
overal vooruitgegaan, zoodat zij aan de kusten van het naastbijzijnde
Krekaland (Italie) nergens veilig waren. Hij stak dus met zijne vloot
naar Lydia over, dat is Lydas land (Lybie). Daar wilden de zwarte
menschen hen vatten en opeten. Ten laatsten kwamen zij te Thyrus,
maar Minerva zeide, houd af, want hier is de lucht al lang verpest
door de priesters. De koning was een afstammeling van Teunis, gelijk
wij later hoorden. Maar omdat de priesters een koning wilden hebben,
die daar naar hun begrip van overlang was (?) hadden zij Teunis tot
een God verheven, tot ergernis van zijne volgers. Toen zij nu Thyrus
achter den rug hadden, kwamen de Thyriers een schip uit de achterhoede
rooven. Dewijl dat schip te ver achteruit was, konden wij het niet
terug winnen. Maar Jon zwoer wraak daarover. Toen de nacht kwam, wende
Jon zich naar de verre Krekalanden. Ten laatste kwamen zij bij een
land, dat er zeer schraal uitzag, maar zij vonden daar eene havenmond.

Hier, zeide Minerva, zal misschien geene vrees voor vorsten of
priesters noodig wezen, naardien deze allegaar vette kleilanden
beminnen. Doch toen zij in de haven liepen, vond men die hier niet
ruim genoeg om alle schepen te bevatten, en toch waren meest alle te
laf om verder te gaan. Dus ging Jon, die weg wilde, met zijne speer en
vaan, het jongvolk toeroepende, wie of vrijwillig zich bij hem wilde
scharen. Minerva, die daar blijven wilde, deed ook zoo. Het grootste
deel voegde zich bij Minerva; maar de jongste zeelieden gingen bij
Jon. Jon nam de lamp van Kalta en hare maagden mede; Minerva behield
hare eigene lamp en hare eigene maagden.

Tusschen de verre en naderbij gelegene Krekalanden vond Jon eenige
eilanden, die hem goed voorkwamen. Op het grootste ging hij in het
woud tusschen het gebergte eene burgt bouwen. Van de kleine eilanden
uit ging hij uit wraak de Thyrische schepen en landen plunderen,
daarom zijn die eilanden even goed de Rooverseilanden, als de Jonische
eilanden genoemd.

Toen Minerva dat land bezien had, dat door de inwoners Attika genoemd
is, zag zij dat het volk alle geitenhoeders waren, zij onderhielden
hun ligchaam met vleesch, wilde wortelen, kruiden en honing. Zij waren
met vellen bekleed en hadden hunne verblijfplaatsen op de hellingen
der bergen. Daardoor zijn zij door ons volk Hellingers geheeten.

In het eerst gingen zij op de loop, doch als zij zagen dat wij niet
taalden naar hunne bezittingen, kwamen zij terug, en lieten groote
vriendschap blijken. Minerva vroeg of wij ons in der minne mochten
nederzetten. Dit werd toegestaan onder voorwaarde, dat wij hen zouden
helpen tegen hunne naburen te strijden, die gedurig kwamen om hunne
kinderen te schaken en hunne bezittingen te rooven. Toen bouwden wij
eene burgt anderhalve paal (uurgaans) van de haven. Op raad van Minerva
werd zij Athene geheeten; want, zeide zij, de nakomelingen behooren
te weten, dat wij hier niet door list of geweld zijn gekomen, maar
als vrienden ontvangen. Terwijl wij aan die burgt arbeidden, kwamen
de voornaamsten; als zij nu zagen, dat wij geene slaven hadden,
behaagde hun zulks niet, en zij lieten dat aan Minerva blijken,
omdat zij dachten, dat deze eene vorstin was. Maar Minerva vraagde:
hoe zijt gij wel aan uwe slaven gekomen? Zij antwoorden: sommige
hebben wij gekocht, andere in den strijd gewonnen. Minerva zeide:
bijaldien niemand menschen koopen wilde, zoude niemand uwe kinderen
rooven, en gij zoudt daar over geen oorlog hebben: wilt gij dus onze
bondgenooten blijven, zoo moet gij uwe slaven vrijlaten.

Dat nu willen de voornaamsten niet; zij willen ons wegdrijven. Maar
de kloekste hunner lieden komen om te helpen onze burgt te bouwen,
die wij nu van steen maken.

Dit is de geschiedenis van Jon en van Minerva.

Als zij nu dit alles verhaald hadden, vroegen zij eerbiedig om ijzeren
burgtwapenen; want zeiden zij, onze beledigers zijn machtig; doch zoo
wij echte wapenen hebben, zullen wij hun wel wederstaan. Als zij daarin
toegestemd hadden, vroegen die lieden of Fryas zeden te Athene en in
de andere Krekalanden bloeijen zouden. De Moeder antwoorde: Indien de
verre Krekalanden tot het erfdeel van Frya behooren, zoo zullen zij
daar bloeijen, maar behooren zij niet daartoe, dan zal er lang over
gestreden moeten worden; want de Kroder zal nog vijfduizend jaren
met zijn Jol omloopen voor dat Findas volk rijp voor de vrijheid is.





DIT IS OVER DE GEERTMANNEN.


Toen Hellenia of Minerva gestorven was, hielden de priesters zich
als of zij met ons waren, en opdat zulks duidelijk blijken zoude,
hebben zij Hellenia tot eene Godin uitgeroepen. Ook wilden zij
geene andere Moeder laten kiezen, zeggende, dat zij vrees hadden,
dat er onder hare maagden geene zouden wezen, die zij zoo zouden
kunnen vertrouwen als Minerva, die Nyhellenia bijgenaamd was. Maar
wij wilden Minerva niet als eene Godin erkennen, naardien zij zelve
ons gezegd had, dat niemand goed of volkomen kon wezen, als Wraldas
geest. Daarom kozen wij Geert Pyres dochter tot onze Moeder.

Als de priesters zagen, dat zij hunne haring op ons vuur niet mochten
braden, gingen zij buiten Athene en zeiden, dat wij Minerva niet als
eene Godin wilden bekennen uit nijd, omdat zij de inlanders zooveel
liefde had bewezen. Daarop gaven zij het volk beeldtenissen van hare
gelijkenis, betuigende dat zij daaraan alles mochten vragen, zoo lang
zij gehoorzaam bleven. Door al deze verhalen werd het domme volk van
ons afkeerig gemaakt, en ten laatsten vielen zij ons te lijf. Maar
wij hadden onze steenen burgtwal met twee hoornen omgebogen tot
aan de zee. Zij konden ons daarom niet genaken. Doch wat gebeurde,
een Egyptenaar die een overpriester was, helder van oogen, klaar
van brein, en verlicht van geest, zijn naam was Cecrops, hij kwam om
raad te geven. Als Cecrops nu zag, dat hij met zijne lieden onze wal
niet bestormen kon, toen zond hij boden naar Thyrus. Daarop kwamen
driehonderd schepen vol soldaten van de wilde bergvolken onverwacht
in onze haven varen, terwijl wij met al onze mannen op den wal
strijdende waren.

Zoodra zij de haven hadden ingenomen, wilden de woeste soldaten het
dorp en onze schepen plunderen. Een soldaat had reeds een meisje
geschonden, maar Cecrops wilde dat niet gedogen, en de Thyrische
zeelieden, die nog Friesch bloed in het lijf hadden, zeiden: als gij
dat doet, zullen wij den rooden haan in onze schepen steken en gij
zult uwe bergen nooit wederzien. Cecrops die niet hield van moorden
noch van verwoesten, zond boden naar Geert om haar de burgt af te
eischen, zij mocht vrijen uittocht hebben met al haar drijvende en
dragende have, en hare volgelingen desgelijks. De verstandigste der
burgtheeren heel goed ziende, dat zij de burgt niet konden houden,
raadden Geert aan, dat zij gaauw moest toebijten, voor dat Cecrops
woedend werd en anders begon en drie maanden daarna, vertrok Geert
met met de beste Fryaszonen en zeven maal twaalf schepen. Toen zij
een poos buiten de haven waren, kwamen er wel dertig schepen van
Thyrus met vrouw en kinderen. Zij wilden naar Athene gaan, doch
als zij hoorden hoe het te Athene geschapen stond, gingen zij met
Geert. De zeekoning der Thyriers bracht allen te zamen door de straat,
die in deze tijden op de Roode zee uitliep. Ten laatste landen zij
aan Pangab, dat is in onze spraak vijf wateren, omdat vijf rivieren
met elkander naar de zee toestroomen. Hier zetten zij zich neder. Dat
land hebben zij Geertmania genoemd. De koning van Thyrus later ziende,
dat zijne allerbeste zeelieden vertrokken waren, zond al zijne schepen
met zijne wilde soldaten om hen dood of levend te vatten. Maar als
zij bij de straat kwamen, beefden beide aarde en zee. Daarop hief
aarde haar lijf daar zoo omhoog, dat al het water de straat uitliep,
en dat alle wadden en schorren als een burgtwal voor hen oprezen.

Dit geschiedde wegens de deugden der Geertmannen, gelijk iedereen
klaar en duidelijk zien kan.





IN HET JAAR 1005 NADAT ATLAND GEZONKEN IS, IS DIT OP DE OOSTERWAND
VAN FRIJASBURGT GESCHREVEN.


Nadat wij in twaalf jaren tijd geen Krekalander te Almanland gezien
hadden, kwamen hier drie schepen zoo sierlijk als wij er geen hadden,
en te voren nimmer hadden gezien. Op het grootste van deze was een
koning der Jonische eilanden; zijn naam was Ulysus en de roep zijner
wijsheid groot. Aan dezen koning was door eene priesteres voorzegd
dat hij koning zoude worden over alle Krekalanden, zoo hij raad wist
om eene lamp te krijgen, die opgestoken was aan de lamp te Texland. Om
die te verkrijgen had hij vele schatten medegebracht, bovenal vrouwen
sieraden, gelijk er in de wereld niet schooner gemaakt werden. Zij
waren afkomstig van Troje, eene stad, die de Krekalanders hadden
ingenomen. Al deze schatten bood hij de Moeder aan; maar de Moeder
wilde nergens van weten. Als hij ten laatsten zag, dat zij niet te
winnen was, ging hij naar Walhallagara. Daar was eene burgtmaagd
gezeten, wier naam was Kaat; doch in de wandeling werd zij Kalip
genoemd, omdat haar onderlip als een mastkorf vooruitstak. Bij deze
heeft hij jaren vertoefd tot ergernis van allen die het wisten. Naar
het zeggen der maagden heeft hij van haar ten laatste eene lamp
gekregen; doch zij heeft hem niet gebaat, want toen hij in zee kwam,
is zijn schip vergaan, en hij naakt en bloot opgenomen door de
andere schepen.

Van dezen koning is hier een schrijver achtergebleven van zuiver
Fryasbloed, geboren in de nieuwe haven van Athene, en hetgene hier
volgt heeft hij voor ons over Athene geschreven, waaruit men mag
besluiten, hoe waar de Moeder Hellicht gesproken heeft toen zij zeide
dat de zeden van Frya te Athene geen stand konden houden. Van de
andere Krekalanders hebt gij zeker veel kwaad over Cecrops gehoord,
want hij was in geen goede roep. Maar ik durf zeggen, hij was een
verlicht man, hoogelijk geroemd, zoowel bij de inwoners als bij ons,
want hij was er niet voor om de menschen te onderdrukken, gelijk de
andere priesteren, maar hij was deugdzaam en wist de wijsheid der ver
afwonende volken naar waarde te schatten. Daarom, omdat hij dat wist
heeft hij ons toegestaan, dat wij mochten leven naar ons eigenlijk
Asegaboek. Er liep een verhaal, dat hij ons genegen was, omdat hij
geboren zoude wezen uit een Friesch meisje en een Egyptisch priester,
uithoofde dat bij blauwe oogen had, en dat er vele meisjes bij ons
geschaakt waren en verkocht naar Egypte. Doch zelf heeft hij dit
nimmer bevestigd. Hoe het daarmede is, zeker is het dat hij ons meer
vriendschap bewees, als alle andere priesteren te zamen. Maar toen
hij gestorven was, gingen zijne opvolgers al spoedig aan onze wetten
tornen, en allengs zoo vele ongeschikte keuren maken, dat er ten langen
laatste van gelijkheid en van vrijheid niet anders, als de schijn en
de naam overbleef. Verder wilden zij niet gedoogen dat de inzettingen
in schrift werden gebracht, waardoor de wetenschap daarvan voor ons
verborgen werd. Te voren werden alle zaken binnen Athene in onze taal
bepleit, naderhand moest het in beide talen geschieden, en ten laatste
alleen in de landstaal. In de eerste jaren nam het manvolk te Athene
enkel vrouwen van ons eigen geslacht, maar het jongvolk opgewassen
met de meisjes der landzaten namen daar ook van. De basterd kinderen
die daarvan kwamen, waren de schoonste en schranderste van de wereld,
maar zij waren ook de slechtste. Hinkende over beide zijden, zich
bekreunende noch om wet, noch om gewoonte, tenzij dat het was voor hun
eigen belang. Alzoo lang er nog een straal van Fryas geest opwelde,
werd al de bouwstof tot gemeene werken verarbeid, en niemand mocht een
huis bouwen, dat ruimer en rijker was als dat van zijn buurman. Doch
toen sommige verbasterde stedelingen rijk waren door onze zeevaart
en door het zilver, dat de slaven uit de zilverlanden wonnen, gingen
zij buiten op de hellingen (der bergen) of in de dalen wonen. Aldaar
achter hooge wallen van loof of van steen, bouwden zij hoven (paleizen)
met kostbaar huisraad, en om bij de vuile priesteren in een goeden
dunk te wezen, plaatsten zij daar op valsche goden gelijkende en
ontuchtige beelden in. Bij de vuile priesteren en vorsten werden soms
de knapen meer begeerd, als de dochteren, en vaak door rijke giften
of door geweld van het pad der deugd afgeleid. Naardien rijkdom bij
het verwende en verbasterde geslacht ver boven deugd en eere gold, zag
men altemet knapen, die zich met wijde prachtige kleederen versierden,
hunne ouders en de maagden tot schande en hunne sekse ten spot. Kwamen
onze eenvoudige ouders te Athene op de algemeene volksvergadering,
en wilden daar zich beklagen, dan werd er geroepen: hoor, hoor, daar
zal een zeegedrocht spreken. Zoo is Athene geworden, gelijk een moeras
in de heete landen vol bloedzuigers, padden en vergiftige slangen,
waarin geen mensch van strenge zeden zijn voet kan wagen.





DIT STAAT OP AL ONZE BURGEN.


Hoe onze Denemarken voor ons verloren gingen, 1602 jaren nadat Atland
was verzonken. Door Wodins dwaze dartelheid, was de Magy meester
geworden over het oosterdeel van Schoonland. Over de bergen en over
de zee durfden zij niet komen. De Moeder wilde het niet weren, zij
sprak zeggende: Ik zie geen gevaar in zijne wapenen, maar wel om de
Schoonlanden weer te nemen, omdat zij verbasterd en verdorven zijn. Op
de algemeene vergadering dacht men gelijkerwijze. Daarom is het aan
hem gelaten. Groot honderd jaren geleden begonnen de Denemarkers met
hun handel te drijven. Zij gaven hun ijzeren wapenen, daarvoor ruilden
zij gouden sieraden benevens koper- en ijzererts. De Moeder zond boden
en raadde hun, zij zouden den ruilhandel laten varen. Daar was gevaar,
zeide zij, voor hunne zeden, en indien zij hunne zeden verloren, dan
zouden zij ook hunne vrijheid verliezen. Maar de Denemarkers hadden
nergens ooren naar; zij wilden niet begrijpen, dat hunne zeden verloren
konden gaan; daarom stoorden zij zich niet aan haar. Ten langen leste
brachten zij hunne eigene wapenen en leeftocht zoek. Maar dit kwaad
veroorzaakte hunne straf. Hunne ligchamen werden overladen met glans
en schijn, maar hunne kisten, kasten en schuren werden ledig. Juist
honderd jaar nadat het eerste schip met leeftocht van de kust in zee
gestoken was, kwam armoede en gebrek door de vensters binnen, honger
spreidde zijne wieken uit en streek op het land neder, tweespalt liep
trotsch over de straat, en voorts de huizen in, liefde kon geen steun
langer vinden, en eendracht liep weg. Het kind vroeg eten van zijne
moeder, en die had geene spijs, maar wel sieraden. De vrouwen kwamen
tot hunne mannen, deze gingen tot de graven, de graven hadden zelve
niets, of hielden het verborgen. Nu moest men de sieraden verkoopen,
maar terwijl de zeelieden daarmede vertrokken waren, kwam de vorst en
legde een plank neder op de zee en op de straat (de Sond). Toen de
vorst de brug gereed had, stapte de waakzaamheid daarover het land
uit, en het verraad klom op zijn zetel. In plaats van de oevers te
bewaken, spanden hij hunne paarden voor hunne sleden, en reden naar
Schoonland. Doch de Schoonlanders, die begeerig waren naar het land
hunner voorvaderen, kwamen naar de Denemarken. Op een heldere nacht
kwamen zij alle. Nu zeiden zij, dat zij recht hadden op het land hunner
voorvaderen, en terwijl men daarover streed, kwamen de Finnen in de
verlatene dorpen en liepen met de kinderen weg. Daardoor en dat zij
geene goede wapenen hadden, deed hun de strijd verliezen en daarmede
de vrijheid, want de Magy werd meester. Dat kwam daar van daan, dat
zij Fryas tex niet lazen en hare raadgevingen verwaarloosd hadden. Er
zijn sommigen, die meenen, dat zij door de graven verraden zijn, en dat
de maagden dat al lang bespeurd hadden. Doch zoodra iemand daarover
spreken wilde, werd hem de mond gesnoerd met gouden ketens. Wij
kunnen daarover niet oordeel vellen, maar wij willen u toeroepen:
Verlaat u niet te zeer op de wijsheid en deugd noch van uwe vorsten
noch van uwe maagden; want zal het stand houden, dan moet iedereen
waken over zijn eigene hartstochten en voor het algemeene welzijn.

Twee jaren daarna kwam de Magy zelf met eene vloot van lichte booten
om aan de Moeder van Texland de lamp te ontrooven. Deze booze daad
bestond hij bij nacht in den winter bij stormweder, terwijl de wind
gierde en de hagel tegen de vensters kletterde. De torenwachter,
die meende, dat hij wat hoorde, ontstak zijne toorts. Zoodra als het
licht van den toren op het ronddeel neder viel, zag hij dat reeds vele
gewapende mannen over de burgtwal waren. Nu ging hij om de klok te
luiden, doch het was te laat. Eer de wacht gereed was, waren reeds twee
duizend in de weer om de poort te rammeijen. De strijd duurde daarom
kort, want omdat de krijgslieden geene goede wacht gehouden hadden,
kwamen allen om. Terwijl iedereen druk aan het vechten was, was er een
leelijke Fin in de (fleete) of het slaapvertrek van de Moeder binnen
geslopen, en wilde haar geweld aandoen. De Moeder weerde hem af, dat
hij ruggelings tegen de wand tuimelde. Toen hij weder op de been was,
stak hij haar zijn zwaard in de buik, zeggende: wilt gij mijne roede
niet, zoo zult gij mijn zwaard hebben. Achter hem kwam een zeeman van
de Denemarken, deze nam zijn zwaard en kloofde den Fin den kop. Daaruit
stroomde zwart bloed en daarboven zweefde eene blaauwe vlam.

De Magy liet de Moeder op zijn schip verplegen. Toen zij nu zoo
verre hersteld en beter was, dat zij helder spreken konde, zeide
de Magy, dat zij met hem mede varen moest, doch dat zij hare lamp
en hare maagden zoude behouden, dat zij een staat zoude voeren,
zoo hoog als zij nooit te voren gekend had. Voorts zeide hij, dat
hij haar vragen zoude in tegenwoordigheid van zijne voornaamsten,
of hij meester zoude worden over alle landen en volken van Frya. Hij
zeide, dat zij dit bevestigen en verzekeren moest, anders zoude hij
haar onder vele smarten laten sterven. Toen hij daarna alle zijne
voornaamsten om haar leger vergaderd had, vroeg hij luide: Frana,
vermits ge helderziende zijt, moet gij mij eens zeggen of ik meester
zal worden over alle landen en volken van Frya. Frana deed, als sloeg
zij geen acht op hem. Ten langen laatste opende zij hare lippen, en
sprak: Mijne oogen worden verduisterd, doch het andere licht daagt
op in mijne ziel. Ja, ik zie het. Hoor Irtha, en wees blijde met
mij. In de tijden, dat Atland verzonken is, stond de eerste spaak
van het Juul in top. Daarna is zij nedergegaan en onze vrijheid met
haar. Als het twee spaken of twee duizend jaren nedergewenteld heeft,
zullen de zonen opstaan, die de vorsten en priesteren in ontucht bij
het volk geteeld hebben, en die tegen hunne vaderen getuigen. Die
allen zullen door moord bezwijken; maar wat zij verkondigd hebben,
zal voortdurend blijven en vruchtbaar worden in den boezem der kloeke
menschen, gelijk goede zaden die neergelegd worden in uwen schoot. Nog
duizend jaren zal de spaak naar beneden dalen en al meer neder zijgen
in de duisternis en in het bloed over u uitgestort door de lagen der
vorsten en priesteren. Daarna zal het morgenrood weder aanvangen te
gloren. Dit ziende zullen de valsche vorsten en priesters allen te
zamen tegen de vrijheid kampen en worstelen; maar vrijheid, liefde en
eendracht zullen het volk in hare hoede nemen, en met het juul uit
de vuile poel rijzen. Het licht, dat eerst alleen gloorde, zal dan
van lieverlede tot eene vlam worden. Het bloed der boozen zal over uw
ligchaam stroomen, maar gij moogt het niet tot u nemen. Ten laatste
zal het vergiftige gedierte daarop azen en daarvan sterven. Alle vuile
geschiedenissen, die verzonnen zijn om de vorsten en priesteren te
roemen, zullen aan de vlam geofferd worden. Voortaan zullen alle
uwe kinderen in vrede leven. Toen zij uitgesproken had, zeeg zij
neder. Maar de Magy, die haar niet wel verstaan had, schreeuwde: ik
heb u gevraagd of ik meester zoude worden over alle landen en volken
van Frya, en nu hebt gij tot een ander gesproken. Frana richtte zich
weder op, zag hem strak aan en sprak: eer zeven etmalen om zijn,
zal uwe ziel met de nachtvogels bij de graven rond waren, en uw lijk
zal liggen op den bodem van de zee. Heel goed, zeide de Magy met
verkropte woede, zeg maar dat ik kom. Vervolgens zeide hij tot zijn
gerigtsdienaars: werpt dat wijf over scheepsboord. Zoo was het einde
van de laatste der Moeders. Wraak willen wij daarover niet roepen,
die zal de tijd nemen. Maar duizendwerf duizendmaal willen wij Frya
na roepen: waak! waak! waak!





HOE HET DEN MAGY VERDER GEGAAN IS.


Nadat de Moeder vermoord was, liet hij de lamp en de maagden naar zijn
schip brengen, benevens allen inboedel, die hem behaagde. Vervolgens
ging hij het Flymeer op, want hij wilde de maagd van Medeasblik of
van Stavoren rooven, en die tot Moeder aanstellen. Doch daar waren
zij op hunne hoede gebracht. De zeelieden van Staveren en Alderga
hadden zich gaarne tot Jon begeven, maar de groote vloot was op eene
verre tocht uit. Nu gingen zij heen en voeren met hunne kleine vloot
naar Medeasblik en hielden zich schuil achter de luwte der boomen. De
Magy naderde Medeasblik, bij helderen dag en schijnende zon. Evenwel
gingen zijne manschappen stoutweg op de burgt aanstormen. Maar als
al het volk met de booten geland was, kwamen onze zeelieden uit de
kreek weg en schoten hunne pijlen met brandende terpentijnballen op
zijne vloot. Zij waren zoo goed gericht, dat vele van zijne schepen
terstond in brand waren. Die op de schepen de wacht hielden, schoten
ook naar ons, doch zij raakten niets. Toen ten laatste een schip al
brandende naar het schip van den Magy dreef, beval hij zijn stuurman
af te houden; maar die stuurman was de Denemarker, die den Fin geveld
had; deze zeide: gij hebt onze Eeremoeder naar den bodem van de
zee gezonden om te melden, dat gij komen zoudt, dat zoudt gij door
de drukte wel vergeten; nu wil ik zorgen, dat gij uw woord gestand
doet. De Magy wilde hem afweren, maar de stuurman een echte Fries en
sterk als een jukos, klemde beide handen om zijn hoofd en tilde hem
over boord in de golvende zee. Vervolgens heesch hij zijn bruin schild
in top en voer recht toe recht aan naar onze vloot. Daardoor kwamen
de maagden ongedeerd bij ons, maar de lamp was uitgegaan, en niemand
wist, hoe het gekomen was. Toen zij op de onvernielde schepen hoorden,
dat de Magy verdronken was, trokken zij weg, want de zeelieden daarvan
waren meest Denemarkers. Nadat de vloot ver genoeg was, wendden onze
zeelieden en schoten hunne brandpijlen op de Finnen af. Toen de Finnen
dat zagen en hoe zij verraden waren, liep alles door elkander en er
was langer geen gehoorzaamheid noch bevel. Op dat tijdstip liep de
bezetting hen uit de burgt. Die niet vluchtte werd afgemaakt en die
vluchtte vond zijn einde in de poelen van het Krylinger woud.





NASCHRIFT.


Toen de zeelieden in de Kreek lagen, was er een spotter uit Staveren
onder hun, die zeide Medea mag wel lachen, als wij haar uit hare burgt
redden. Daarom hebben de maagden die Kreek Medea milakkia genoemd. De
gebeurtenissen, die daarna geschied zijn, mogen iedereen heugen. De
maagden behooren die op hare wijze te verhalen en goed te laten
beschrijven. Daarom rekenen wij hiermede onzen arbeid volbracht. Heil.


                          Einde van het Boek.





DE SCHRIFTEN VAN ADELBROST EN APOLLONIA.


Mijn naam is Adelbrost, de zoon van Apol en Adela. Door mijn volk ben
ik gekozen tot Grevetman over de Linda-oorden. Daarom wil ik dit boek
vervolgen, op zoodanige wijze als mijne moeder gesproken heeft.

Nadat de Magy verslagen was en Fryasburgt op stel gebracht, moest
er eene Moeder gekozen worden. Bij haar leven had de Moeder hare
opvolgster niet genoemd. Haar uiterste wil was weg en nergens te
vinden. Zeven maanden daarna werd eene algemeene vergadering belegd en
wel te Grenega, uit oorzaak dat het aan de Saksamarken paalt. Mijne
moeder werd gekozen, maar zij wilde niet Moeder wezen. Zij had het
leven mijns vaders gered, daardoor hadden zij elkander lief gekregen,
nu wilden zij ook in het huwelijk treden. Velen wilden mijne moeder
van haar besluit afbrengen; maar mijne moeder zeide: eene Eeremoeder
behoort zoo rein in haar gemoed te zijn, als zij uitwendig schijnt,
en even liefderijk voor al hare kinderen. Naardien ik nu Apol lief
heb boven alles in de wereld, zoo kan ik zulk eene Moeder niet
wezen. Zoo sprak en redeneerde Adela, maar de andere burgtmaagden
wilden alle Moeder wezen. Elke staat dong mede voor zijne eigene maagd
en wilde niet toegeven. Daardoor is er geene gekozen, en het rijk
dus bandeloos. Uit het volgende moogt gij het begrijpen. Liudgert
de koning die onlangs gestorven is, was bij het leven der Moeder
gekozen, blijkbaar door alle staten met liefde en vertrouwen. Het
was zijne beurt op het groote hof te Dokhem te wonen; en bij het
leven der Moeder, werd hem daar groote eer bewezen; want het was er
altijd zoo vol boden en ridders, als men er nooit te voren gezien
had. Doch nu was hij eenzaam en verlaten; want iedereen was bevreesd,
dat hij zich meester zoude maken boven het recht, en heerschen gelijk
de slavenkoningen. Elk opperhoofd waande voorts, dat hij genoeg deed,
als hij waakte over zijn eigen staat, en de een gaf niets toe aan den
ander. Met de Burgtmaagden ging het nog erger toe. Elk van haar boogde
op hare eigen wijsheid, en wanneer de Grevetmannen iets deden buiten
haar, verwekten zij wantrouwen tusschen hem en zijn volk. Geschiedde
er eene zaak, die vele staten betrof, en had men de raad van eene
maagd ingewonnen, dan riepen alle andere, dat zij gesproken had ten
voordeele van haar eigen staat. Door dusdanige ranken brachten zij
tweespalt over de staten, en tornden zij den band zoodanig van een,
dat het volk van de eene staat nijdig was op het volk van de andere
staat, en voor het allerminste als vreemdelingen beschouwde. Het gevolg
daarvan is geweest, dat de Golen of Truwenden al ons land afgewonnen
hebben tot aan de Schelde, en de Magy tot aan de Wesara. Hoe het
hierbij toegegaan is, heeft mijne moeder uitgelegd, anders was het
boek niet geschreven geworden, ofschoon ik alle hoop verloren heb,
dat het helpen zal ten bate. Ik schrijf dus niet in den waan, dat
ik daardoor het land zal winnen of behouden, dat is mijns achtens
ondoenlijk. Ik schrijf alleen voor het nakomende geslacht, opdat
zij al te zamen mogen weten, op hoedanige wijze wij verloren gingen,
en opdat ieder daaruit leeren mag, dat alle kwaad zijne straf teelt.

Mij heeft men Apollonia genoemd. Tweendertig dagen na moeders dood,
heeft men Adelbrost mijn broeder verslagen gevonden op de werf,
zijn hoofd gespleten, en zijne leden uiteengereten. Mijn vader,
die ziek lag, is van schrik gestorven. Toen is Apol mijn jongere
broeder, van hier naar de westzijde van Schoonland gevaren. Daar
heeft hij eene burgt gebouwd, Lindasburgt geheeten, om daar ons leed
te wreken. Wralda heeft hem daartoe vele jaren geleend. Hij heeft vijf
zonen gewonnen. Die alle brengen den Magy schrik en mijn broeder roem
aan. Na den dood van mijne moeder en mijn broeder, zijn de braafsten
van onze landen te zamen gekomen en hebben een verbond gesloten,
Adelbond geheeten. Opdat ons geen leed wedervaren zoude, hebben zij
mij en mijn jongsten broeder Adelhirt op de burgt gebracht, mij bij de
maagden en mijn broeder bij de krijgslieden. Toen ik dertig jaren oud
was, heeft men mij tot Burgtmaagd gekozen, en toen mijn broeder vijftig
was, werd hij gekozen tot Grevetman. Van moeders zijde was mijn broeder
de zesde, maar van vaders zijde de derde. Naar recht mochten dus zijne
nakomelingen niet overa Linda achter hunne namen voeren; maar iedereen
wilde het hebben ter eere van mijne moeder. Daarenboven heeft men ons
ook een afschrift gegeven van het boek van Adela's aanhangers. Daarmede
ben ik het meest verheugd, want door mijner moeder wijsheid kwam het
in de wereld. In de burgt heb ik nog andere geschriften gevonden, ook
lofspraken over mijne moeder, die alle wil ik hier achter schrijven.

Dit zijn de nagelaten geschriften van Bruno, die schrijver geweest
is op deze burgt. Nadat de aanhangers van Adela alles hadden laten
overschrijven, elk in zijn rijk, wat op de wanden der burgten gegrift
was, besloten zij eene Moeder te kiezen. Daartoe werd eene gemeene
vergadering belegd op deze hiem. Naar de eerste raad van Adela werd
Teuntja aanbevolen. Dit zoude ook geslaagd zijn, doch nu vroeg mijne
Burgtmaagd het woord: zij was altijd in de meening geweest, dat zij
Moeder zoude worden, uit oorzaak dat zij hier op de burgt zat, van
waar meest alle Moeders gekozen waren. Toen haar het woord gegund
was, opende zij hare valsche lippen en sprak: Gij allen schijnt
zeer te hechten aan Adelas raad; doch dat zal daarom mijn mond niet
sluiten noch snoeren. Wie toch is Adela en waar komt het van daan,
dat gij haar zulken hoogen lof toezwaait? Gelijk ik tegenwoordig,
zoo is zij te voren hier Burgtmaagd geweest; is zij daarom wijzer en
beter als ik en alle andere? of is zij meer gesteld op onze zeden
en gewoonten? Was dat het geval, dan zoude zij wel Moeder geworden
zijn, toen zij daartoe gekozen is, maar zij wilde liever een huwelijk
hebben met alle vreugde en genoegens, die daaraan verbonden zijn,
in plaats van eenzaam over haar zelve en het volk te waken. Zij is
zeer helderziende, goed, maar mijne oogen zijn verre van verduisterd
te wezen. Ik heb gezien dat zij haren echtgenoot grootelijks bemint,
nu goed, dat is loffelijk, maar ik heb verder gezien, dat Teuntje
Apols nicht is. Wijders wil ik niets zeggen.

De voornaamsten begrepen heel goed, waar zij luwte zocht, maar
onder het volk kwam tweespalt, en, naardien het meerderdeel van hier
kwam, wilde het Teuntje die eer niet gunnen. De redeneringen werden
geindigd: de messen uit den zak gehaald, en er werd geene Moeder
gekozen. Kort daarop had een van onze boden zijn makker geveld. Tot
nu toe was hij braaf geweest, daarom had mijne burgtmaagd verlof hem
buiten de landpalen te helpen. Doch, in plaats van hem te helpen naar
het Twiskland, zoo vluchtte zij zelve met hem over de Wesara en voorts
naar den Magy. De Magy, die zijne Fryaszonen behagen wilde, stelde
haar aan als Moeder op Godaburgt in Schoonland; maar zij wilde meer,
zij zeide hem dat, bijaldien hij Adela uit den weg ruimen konde, hij
meester zoude worden over geheel Fryas land. Zij was eene vijandin
van Adela, zeide zij, want door hare ranken was zij geene Moeder
geworden. Bijaldien hij haar Texland wilde toezeggen, zoude haar
bode zijne krijgslieden tot wegwijzer dienen. Al deze zaken heeft
haar bode zelf beleden.





HET TWEEDE GESCHRIFT.


Vijftien maanden na deze laatste algemeene vergadering was
het Vriendschaps- of Winnemaand. Iedereen gaf toe aan lustige
vreugde en blijdschap, en niemand had zorg dan zijn vermaak na
te jagen. Doch Wr.alda wilde ons aantoonen, dat de waakzaamheid
niet mag verflaauwen. Te midden van het feestvieren kwam de nevel
onze oorden in dichte duisternis hullen. Het vermaak vlood, en de
waakzaamheid wilde niet terugkeeren. De strandwakers waren van
hunne noodvuren weggeloopen, en op de toegangen was niemand te
zien. Toen de nevel optrok, keek de zon door de reeten der wolken
op aarde neder. Iedereen kwam weder uit om te juichen en te joelen,
het jongvolk trok zingende met de (zakpijp?), en deze vervulde de
lucht met haar lieffelijken adem. Maar, terwijl daar iedereen zich in
vreugde baadde, was verraad geland met paarden en ruiters; gelijk al
het booze waren zij geholpen door de duisternis, en binnengeslopen
door de paden van Lindaswoud. Voor de deur van Adela trokken twaalf
meisjes met twaalf lammeren en twaalf knapen met twaalf hokkelingen,
een jonge Saksman bereed een wilden buffel, dien hij zelf gevangen
en getemd had. Met allerlei bloemen waren zij versierd, en de linnen
jurken der meisjes waren omboord met goud uit den Rijn.

Toen Adela uit haar huis op de straat kwam viel een bloemregen op haar
hoofd, allen juichten luide, en de toethoornen der knapen klonken
boven alles uit. Arme Adela, arm volk, hoe kort zal de vreugde hier
vertoeven! Toen de lange schare uit het gezicht was, kwam een troep
Magyaarsche ruiters lijnrecht aanrennen op Adelas erf. Haar vader en
haar man waren nog gezeten op de stoepbank. De deur stond open en daar
binnen stond Adelbrost haar zoon. Als hij zag hoe zijne ouders in vrees
waren, greep hij zijn boog van de wand, en schoot naar den voorste
der roovers; deze wankelde en tuimelde op het gras neder; over den
tweede en derde was een gelijk lot beschoren. Intusschen hadden zijne
ouders hunne wapenen gegrepen en trokken langzaam naar Jons huis. De
roovers zouden hen spoedig gevangen genomen hebben, maar Adela kwam
(op de burgt had zij alle wapens leeren hanteeren, zeven aardvoet was
zij lang, en haar zwaard even zoo lang, dit zwaaide zij driemaal over
haar hoofd en toen het nederkwam beet een ridder in het gras.

Helpers kwamen om den hoek van de laan weg. De roovers werden
geveld en gevangen. Doch te laat! een pijl had haar boezem
getroffen. Verraderlijke Magy! De pijlspits was in vergif gedoopt en
daaraan stierf zij.





DE LOFSPRAAK DER BURGTMAAGD.


Ja, ver wonende vriend, duizende zijn reeds gekomen en nog meerdere
zijn op weg.

Wel, zij willen Adelas wijsheid hooren.

Zeker is zij eene vorstin, want zij is altijd de voorste geweest.

O wee! waartoe zoude zij dienen. Haar hemd is van linnen, hare
tunika van wol, die zij zelve spon en weefde. Waarmede zoude zij
hare schoonheid verhoogen? Niet met parelen, want hare tanden zijn
witter; niet met goud, want hare lokken zijn blinkender; niet met
edelgesteenten, wel zijn hare oogen zacht als die van een lam, doch
te gelijk zoo vurig, dat men er bezwaarlijk in kan zien. Maar wat
spreek ik van schoon? Frya was gewis niet schooner. Ja vriend, Frya
die zeven schoonheden bezat, waarvan hare dochters elk maar eene,
hoogstens drie gerfd hebben. Maar al was zij leelijk geweest, toch
zoude zij ons dierbaar wezen.

Of zij krijgshaftig is? Luister vriend, Adela is het eenige kind van
onzen grevetman. Zeven aardvoet is zij hoog, hare wijsheid is nog
grooter als haar ligchaam, en haar moed is gelijk beide te zamen.

Zie hier, er was eens een veenbrand, drie kinderen waren op gindschen
grafsteen gesprongen. De wind blies fel. Iedereen schreeuwde en de
moeder was radeloos. Daar komt Adela: Hoe staat en talmt gij, roept
zij, tracht hulp te verleenen, en Wralda zal u krachten geven. Daarop
ijlt zij naar het Krijlwoud, grijpt elzentakken, tracht eene brug te
maken; nu helpt ook de andere en de kinderen zijn gered.

Jaarlijks komen de kinderen hier bloemen nerleggen.

Er kwamen drie Phoenicische zeelieden, die de kinderen wilden
mishandelen, maar nu kwam Adela, die hun geschrei hoorde, zij slaat
de onverlaten in zwijm; en opdat zij zelve zouden getuigen, dat
zij onwaardige mannen waren, bindt zij hen alle te zamen aan een
spinrok vast. De uitheemsche heeren kwamen hunne lieden opeischen;
toen zij zagen hoe raar zij waren mishandeld, kwam toorn bij hen op;
doch men verhaalde hun, hoe het gebeurd was.

Wat deden zij verder? Zij bogen zich voor Adela en kusten de slip van
haar kleed. Maar kom, verafwonende vriend. De woudvogelen vluchten voor
de vele bezoekers. Kom, vriend, zoo moogt gij hare wijsheid hooren.

Bij den grafsteen, waarvan in de lofspraak melding wordt gemaakt,
is moeders lijk begraven. Op haren grafsteen heeft men deze woorden
gegrift.


    LOOP NIET TE SCHIELIJK, WANT HIER LIGT ADELA.


De oude leer, die gegrift is op de buitenwand des burgttorens, is niet
geschreven in het boek van Adelas volgers. Waarom dit nagelaten is,
weet ik niet te schrijven. Doch dit boek is mijn eigen, daarom wil
ik die daarin zetten ter wille van mijne bloedverwanten.





OUDSTE LEER.


Alle het goede minnende Fryas kinderen zij heil! Daardoor zal het
zalig worden op aarde. Leer en verkondig aan de volken. Wralda is
het alleroudste of overoudste, want hij schiep alle dingen. Wralda
is alles in alles, want hij is eeuwig en oneindig. Wralda is overal
tegenwoordig, maar nergens te aanschouwen, daarom wordt dit wezen geest
genoemd. Alles wat wij van hem zien kunnen, zijn de schepselen die door
zijn leven komen en weder heengaan, want uit Wralda komen alle dingen
en keeren tot hem weder. Van uit Wralda komt de aanvang en het einde,
alle dingen gaan in hem op. Wralda is het eenige almachtige wezen, want
alle andere macht is van hem geleend en keert tot hem terug. Uit Wralda
komen alle krachten en alle krachten keeren tot hem weder. Daarom is
hij alleen het scheppende wezen, en niets is geschapen buiten hem.

Wralda legde eeuwige inzettingen, dat is wetten in al het geschapene,
en er zijn geene goede wetten, of zij moeten daarnaar ingericht
zijn. Maar ofschoon alles in Wralda is, de boosheid der menschen
is niet van hem. Boosheid komt door loomheid, zorgeloosheid
of domheid. Daarom kan zij wel de menschen schaden, maar Wralda
nimmer. Wralda is de wijsheid, en de wetten, die hij gemaakt heeft,
zijn de boeken, waaruit wij leeren kunnen, en er is geen wijsheid
te vinden, noch te vergaderen buiten die. De menschen kunnen vele
dingen zien; maar Wralda ziet alle dingen. De menschen kunnen vele
dingen leeren, maar Wralda weet alle dingen. De menschen kunnen vele
dingen ontsluiten, maar voor Wralda is alles geopend. De menschen
zijn mannelijk en vrouwelijk, maar Wralda schept beide. De menschen
beminnen en haten, maar Wralda alleen is rechtvaardig. Daarom is
Wralda alleen goed, en er zijn geene goeden buiten hem. Met het Juul
verandert en wisselt al het geschapene, maar het goede is alleen
onveranderlijk. Omdat Wralda goed is, kan hij ook niet veranderen; en
omdat hij blijft, daarom is hij alleen wezen, en al het andere schijn.





HET TWEEDE DEEL VAN DE OUDSTE LEER.


Onder Findas volk zijn wanwijzen, die door hunne overvindingrijkheid
zoo boos zijn geworden, dat zij zich zelven wijs maken en de ingewijden
doen gelooven, dat zij het beste deel zijn van Wralda; dat hun geest
het beste deel is van Wralda's geest, en dat Wralda alleen kan denken
door hulp van hun brein.

Dat ieder schepsel een deel is van Wralda's oneindig wezen, dat hebben
zij van ons gestolen.

Maar hunne valsche redeneering en hunne toomelooze hoovaardigheid
heeft hen op een dwaalweg gebracht. Ware hun geest Wraldas geest, dan
zoude Wralda heel dom wezen, in plaats van verstandig en wijs. Want
hun geest slooft zich altijd af om schoone beelden te maken, die zij
naderhand aanbidden. Maar Findas volk is een boos volk, want ofschoon
de wanwijzen onder hen zich zelven wijsmaken, dat zij goden zijn, zoo
hebben zij voor de oningewijden valsche goden geschapen, en verkondigen
allerwege dat deze afgoden de wereld geschapen hebben, met alles wat
daar in is; gierige afgoden vol nijd en toorn, die gediend en geerd
willen wezen, door de menschen; die bloed en offer willen en schatting
eischen. Maar die wanwijze valsche mannen, die zich zelf godsdienaren
of priesteren laten noemen, beuren en zamelen en vergaderen dat alles
voor afgoden, die niet bestaan, om het zelf te behouden. Dat alles
bedrijven zij met een ruim gemoed, naardien zij zich zelven goden
wanen, die aan niemand antwoord schuldig zijn. Zijn er sommigen die
hunne ranken bevroeden en openbaar maken, zoo worden zij door hunne
rakkers gevat en om hunnen laster verbrand, alles met vele statelijke
plegtigheden ter eere der valsche goden. Maar in trouwe, alleen opdat
zij hun niet schaden zouden. Opdat onze kinderen gewapend mogen wezen
tegen hunne afgodische leer, zoo behooren de maagden hen te doen van
buiten leeren, wat hier zal volgen.

Wralda was eerder dan alle dingen, en na alle dingen zal hij
wezen. Wralda is alzoo eeuwig en hij is oneindig, daarom is er niets
buiten hem. Door en uit Wraldas leven ontstond de tijd en werden alle
dingen geboren; en zijn leven neemt den tijd en alle dingen weg. Deze
zaken moeten klaar en openbaar gemaakt worden op alle wijzen, zoodat
zij het aan anderen mogen beduiden en bewijzen. Is het zoo verre
gewonnen, dan zegt men verder: Wat dus onzen omvang betreft, zoo
zijn wij een deel van Wraldas oneindig wezen als de omvang van al het
geschapene. Doch wat onze gedaante aangaat, onze eigenschappen, onzen
geest en al onze bedenkingen, deze behooren niet tot het wezen. Dit
alles zijn vluchtige dingen, die door Wraldas leven verschijnen;
doch door zijne wijsheid zoodanig en niet anders verschijnen. Maar
doordien zijn leven steeds voortgaat, zoo kan er ook niets op zijne
plaats blijven. Daarom verwisselen alle geschapene dingen van plaats,
van gedaante en ook van denkwijze. Daarom mag de aarde zelve, noch
eenig schepsel zeggen: ik ben, maar wel: ik was. Ook mag geen mensch
zeggen: ik denk, maar bloot: ik dacht. De knaap is grooter en anders
als toen hij een kind was. Hij heeft andere begeerten, neigingen en
denkwijze. De man en vader is en denkt anders als toen hij knaap
was. Even zoo de oude van dagen. Dat weet iedereen. Bijaldien nu
iedereen weet, en moet erkennen, dat hij steeds wisselt, zoo moet hij
ook bekennen, dat hij ieder oogenblik wisselt; ook terwijl hij zegt:
ik ben; en dat zijne denkbeelden veranderen, terwijl hij zegt: ik denk.

In plaats dus, van dat wij de boose Finda's op eene onwaardige wijze
napraten en snappen, ik ben, of wel ik ben het beste deel Wraldas,
ja door ons alleen mag hij denken, zoo willen wij verkondigen
overal en allerwege, waar het noodig is: wij Fryas kinderen zijn
verschijnselen door Wraldas leven; bij den aanvang gering en bloot:
doch altijd wordende en naderende tot volkomenheid, zonder ooit zoo
goed te worden als Wralda zelf. Onze geest is niet Wralda's geest,
hij is daarvan slechts een afschijnsel. Toen Wralda ons schiep, heeft
hij ons in zijne wijsheid, brein, zintuigen, geheugen en vele goede
eigenschappen geleend. Hiermede kunnen wij zijne schepselen en zijne
wetten beschouwen. Daarvan kunnen wij leeren en daarover kunnen wij
spreken, alles en alleen tot ons eigen heil. Had Wralda ons geene
zintuigen gegeven, zoo zouden wij nergens van weten, en wij zouden
nog redelozer zijn, dan een zeekwal die voortgedreven wordt door ebbe
en door vloed.





DIT STAAT OP SCHRIJFFILT GESCHREVEN. TAAL EN ANTWOORD AAN ANDERE
MAAGDEN TOT EEN VOORBEELD.


Een ongezellig gierig man kwam klagende bij Troost, die Maagd was te
Stavia. Hij zeide onweder had zijn huis vernield. Hij had tot Wralda
gebeden, maar Wralda had hem geene hulp verleend. Zijt ge een echte
Fries, vroeg Troost. Van ouder tot voorouder, antwoordde de man. Dan,
zeide zij, wil ik iets in uw gemoed zaaijen in vertrouwen, dat het
kiemen en groeijen en vruchten geven mag. Verder sprak zij en zeide:
toen Frya geboren was, stond onze moeder naakt en bloot, onbehoed
tegen de stralen der zon. Niemand kon zij vragen, en er was niemand,
die haar hulp verleenen konde. Toen ging Wralda heen en wrocht in
haar gemoed neiging en liefde, angst en schrik. Zij zag rondom zich;
hare neiging koos het beste, en zij zocht eene schuilplaats onder
de beschuttende lindeboom. Maar de regen kwam en het ongemak was,
dat zij nat werd. Doch zij had gezien, hoe het water bij de hellende
bladeren neerdrupte. Nu maakte zij een afdak met hellende zijden,
op staken maakte zij dat. Maar de stormwind kwam en blies de regen
daaronder. Nu had zij gezien, dat de stam luwte gaf. Daarop ging zij
heen en maakte eene wand van plaggen en zooden; eerst aan de eene zijde
en vervolgens aan alle zijden. De stormwind kwam terug, woedender als
te voren, en blies het dak weg. Maar zij klaagde niet over Wralda,
noch tegen Wralda. Maar zij maakte een rieten dak en legde steenen
daarop. Bevonden hebbende hoe zeer het doet, om alleen te tobben,
zoo beduidde zij hare kinderen, hoe en waarom zij zoo gedaan had. Deze
handelden en dachten hetzelfde. Op zoodanige wijze zijn wij aan huizen
gekomen met stoepbanken, eene straat, en eene beschuttende linde
tegen de zonnestralen. Ten laatste hebben zij eene burgt gemaakt en
vervolgens al het andere. Is uw huis dus niet sterk genoeg geweest,
dan moet gij trachten het andere beter te maken. Mijn huis was
sterk genoeg, zeide hij, maar het hooge water heeft het opgebeurd
en de stormwind heeft het andere gedaan. Waar stond uw huis dan,
vroeg Troost. Aan den oever van den Rijn, antwoordde de man. Stond
het dan niet op eene nol (ronde hoogte) of terp, vroeg Troost. Neen,
zeide de man, mijn huis stond eenzaam bij den oever; alleen heb ik het
gebouwd, maar ik kon daar alleen geen terp voor maken. Ik wist het wel,
antwoordde Troost, de maagden hebben het mij gemeld. Gij hebt al uw
leven een afkeer gehad van de menschen, uit vrees, dat gij iets geven
of doen moest voor hun. Doch daarmede kan men niet verre komen. Want
Wralda die mild is, keert hem af van de gierigen. Fsta heeft ons
geraden en boven de deuren van alle onze burgten is 't gegrift in
steen: zijt ge erg baatzuchtig, zeide Fsta, behoed dan uwe naasten,
onderricht dan uwe naasten, help dan uwe naasten, zoo zullen zij het
u wederom doen. Is u deze raad niet goed genoeg, ik weet geene betere
voor u. De man werd schaamrood en droop stil af.





NU WIL IK ZELF SCHRIJVEN, EERST OVER MIJNE BURGT EN DAN OVER HETGENE
IK HEB MOGEN ZIEN.


Mijne burgt ligt aan 't noordeinde van de Liudgaarde. De toren heeft
zes zijden. Driemaal dertig voet is hij hoog. Plat van boven. Een klein
huisje daarop, waaruit men naar de sterren ziet. Aan iedere zijde van
den toren staat een huis, lang drie honderd en breed driemaal zeven
voet, en evenzoo hoog, behalve het dak, dat rondachtig is. Al deze van
hardgebakken steen, en van buiten zijn er geene andere. Om de burgt is
een ringdijk, en daarom heen eene gracht diep drie maal zeven en breed
driemaal twaalf voet. Ziet iemand boven van den toren naar beneden,
dan ziet hij de gedaante van het Juul. Op den grond tusschen de
zuidelijke huizen, daar zijn allerlei kruiden van heinde en verre,
daarvan moeten de maagden de krachten leeren kennen. Tusschen de
noordelijke huizen is alleen veld. De drie noordelijke huizen zijn
vol koorn en andere benoodigdheden. Twee zuidelijke huizen zijn voor
de maagden, om school te houden en te wonen. Het zuidelijkste huis is
de woning der Burgtmaagd. In den toren hangt de lamp. De wanden van
den toren zijn gesmukt met kostbare steenen. Op de zuiderwand is de
Tex gegrift. Aan de rechterzijde van deze vindt men de formleer; aan
de linkerzijde de wetten. De andere zaken vindt men op de drie andere
zijden. Tegen den dijk aan bij het huis der burgtmaagd staat de oven
en de meelmolen door vier buffels gekruid. Buiten onze burgtwal is
de plaats, waarop de burgtheeren en de krijgers wonen. De ringdijk
daaromheen is een uur groot, niet een zeemans, maar een zonne uur,
waarvan tweemaal twaalf in een etmaal gaan. Aan de binnenzijde
van den dijk is een plat, vijf voet beneden de kruin. Daarop zijn
drie honderd kraanbogen, gedekt met hout en leder. Behalve de
huizen der inwoners zijn daarbinnen langs den dijk nog drie maal
twaalf noodhuizen voor de omwoners. Het veld dient tot kamp en tot
weide. Aan de zuidzijde van de buitenste ringdijk is de Liudgaarde
omtuind door het groote Lindenwoud. Hare gedaante is driehoekig,
met de breede zijde naar buiten, opdat de zon daarin mag zien. Want
daar zijn vele buitenlandsche boomen en bloemen, door de zeevaarders
medegebracht. Gelijk de gedaante van onze burgt is, zoo zijn alle
andere; doch onze burgt is de grootste; maar de allergrootste is die
van Texland. De toren van Fryaburgt is zoo hoog, dat hij de wolken
tornt, en in evenredigheid van den toren is al het overige.

Bij ons op de burgt is het zoo verdeeld. Zeven jonge maagden waken
bij de lamp. Iedere waak is drie uren. In den overigen tijd moeten zij
huiswerk doen, leeren en slapen. Zijn zij zeven jaar wakende geweest,
dan zijn zij vrij. Dan mogen zij onder de menschen gaan, om op hunne
zeden te letten en raad te geven. Is eene drie jaren maagd geweest,
dan mag zij somtijds met de oude maagden mede gaan.

De schrijver moet de meisjes leeren lezen, schrijven en rekenen. De
grijsaards of greva moeten haar leeren recht en plicht, zedekunde,
kruidkunde en heelkunde, geschiedenissen, vertellingen en zangen,
benevens allerhande dingen die haar noodig zijn om raad te geven. De
Burgtmaagd moet haar leeren, hoe zij daarmede te werk moeten gaan bij
de menschen. Voor dat eene Burgtmaagd hare plaats inneemt, moet zij
door het land reizen een vol jaar. Drie grijze burgtheeren en drie
oude maagden gaan met haar mede. Zoo is het ook mij gegaan. Mijne reis
is langs den Rijn geweest, dezen oever opwaarts en langs den anderen
oever benedenwaarts. Hoe hooger ik opkwam, des te armer schenen mij de
menschen. Overal in den Rijn had men uitstekken gemaakt. Het zand dat
daartegen kwam, werd met water over schapenvachten gegoten om goud te
winnen. Maar de meisjes droegen daar geene gouden kroonen van. Voorheen
waren er meer geweest, maar sedert wij Schoonland misten, zijn zij
naar de bergen gegaan. Daar delven zij ijzererts, waar zij ijzer van
maken. Boven den Rijn tusschen het gebergte, daar heb ik Marsaten
gezien. De Marsaten, dat zijn menschen, die op de meeren wonen. Hunne
huizen zijn op palen gebouwd. Dat is wegens het wild gedierte en booze
menschen. Daar zijn wolven, beeren en zwarte afgrijselijke leeuwen. En
zij zijn de naburen of aangrenzenden van de heinde Krekalanden, der
Kalta volgers en der verwilderde Twiskar, alle begeerig naar roof en
buit. De Marsaten generen zich met visschen en jagen. De huiden worden
door de vrouwen toegemaakt en bereid met schors van berken. De kleine
huiden zacht als vrouwenfilt. De burgtmaagd te Fryasburgt zeide ons,
dat zij goede, eenvoudige menschen waren. Doch had ik haar niet vooraf
hooren spreken, ik zoude gemeend hebben, dat zij geen Fryas volk waren,
maar wilden, zoo onbeschaamd zagen zij er uit. Hunne vachten en kruiden
werden door de Rijnbewoners verhandeld en door de schippers buiten
gebracht. Langs de (andere zijde van) den Rijn was het eveneens tot
aan Lydasburcht. Daar was een groote vliet of mare. Op deze vliet
waren ook menschen, die huizen op palen hadden. Doch dat was geen
Fryas volk: maar dat waren zwarte en bruine menschen, die gediend
hadden als roeijers om de buitenvaarders naar huis te helpen. Zij
moesten daar blijven, tot dat de vloot weder vertrok.

Ten laatste kwamen wij te Alderga. Bij het zuiderhavenhoofd staat
de Waraburgt, een steenhuis, daarin zijn allerlei schulpen, hoorns,
wapenen en kleederen bewaard van verre landen, door de zeelieden
medegebracht. Een kwartier daarvan daan is het Alderga. Een groote
vliet omzoomd met schuren, huizen en tuinen, alles rijk versierd. In
die vliet lag eene groote vloot gereed, met banieren van allerlei
verf. Op Fryasdag hingen de schilden om de boorden toe. Sommige blonken
gelijk de zon. De schilden van den zeekoning en den schout bij nacht
waren met goud omboord. Van uit die vliet was eene gracht gegraven
van daar voortloopende langs de burgt Forana en voorts met eene enge
mond in zee. Voor de vloot was dit de uitgang en het Fly de ingang. Aan
beide zijden der gracht zijn schoone huizen met helder blinkende verwen
geschilderd. De tuinen zijn met altijd groene hagen omheind. Ik heb
daar vrouwen gezien die viltene tunikas droegen, als of het schrijffilt
was. Even als te Staveren waren de meisjes met gouden kroonen op hare
hoofden en met ringen om de armen en voeten gesierd. Zuidwaarts van
Forana ligt Alkmarum. Alkmarum is eene mare of vliet, daarin ligt een
eiland, op dat eiland moeten de zwarte en bruine menschen verwijlen,
even als te Lydasburgt. De Burgtmaagd van Forana zeide mij, dat de
burgtheeren dagelijks tot hen gingen om hun te leeren, wat echte
vrijheid is, en hoe de menschen in der minne behooren te leven om
zegen te erlangen van Wraldas geest. Was er iemand die hooren wilde
en begrijpen kon, zoo werd hij daar gehouden, tot dat hij volleerd
was. Dat werd gedaan om de veraf wonende volken wijs te maken, en
om overal vrienden te winnen. Weleer was ik in de Saxenmarken op de
burgt Mannagardaforde geweest. Doch daar had ik meer armoede gezien,
als ik hier rijkdom bespeurde. Zij antwoordde: zoo wanneer daar aan de
Saxenmarken een vrijer een meisje komt bevrijen, dan vragen de meisjes
daar, kunt gij uw huis vrijwaren tegen de verbannen Twisklanders? hebt
gij er nog geen geveld? hoeveel buffels hebt gij reeds gevangen en
hoeveel beeren en wolvenhuiden hebt gij al op de markt gebracht? Daar
van daan is 't gekomen, dat de Saxmannen den landbouw aan de vrouwen
overgelaten hebben. Dat van honderd te zamen niet een lezen mag of
schrijven kan. Daarvan daan is het gekomen, dat niemand eene spreuk op
zijn schild heeft, maar bloot eene wanstaltige gedaante van een dier,
dat hij geveld heeft. En eindelijk, daarvan daan is het gekomen, dat
zij zeer oorlogzuchtig geworden zijn, maar somtijds even dom zijn
als het gedierte, dat zij vangen, en even arm als de Twisklanders,
met welke zij oorlogen. Voor Fryasvolk is aarde en zee geschapen. Alle
onze rivieren loopen in zee uit. Het Lydasvolk en het Findasvolk zullen
elkander verdelgen, en wij moeten de ledige landen bevolken. In het
heen en omvaren ligt ons heil. Wilt gij nu, dat de bovenlanders deel
hebben aan onzen rijkdom en wijsheid, zoo zal ik u een raad geven. Laat
het de meisjes tot eene gewoonte worden om hare vrijers te vragen,
eer zij ja zeggen: waar hebt gij al in de wereld rondgevaren? wat
kunt gij uwe kinderen vertellen van verre landen en over verwonende
volken? Doet zij zoo, dan zullen de krijgshaftige knapen tot ons
komen. Zij zullen wijzer worden en rijker en wij zullen geen behoefte
langer hebben aan dat vuile volk. De jongste van de maagden, die bij
mij waren, kwam uit de Saxenmarken weg. Toen wij nu te huis kwamen,
heeft zij verlof gevraagd om naar huis te gaan. Naderhand is zij daar
Burgtmaagt geworden, en daarvan daan is het gekomen, dat heden ten
dage zoo vele Saxmannen bij onze zeelieden varen.


                       Einde van Apollonias boek.





DE GESCHRIFTEN VAN FRTHORIK EN WILJOW.


Mijn naam is Frthorik toegenaamd oera Linda, dat wil zeggen over
de Linden. Te Ljudwardia ben ik tot Asga gekozen. Ljudwardia is een
nieuw dorp, binnen den ringdijk van de burgt Ljudgaarda, waarvan de
naam in oneer gekomen is. Onder mijne tijden is veel gebeurd. Veel
had ik daarover geschreven; maar naderhand zijn mij nog vele dingen
gemeld. Van een en ander wil ik eene geschiedenis achter dit boek
schrijven, de goede menschen tot eere, de slechten tot oneer.

In mijne jeugd hoorde ik klachten alomme: booze tijd kwam; booze
tijd was gekomen; Frya had ons verlaten; zij had hare waakmeisjes
terug gehouden; want gedrochtelijke (afgods)beelden waren binnen onze
landpalen gevonden.

Ik brande van nieuwsgierigheid om die beelden te zien. In onze buurt
strompelde een oud vrouwtje de huizen uit en in, altijd roepende
over de booze tijd. Ik draaide haar op zijde. Zij streek mij om de
kin. Nu werd ik vrijmoedig en vroeg haar of zij mij de booze tijd en de
beelden eens wilde toonen. Zij lachte goedaardig, en bragt mij op de
burgt. Een grijsaard vroeg mij of ik al lezen en schrijven kon. Neen,
zeide ik. Dan moet gij eerst heengaan en leeren, zeide hij, anders
mag het u niet getoond worden. Dagelijks ging ik bij den schrijver
leeren. Acht jaren later hoorde ik, dat onze burgtmaagd ontucht
had bedreven en dat sommige burgtheeren verraad gepleegd hadden
met den Magy. En vele menschen waren op hunne zijde. Overal kwam
tweespalt. Er waren kinderen, die opstonden tegen hunne ouders. In
't geheim werden de brave menschen vermoord. Het oude vrouwtje, dat
alles openbaar maakte, werd dood gevonden in een gruppel. Mijn vader,
die rechter was, wilde haar gewroken hebben. Bij nacht werd hij in zijn
huis vermoord. Drie jaren later was de Magy meester zonder strijd. De
Saxmannen waren vroom en braaf gebleven. Naar hen vluchtten alle goede
menschen. Mijne moeder bestierf het. Nu deed ik als de anderen. De Magy
verhief zich op zijne slimheid. Maar Irtha zoude hem toonen, dat zij
geen Magy noch afgoden mocht toelaten tot de heilige schoot, waaruit
zij Frya baarde. Even als het wilde ros zijne manen schudt, nadat
het zijn berijder in het gras geworpen heeft, even zoo schudde Irtha
hare wouden en bergen. Rivieren werden over de velden gespreid. De zee
kookte. Bergen spuwden vuur naar de wolken, en wat zij gespuwd hadden,
slingerden de wolken weder op aarde. Bij den aanvang van Arnemaand
(oogstmaand) neigde de aarde noordwaarts en zeeg neder, al lager
en lager. In de Wolvenmaand (wintermaand) lagen de lage marken van
Fryasland onder de zee bedolven. De wouden, daar beelden in waren,
werden opgeheven en een spel der winden. Het jaar daarop kwam vorst
in de Hardemaand (louwmaand) en legde oud Fryasland onder een plank
(ijsveld) verscholen. In Sellemaand (sprokkelmaand) kwam stormwind
uit het noorden weg, mede voerende bergen van ijs en steenen. Toen
springvloed kwam, hief de aarde zich op. Het ijs smolt weg. Ebbe kwam
en de wouden met de beelden dreven naar zee. In de Winne of Minnemaand
(bloeimaand) ging ieder, die durfde, weer naar huis varen. Ik kwam met
eene maagd op de burgt Liudgaarde. Hoe droevig zag het er daar uit. De
wouden der Lindaoorden waren meest weg. Waar de Liudgaarde geweest was,
was zee. De golfslag zweepte den ringdijk. IJs had den toren vernield,
en de huizen lagen door elkander. Aan de helling van den dijk vond ik
een steen; onze schrijver had daar zijn naam ingegrift; dat was mij
een baken. Gelijk het met onze burgt gegaan was, zoo was het ook met
de andere gegaan. In de hooge landen waren zij door de aarde, en in
de lage landen door het water vernield. Alleen Fryasburcht op Texland
werd ongedeerd gevonden. Maar al het land dat noordwaarts gelegen had,
was onder de zee; nog is het niet weer boven gebragt. Aan dezen oever
van het Flymeer waren, naar gemeld werd, dertig zoute plassen gekomen,
ontstaan door de wouden, die met grond en al weg gedreven waren. Te
Westflyland vijftig. De gracht, die van het Alderga dwars door het
land geloopen had, was verzand en vernield. De zeelieden en ander
varensvolk, die te huis waren, hadden zich zelven gered met magen en
bloedverwanten op hunne schepen. Maar het zwarte volk van Lydasburgt en
Alkmarum had eveneens gedaan. Terwijl de zwarten zuidwaarts dreven,
hadden zij vele meisjes gered, en naardien niemand kwam om ze op
te eischen, hielden zij haar tot hunne vrouwen. De menschen die
terug kwamen, gingen alle binnen de ringdijken der burgten wonen,
omdat het daar buiten alles slib en broekland was. De oude huizen
werden zamengeklust. Van de bovenlanden kocht men koeijen en schapen,
en in de groote huizen, daar te voren de maagden gevestigd waren,
werd nu laken en filt gemaakt, om des levens wille. Dit geschiedde
1888 jaren nadat Atland verzonken was.

In 282 jaren hadden wij geene Eeremoeder gehad en nu alles misschien
verloren scheen, ging men eene kiezen. Het lot viel op Gosa toegenaamd
Makonta. Zij was Burgtmaagd op Fryasburgt te Texland. Helder van hoofd
en klaar van zin, heel goed, en omdat hare burgt alleen gespaard was,
zag iedereen daaruit hare roeping. Tien jaren later kwamen de zeelieden
van Forana en van Lydasburgt. Zij wilden de zwarte mannen met vrouw
en kinderen uit het land drijven. Daarover wilden zij de raad der
Moeder inwinnen. Maar Gosa vroeg: kunt gij een en ander terug voeren
naar hunne landen, dan behoort gij spoed te maken, anders zullen zij
hunne bloedverwanten niet weder vinden. Neen, zeiden zij. Toen zeide
Gosa: Zij hebben uw zout geproefd en uw brood gegeten. Hun lijf en
leven hebben zij onder uwe hoede gesteld. Gij moet uw eigen hart
onderzoeken. Maar ik wil u een raad geven. Houdt hen tot dat gij
in staat zijt om hen weder naar huis te voeren. Maar houdt hen bij
uwe burgten daar buiten. Waakt over hunne zeden, en onderwijs hen
alsof zij Fryas zonen waren. Hunne vrouwen zijn hier de sterkste. Als
rook zal hun bloed vervliegen, tot er ten laatsten niets anders dan
Fryas bloed in hunne nakomelingen zal overblijven. Zoo zijn zij hier
gebleven. Nu wenschte ik wel dat mijne nakomelingen daar op letten,
in hoeverre Gosa waarheid sprak.--Toen onze landen weder te begaan
waren, kwamen er benden arme Saxmannen en vrouwen naar de oorden van
Staveren en het Alderga, om gouden en andere sieraden te zoeken uit de
drassige bodem. Doch de zeelieden wilden hen niet toelaten. Toen gingen
zij de ledige dorpen bewonen te West Flyland, om hun lijf te behouden.





NU WIL IK SCHRIJVEN HOE DE GEERTMANNEN EN VELE VOLGELINGEN VAN HELENIA
TERUG KWAMEN.


Twee jaren nadat Gosa moeder werd, kwam er eene vloot het Flymeer in
vallen. Het volk riep ho.n.sen. (welk een zegen!) Zij voeren naar
Staveren, daar riepen zij nog eenmaal. De banieren waren in top en
des nachts schoten zij brandpijlen in de lucht. Toen het dageraad
was, roeiden sommige met eene snik de haven in, zij riepen weder
hoezee. Toen zij landden, wipte een jong kerel op den wal. In zijne
handen had hij een schild, daarop was brood en zout gelegd. Na hem
kwam een grijze; hij zeide wij komen van de verre Krekalanden weg, om
onze zeden te bewaren. Nu wenschten wij, dat gij zoo vriendelijk zoudt
wezen, om ons zoo veel land te geven, dat wij daarop mogen wonen. Hij
vertelde eene heele geschiedenis, die ik hierna beter beschrijven
wil. De grijzen wisten niet wat te doen, zij zonden boden allerwege,
ook tot mij. Ik ging heen en zeide: nu wij eene Moeder hebben,
behooren wij haar raad te vragen. Ik zelf ging mede. De Moeder,
die alles reeds wist, zeide: laat hen komen, zoo mogen zij ons land
helpen behouden: maar laat hen niet op ne plek blijven, opdat zij
niet machtig worden over ons. Wij deden gelijk zij gezegd had. Dat
was heel naar hun zin. Fryso bleef met zijne lieden te Staveren dat
zij weder tot eene zeestad maakten, zoo goed zij konden. Wichhirte
ging met zijne lieden oostwaarts naar de Emude. Sommige der Joniers,
die meenden dat zij van het Alderga volk gesproten waren, gingen
daarheen. Een klein deel, die waanden, dat hunne voorvaderen van de
Zeven eilanden weg kwamen, gingen heen en zetten zich neder binnen
den ringdijk van de burgt Walhallagara. Liudgert de schout bij nacht
van Wichhirte werd mijn makker en naderhand mijn vriend. Uit zijn
dagboek heb ik de geschiedenis die hier achter zal volgen.

Nadat wij 12 maal 100 en tweemaal 12 jaren bij de Vijf wateren gezeten
waren, terwijl onze zeestrijders alle zeen bevoeren, die er te vinden
waren, kwam Alexander de koning met een geweldig heir van boven langs
den stroom naar onze dorpen varen. Niemand kon hem wederstaan. Doch
wij zeelieden, die bij de zee woonden, wij scheepten ons met al onze
have in en vertrokken. Toen Alexander vernam dat zulk eene groote vloot
hem ontvaren was, werd hij als woedend, zweerende dat hij alle dorpen
aan de vlam zoude offeren, zoo wij niet wilden terug komen. Wichhirte
lag ziek te bed. Toen Alexander dat vernam, heeft hij gewacht, tot
dat hij beter was. Daarna kwam hij tot hem, zeer minzaam sprekende;
doch hij bedroog gelijk hij vroeger gedaan had. Wichhirte antwoordde:
o allergrootste der koningen. Wij zeelieden komen allerwege, wij
hebben van uwe groote daden gehoord. Daarom zijn wij vol eerbied
jegens uwe wapenen, maar nog meer voor uwe wetenschap. Maar wij
anderen, wij zijn vrijgeboren Fryas kinderen, wij mogen uwe slaven
niet worden. En al wilde ik het, de anderen zouden liever willen
sterven, want zoo is het door onze wetten bevolen. Alexander zeide:
ik wil uw land niet maken tot mijne buit, noch uw volk tot mijne
slaven. Ik wil alleen dat gij mij zult dienen voor loon. Daarop wil
ik zweeren bij ons beider goden, dat niemand over mij ontevreden
zal zijn. Toen Alexander naderhand brood en zout met hem deelde,
heeft Wichhirte het wijste deel gekozen. Hij liet de schepen halen
door zijn zoon. Toen zij alle terug waren, heeft Alexander die alle
gehuurd. Daarmede wilde hij zijn volk naar den heiligen Ganges voeren,
dien hij te land niet had kunnen genaken. Nu ging hij toe en koos al
degene uit zijn volk en zijne soldaten, die gewoon waren over zee te
varen. Wichhirte was weder ziek geworden, daarom ging ik alleen mede
en Nearchus van des konings wege. De tocht liep zonder voordeel ten
einde, uithoofde de Joniers altijd in onmin waren tegen de Pheniciers,
zoodat Nearchus zelf er geen meester over blijven kon. Intusschen
had de koning niet stil gezeten. Hij had zijne soldaten boomen laten
kappen en tot planken maken. Met hulp van onze timmerlieden had
hij daar schepen van gemaakt. Nu wilde hij zelf zeekoning worden,
en met zijn geheele heir den Ganges opvaren. Doch de soldaten die
uit het bergland kwamen, waren bang voor de zee. Toen zij hoorden,
dat zij moesten, staken zij de timmerschuren in den brand. Daardoor
werd ons geheele dorp in asch gelegd. In het eerst waanden wij dat
Alexander het bevolen had, en ieder stond gereed om zee te kiezen. Maar
Alexander was woedend; hij wilde de soldaten door zijn eigen volk
laten ombrengen. Maar Nearchus, die niet alleen zijn eerste vorst,
maar ook zijn vriend was, raadde hem anders te doen. Nu hield hij
zich als of hij geloofde, dat het bij ongeluk geschied was. Doch hij
durfde zijn tocht niet hervatten. Nu wilde hij terugkeeren; doch eer
hij dat deed, liet hij eerst onderzoeken wie er schuldig waren. Zoodra
hij dat wist, liet hij die allen zonder wapenen blijven, om een nieuw
dorp te maken. Van zijn eigen volk liet hij gewapenden, om de anderen
te temmen en om eene burgt te bouwen. Wij moesten vrouwen en kinderen
mede nemen. Als wij aan den mond van den Euphraat kwamen, dan mochten
wij daar eene plaats kiezen, of terug keeren, ons loon zoude ons even
gaarne toegedeeld worden. Op de nieuwe schepen, die den brand ontkomen
waren, liet hij Joniers en Krekalanders gaan. Hij zelf ging met zijn
ander volk langs de kust door de dorre woestijn, dat is door het land,
dat Irtha opgeheven had, uit de zee, toen zij de straat achter onze
voorvaderen had opgehoogd, zoodra zij in de roode zee kwamen.

Toen wij te Nieuw Geertmania kwamen (Nieuw Geertmania is eene haven,
die wij zelve gemaakt hadden om daar water in te nemen), ontmoetten
wij Alexander met zijn leger. Nearchus ging aan wal en vertoefde drie
dagen. Toen ging het weder verder. Toen wij bij den Euphraat kwamen,
ging Nearchus met de soldaten en vele van zijn volk den wal op. Doch
hij kwam spoedig weder. Hij zeide, de koning laat u verzoeken, gij
zoudt nog eene kleine tocht om zijnentwil doen, tot aan het einde van
de Roode zee. Daarna zal ieder zooveel goud krijgen, als hij tillen
kan. Toen wij daar kwamen, liet hij ons aanwijzen, waar de straat
vroeger geweest was. Daarna vertoefde hij eenendertig dagen steeds
uitziende naar de woestijn. Ten laatste kwam er een troep menschen,
medevoerende 200 olifanten, 1000 kameelen, met houten balken, roopen
(touwen) en allerlei gereedschap om onze vloot naar de Middellandsche
zee te slepen. Dat verbaasde ons, en leek ons raar toe; maar Nearchus
verhaalde ons, dat zijn koning aan de andere koningen toonen wilde, dat
hij machtiger was, als de koningen van Tyrus vroeger geweest waren. Wij
zouden maar medehelpen, dat zoude ons voorzeker geen schade doen. Wij
moesten wel zwichten, en Nearchus wist alles zoo juist te regelen,
dat wij in de Middellandsche zee lagen, eer drie maanden verloopen
waren. Toen Alexander vernam hoe het met zijn ontwerp afgeloopen was,
werd hij zoo vermetel, dat hij de drooge straat wilde uitdiepen,
Irtha ten spot. Maar Wralda liet zijne ziel los, daarom verdronk hij
in den wijn en in zijn overmoed, eer hij daarmede beginnen konde. Na
zijn dood, werd het rijk gedeeld door zijne vorsten. Zij zouden elk
een deel voor zijne zonen bewaren, doch het was hun geen meenen. Elk
wilde zijn deel behouden en zelfs vermeerderen. Toen kwam er oorlog
en wij konden niet terug keeren. Nearchus wilde nu, dat wij ons zouden
nederzetten aan de kust van Phenicie, maar dat wilde niemand doen. Wij
zeiden het liever te willen wagen om naar Fryasland te gaan. Toen
bracht hij ons naar de nieuwe haven van Athene, waar alle echte
Fryaskinderen voormaals heen getogen waren. Voorts gingen wij soldaten,
leeftocht en wapenen voeren. Onder de vele vorsten had Nearchus een
vriend met name Antigonus. Deze streden beide om n doel, gelijk zij
zeiden, als helpers, voor het koninklijk geslacht, en voorts om alle
Grieksche landen hunne oude vrijheid terug te geven. Antigonus had
onder vele anderen een zoon, die heette Demetrius, later bijgenaamd
de stedewinner. Deze ging eens op de stad Salamis af; nadat hij daar
een geheele poos mede gestreden had, moest hij strijden met de vloot
van Ptolemeus. Ptolemeus zoo heette de vorst, die heerschte over
Egyptenland. Demetrius won den strijd, doch niet door zijne soldaten,
maar door dat wij hem geholpen hadden. Dit hadden wij gedaan uit
vriendschap voor Nearchus, want wij kenden hem voor een basterd bloed,
door zijne blanke huid met blauwe oogen en wit haar. Naderhand ging
Demetrius los op Rhodus, daarheen brachten wij zijne soldaten en
leeftocht over. Toen wij de laatste reis te Rhodus kwamen, was de
oorlog voorbijgegaan. Demetrius was naar Athene gevaren. Toen wij
in de haven kwamen, was het geheele dorp in rouw gedompeld. Friso,
die koning was over de vloot, had een zoon en eene dochter thuis,
zoo bijster frisch alsof zij pas uit Fryasland gekomen waren, en zoo
wonderschoon als niemand heugen mocht. De roep daarvan ging over alle
Krekalanden en kwam in de ooren van Demetrius. Demetrius was vuil en
onzedelijk, en hij dacht dat hem alles vrij stond. Hij liet de dochter
openlijk schaken. De moeder durfde haar joi niet wachten, joi noemen
de schippers vrouwen hare mannen, dat is blijdschap, ook zeggen zij
zoethart. De schippers noemen hunne wijven troost en fro of frow,
dat is vreugde, en frolik dat is aan vreugde gelijk. Omdat zij haren
man niet durfde opwachten, ging zij met haren zoon naar Demetrius,
en smeekte, dat hij haar hare dochter weer zoude geven. Maar als
Demetrius haren zoon zag, liet hij hem naar zijn hof voeren, en
deed met hem eveneens, als hij met zijne zuster gedaan had. Aan de
moeder zond hij een zak vol goud, doch zij smeet het in zee. Toen
zij thuis kwam werd zij waanzinnig, allerwege liep zij over straat:
(roepende) hebt gij mijne kinderen niet gezien, o wee! laat mij bij
u eene schuilplaats zoeken, want mijn man wil mij dooden, omdat
ik zijne kinderen verloren heb. Toen Demetrius vernam, dat Friso
weer thuis was, zond hij een bode tot hem zeggende, dat hij zijne
kinderen tot zich genomen had om hen te voeren tot eene hoogen staat,
en om hem te beloonen voor zijne diensten. Maar Friso, die trotsch en
hartstochtig was, zond een bode met een brief naar zijne kinderen,
daarin vermaande hij hen, zij zouden Demetrius te wille zijn,
vermits deze hun geluk begeerde. Doch de bode had nog een anderen
brief, met vergif, daarbij beval hij hen dit in te nemen; want,
zeide hij, tegen uwen wil is uw ligchaam verontreinigd, dat zal u
niet toegerekend worden, doch indien gij uwe ziel verontreinigt,
zult gij nimmer in Walhalla komen; uwe zielen zullen dan over de
aarde omwaren, zonder het licht te mogen zien; gelijk de vleermuizen
en nachtuilen zult gij steeds bij dag in uwe holen schuilen en des
nachts uitkomen, en dan op onze graven schreijen en huilen, dewijl
Frya haar hoofd van u moet afwenden. De kinderen deden gelijk hun
vader hun bevolen had. De bode liet hunne lijken in de zee werpen, en
aan de menschen werd gezegd, dat zij gevlucht waren. Nu wilde Friso
met alle mannen naar Fryasland varen, waar hij vroeger geweest was;
maar de meesten wilden dat niet doen. Nu ging Friso heen en schoot
het dorp met de koninklijke voorraadschuren in brand. Nu kon en
durfde niemand blijven, en allen waren blijde, dat zij buiten waren;
behalve vrouwen en kinderen hadden wij alles achtergelaten, doch wij
waren geladen met leeftocht en oorlogsgereedschap.

Friso had nog geen vrede. Toen wij bij de oude haven kwamen, ging hij
met zijne stoutmoedige manschappen heen en schoot onverhoeds brand
in de schepen, die hij met zijne pijlen bereiken konde. Na zes dagen
zagen wij de oorlogsvloot van Demetrius op ons toekomen. Friso beval
ons dat wij de kleinste schepen moesten achteruit houden in eene
breede linie; de groote met vrouwen en kinderen vooruit. Voorts
gebood hij, dat wij de kraanbogen van voren moesten wegnemen en
aan den achtersteven bevestigen, want zeide hij, wij behooren al
vluchtende te vechten. Niemand mag zich vermeten, om een enkelden
vijand te vervolgen, alzoo, zeide hij, is mijn besluit. Terwijl
wij daarmede reeds bezig waren, kwam de wind ons voor de boeg
tot schrik van de lafaards en der vrouwen, omdat wij geene slaven
hadden, dan die ons vrijwillig gevolgd waren. Wij konden den vijand
dus niet door roeijen ontkomen. Maar Wralda wist wel, waarom hij
zoo deed. En Friso, die het vatte, liet spoedig de brandpijlen op
de kraanbogen leggen. Tevens gebood hij dat niemand schieten mogt,
voor dat hij geschoten had. Daarop zeide hij, dat wij alle naar het
middelste schip moesten schieten. Is dat doel goed bereikt, zeide hij,
dan zullen de andere hem te hulp komen, dan moet ieder schieten,
zoo hij best kan. Toen wij nu ander half ketting (kabelslengte)
van hen af waren, begonnen de Pheniciers te schieten, maar Friso
beantwoordde dat niet voor dat de eerste pijl op zes vademen van
zijn schip neer viel. Nu schoot hij, de anderen volgden, het geleek
wel een vuurregen, en omdat onze pijlen met den wind medegingen,
bleven zij alle aan den brand en raakten zelfs de derde laag. Alle
mannen gierden en juichten, maar de kreten onzer tegenstanders waren
zoo luide, dat ons het hart benepen werd. Toen Friso meende, dat het
wel toe konde, liet hij afhouden en wij spoedden ons weg. Doch na dat
wij twee dagen voort gesukkeld hadden, kwam er eene andere vloot in
't gezicht van dertig schepen, die ons steeds inwon. Friso liet ons
weer klaar maken; maar de anderen zonden eene lichte snik met roeijers
bemand vooruit. Hunne boden baden uit aller naam, of zij met ons mede
varen mogten. Zij waren Joniers. Door Demetrius waren zij gewelddadig
naar de oude haven gestuurd; daar hadden zij van dit gevecht gehoord;
nu hadden zij het stoute zwaard aangegord, en waren ons gevolgd. Friso,
die veel met Joniers gevaren had, zeide ja; maar Wichhirte onze koning
zeide neen. De Joniers zijn afgoden-dienaren, zeide hij, ik zelf heb
gehoord hoe zij die aanriepen. Friso zeide, dat komt door den omgang
met de echte Krekalanders. Dat heb ik vaak zelf gedaan, en toch ben
ik zoo Fryas als de vroomste van u. Friso was de man, die ons naar
Friesland moest wijzen, dus gingen de Joniers mede. Ook scheen het
naar Wraldas genoegen, want eer drie maanden verloopen waren, gingen
wij langs Brittania, en drie dagen later mochten wij hoezee roepen.





DIT GESCHRIFT IS MIJ OVER NOORDLAND OF SCHOONLAND GEGEVEN.


Ten tijde dat ons land neder zonk, was ik in Schoonland. Daar ging
het zoo toe. Er waren groote meeren, die van den bodem als een
blaas uitzetten, dan spleten zij vaneen, uit de scheuren kwam eene
stof, alsof het gloeijend ijzer was. Er waren bergen, wier kruinen
aftuimelden, deze stortten neder en vernielden wouden en dorpen. Ik
zelf zag, dat een berg van een ander werd afgerukt. Lijnrecht zeeg hij
neder. Toen ik naderhand ging zien, was er een meer ontstaan. Toen
de aarde hersteld was, kwam er een hertog van Lindasburgt met zijn
volk en eene maagd, die alom uitriep: de Magy is schuldig aan al
het leed, dat wij geleden hebben. Zij trokken steeds voort en het
heer werd al grooter. De Magy vluchtte weg, men vond zijn lijk,
hij had zich zelf omgebracht. Toen werden de Finnen verdreven naar
ne plaats, daar mochten zij leven. Er waren ook van gemengd bloed,
deze mochten blijven, doch velen gingen met de Finnen mede. De hertog
werd tot koning gekozen. De kerken, die heel gebleven waren, werden
vernield. Sedert dien tijd komen de goede Noormannen dikwijls op
Texland om raad van de Moeder. Doch wij kunnen hen niet voor rechte
Friezen meer houden. In de Dennemarken is het zeker gegaan, als bij
ons. De zeelieden, die zich zelven stoutelijk zeekampers noemen,
zijn op hunne schepen gegaan, en naderhand zijn zij terug getrokken.


                                 HEIL!


Wanneer de Kroder een tijd heeft voortgekruid, dan zullen de
nakomelingen wanen, dat de leken en gebreken, die de Brokmannen
medegebracht hebben, eigen waren aan hunne voorvaderen. Daarvoor
wil ik waken en dus zoo veel over hunne gewoonten schrijven, als ik
gezien heb. Over de Geertmannen kan ik gereedelijk heenstappen. Ik
heb niet veel met hen omgegaan. Doch zoo veel ik gezien heb,
zijn zij het meest bij hunne taal en zeden gebleven. Dat kan ik
niet zeggen van de anderen. Die van de Krekalanden weg komen, zijn
kwaad ter taal, en op hunne zeden valt niet te roemen. Velen hebben
bruine oogen en haar. Zij zijn nijdig en vrijpostig en bang door
bijgeloovigheid. Wanneer zij spreken, noemen zij de woorden voorop,
die het laatst komen moesten. Tegen ld zeggen zij d, tegen slt,
st, ma voor man, sol voor skil, sode voor skolde, te veel om
te noemen. Ook voeren zij meest zonderlinge en verkorte namen,
waaraan men geene beteekenis hechten kan. De Joniers spreken beter,
doch zij verzwijgen de h, en waar die niet wezen moet, wordt zij
uitgesproken. Wanneer iemand een beeld maakt naar een afgestorvene
en het gelijkt, dan gelooven zij, dat de geest des overledene daarin
vaart. Daarom hebben zij alle beelden verborgen van Frya, Fsta,
Medea, Thiania, Hellenia en vele andere. Wordt er een kind geboren,
dan komen de nabestaanden te zamen, en bidden tot Frya, dat zij hare
dienaressen mag laten komen, om het kind te zegenen. Als zij gebeden
hebben, mag niemand zich verroeren noch laten hooren. Begint het kind
te schreijen en houdt dat eene poos aan, dan is dat een kwaad teeken,
en men is in vermoeden, dat de moeder overspel bedreven heeft. Daarvan
heb ik al erge dingen gezien. Begint het kind te slapen, dan is dat
een teeken, dat de dienaressen gekomen zijn. Lacht het in den slaap,
dan hebben de dienaressen het kind geluk toegezegd. Vervolgens gelooven
zij aan booze geesten, heksen, kollen, aardmannetjes en elfen, alsof
zij van de Finnen afstammen. Hiermede wil ik eindigen en nu meen ik,
dat ik meer geschreven heb, als een mijner voorvaderen. Frethorik.

Frethorik mijn echtgenoot is drieenzestig jaren oud geworden. Sints
honderd en acht jaren is hij de eerste van zijn geslacht, die vreedzaam
gestorven is; alle anderen zijn onder de slagen bezweken, daarom dat
allen kampten met eigen volk en vreemden om recht en plicht.

Mijn naam is Wiljo, ik ben de maagd, die met hem uit de Saksenmarken
naar huis voer. Door taal en omgang kwam het uit, dat wij alle beide
van Adelas geslacht waren; toen ontstond liefde en daarna zijn wij
man en vrouw geworden. Hij heeft mij vijf kinderen nagelaten, twee
zonen en drie dochters. Konereed, zoo heet mijne oudste, Hachgana mijn
tweede, mijne oudste dochter heet Adela, de tweede Frulik en de jongste
Nocht. Toen ik naar de Saksenmarken voer, heb ik drie boeken gered,
het boek der zangen, het boek der verhalen en het Hellenia boek. Ik
schrijf dit, opdat men niet moge denken, dat zij van Apollonia
zijn; ik heb daar veel verdriet over gehad, nu wil dus de eere ook
hebben. Ook heb ik meer gedaan; toen Gosa-Makonta gestorven is, wier
goedheid en helderziendheid tot een spreekwoord geworden is, toen
ben ik alleen naar Texland gegaan, om de schriften over te schrijven,
die zij nagelaten had, en toen de laatste wil gevonden is van Frana,
en de nagelaten schriften van Adela of Hellenia heb ik dat nog eens
gedaan. Dit zijn de schriften van Hellenia. Ik heb ze voorop geplaatst,
omdat zij de alleroudsten zijn.


                        ALLE ECHTE FRIESEN HEIL!


In oude tijden wisten de Slavonische volken niet van vrijheid. Gelijk
ossen werden zij onder het juk gebracht. Zij werden in de ingewanden
der aarde gejaagd om metaal te delven, en uit de harde bergen moesten
zij huizen houwen, tot woningen voor vorsten en priesters. Bij alles
wat zij deden was niets voor hun zelven, maar alles moest dienen, om
de vorsten en priesteren nog rijker en geweldiger te maken, om zich
te verzadigen. Onder dezen arbeid werden zij grijs en stram eer zij
oud waren en stierven zonder genot, ofschoon de aarde dat overvloedig
veel geeft ter bate van al hare kinderen. Maar onze weggeloopenen en
ballingen kwamen door Twiskland over in hunne marken trekken, en onze
zeelieden kwamen in hunne havens. Van deze hoorden zij spreken over
gelijke vrijheid en recht en over wetten, waar niemand buiten kan. Dit
alles werd door de droeve menschen ingezogen als dauw door de dorre
velden. Toen zij vol daar van waren, begonnen de stoutmoedigsten
te klippen met hunne ketenen, zoodat het den vorsten wee deed. De
vorsten zijn trotsch en krijgshaftig, daarom is er ook nog deugd in
hunne harten, zij raadpleegden te zamen, en deelden iets mede van
hunnen overvloed. Maar de laffe schijnvrome priesters konden dat
niet dulden, onder hunne verdichte goden hadden zij ook booze wreede
gedrochten geschapen. De pest kwam over het land, toen zeiden zij dat
de goden toornig waren over de overheersching der boozen. Toen werden
de stoutmoedigste menschen met hunne ketenen gewurgd. De aarde heeft
hun bloed gedronken, met dat bloed voedde zij vruchten en koorn en
al die daarvan aten werden wijs.

Zestien honderd jaren geleden is Atland gezonken, en te dier tijde
gebeurde er iets, waar niemand op gerekend had.

In het hart van Findasland op het gebergte ligt eene vlakte die
geheeten is Kasamyr, dat is, zeldzaam. Aldaar werd een kind geboren,
zijne moeder was de dochter eens konings en zijn vader was een
opperpriester. Om de schaamte te ontkomen moesten zij hun eigen
bloed verzaken. Daarom werd het buiten de stad gebracht bij arme
menschen. Intusschen was den knaap (toen hij grooter werd) niets
verheeld geworden; daarom deed hij alles om wijsheid te verzamelen en
te vergaderen. Zijn verstand was zoo groot, dat hij alles begreep,
wat hij zag en hoorde. Het volk beschouwde hem met eerbied, en de
priesters werden beangst voor zijne vragen. Toen hij meerderjarig
werd, ging hij naar zijne ouders. Zij moesten harde dingen hooren; om
hem kwijt te worden, gaven zij hem een overvloed van edelgesteenten;
maar zij durfden hem niet openlijk erkennen als hun eigen bloed. Met
droefenis overstelpt over de valsche schaamte zijner ouders ging hij
omdwalen. Al voort reizende ontmoette hij een Fryas zeevaarder, die
als slaaf diende, van dezen leerde hij onze zeden en gewoonten. Hij
kocht hem vrij, en tot den dood toe zijn zij vrienden gebleven. Alom
waar hij voorts henen trok, leerde hij aan de menschen dat zij noch
rijken noch priesters moesten toelaten; dat zij zich moesten hoeden
tegen de valsche schaamte, die allerwegen kwaad doet aan de liefde. De
aarde, zeide hij, schenkt hare gaven naarmate men hare huid krabt,
dat men daarin behoort te delven, te ploegen en te zaaijen, zoo men
daarvan maaijen wil. Doch, zeide hij, niemand behoeft iets te doen voor
een ander, zoo het niet met gemeene wil of uit liefde geschiedt. Hij
leerde dat niemand in hare ingewanden mocht wroeten om goud of zilver
of edelgesteenten, waar nijd aan kleeft en liefde van vliedt. Om uwe
meisjes en vrouwen te sieren, zeide hij, geeft haar de rivier water
genoeg. Niemand, zeide hij, is machtig alle menschen tevens rijkdom
en gelijk geluk te geven; doch het is aller menschen plicht om de
menschen alzoo tevens rijk te maken en zooveel genoegen te geven als
te bereiken is. Geene wetenschap, zeide hij, mag men minachten, doch
rechtvaardigheid, is de grootste wetenschap, die de tijd ons leeren
mag. Daarom, dat zij ergernis van de aarde weert, en de liefde voedt.

Zijn eerste naam was Jessos, doch de priesters, die hem zeer haatten,
heetten hem Fo, dat is valsch, het volk heette hem Krishna, dat is
herder, en zijn Friesche vriend noemde hem Buddha (buidel), omdat hij
in zijn hoofd een schat van wijsheid had en in zijn hart een schat
van liefde.

Ten laatste moest hij vluchten om de wraak der priesteren, maar overal
waar hij kwam was zijne leer hem vooruitgegaan, en overal waar hij
ging volgden hem zijne vijanden als zijne schaduw. Toen Jessos zoo
twaalf jaren rondgereisd had, stierf hij, maar zijne vrienden bewaarden
zijne leer en verkondigden die, waar zij ooren vond.

Wat meent gij nu dat de priesters deden? dat moet ik u melden;
ook moet gij er zeer acht op geven, voorts moet gij waken voor
hun bedrijf en ranken met alle krachten, die Wralda in u gelegd
heeft. Terwijl de leer van Jessos over de aarde zich uitbreidde,
gingen de valsche priesters naar het land zijner geboorte, om zijn
dood bekend te maken; zij zeiden dat zij van zijne vrienden waren,
zij veinsden eene groote droefheid door hunne kleederen in stukken
te scheuren en hun hoofd kaal te scheeren. Zij gingen in de holen
der bergen wonen, doch hierin hadden zij hunne schatten gebracht,
daar binnen maakten zij beelden van Jessos. Deze beelden gaven ze aan
de onergdenkende lieden; ten langen laatste zeiden zij dat Jessos een
godheid was, dat hij zelf dit aan hun had beleden, en dat allen die
aan hem en zijne leer gelooven wilden, hiernamaals in zijn koningrijk
zouden komen, waar vreugde is en genietingen zijn. Vermits zij wisten
dat Jessos tegen de rijken was te velde getrokken, verkondigden zij
allerwegen, dat armoede lijden en eenvoudig zijn de deur was om in
zijn rijk te komen, dat degene die op aarde het meeste geleden hadden,
hier namaals de meeste vreugde hebben zouden. Ofschoon zij wisten,
dat Jessos geleerd had, dat men zijne hartstochten overmeesteren en
besturen moest, zoo leerden zij dat men alle zijne hartstochten dooden
moest en dat de volkomenheid des menschen daarin bestond, dat hij
even gevoelloos werd als de koude steen. Ten einde nu het volk wijs
te maken, dat zij zelve zoo deden, veinsden zij armoede op straat,
en om voorts te bewijzen, dat zij al hunne zinnelijke lusten gedood
hadden, namen zij geene vrouwen. Doch zoo ergens eene jonge dochter
een misstap gedaan had, werd haar dat spoedig vergeven; de zwakken,
zeiden zij, moest men helpen, en om zijne eigene ziel te behouden,
moest men veel aan de kerk geven. Dusdoende hadden zij vrouw en
kinderen zonder huishouding, en werden zij rijk zonder werken; maar
het volk werd veel armer en meer ellendig als ooit te voren. Deze
leer, waarbij de priesters geen andere wetenschap noodig hebben,
als bedriegelijk te redeneren, een vrome schijn en ongerechtigheden,
breidde zich zelve van 't oosten naar het westen, en zal ook over
ons land komen.

Maar als de priesters zullen wanen, dat zij al het licht van Frya
en van Jessos leer uitgedoofd hebben, dan zullen er in alle oorden
menschen opstaan, die de waarheid in stilte onder elkander bewaard en
voor de priesters verborgen hebben. Deze zullen wezen uit vorstelijk
bloed, van priesterlijk bloed, van Slavonisch bloed en van Fryas
bloed. Deze zullen hunne fakkels en het licht buiten brengen, zoodat
alle man de waarheid moge zien; zij zullen wee roepen over de daden der
priesters en vorsten. De vorsten, die de waarheid liefhebben en het
recht, die zullen van de priesters afwijken; het bloed zal stroomen,
maar daaruit zal het volk nieuwe krachten vergaderen. Findas volk
zal zijne vindingrijkheid ten gemeenen nutte aanwenden, en Lydas volk
zijne krachten, en wij onze wijsheid. Dan zullen de valsche priesters
weggevaagd worden van de aarde; Wraldas geest zal alom en allerwege
geerd en aangeroepen worden; de wetten die Wralda bij den aanvang
in ons gemoed legde, zullen alleen gehoord worden; daar zullen geene
andere meesters, noch vorsten, noch bazen wezen, als die welke bij
algemeene wil gekozen zijn; dan zal Frya juichen, en de Irtha zal
hare gaven alleen schenken aan den werkenden mensch. Dit alles zal
aanvangen vierduizend jaren nadat Atland verzonken is, en duizend
jaren later zal er langer geen priester noch dwang op aarde zijn.

Dela toegenaamd Hellenia, waak!

Zoo luidde Franas uiterste wil. Alle edele Friesen, heil! In den
naam van Wralda, van Frya en der vrijheid groet ik u, en bid u zoo
ik sterven mocht, eer ik eene opvolgster benoemd heb, dan beveel ik
u Teuntja aan, die Burgtmaagd is op de burgt Medeasblik, tot op heden
is zij de beste.

Dit heeft Gsa nagelaten. Alle menschen heil. Ik heb geene Eeremoeder
benoemd, omdat ik geene wist, en omdat het u beter is geene Moeder
te hebben, dan eene waarop gij u niet verlaten kunt. Een booze tijd
is voorbijgegaan, maar daar komt nog een andere. Irtha heeft hem niet
gebaard, en Wralda heeft hem niet beschoren. Hij komt uit het oosten,
uit den boezem der priesteren weg. Zoo veel leed zal hij broeden,
dat Irtha het bloed niet zal kunnen drinken van hare verslagene
kinderen. Duisternis zal hij over den geest der menschen spreiden,
gelijk onweerswolken over het zonnelicht. Alom en allerwege zullen
list en bedrog met vrijheid en recht kampen. Vrijheid en recht
zullen bezwijken en wij met haar. Maar deze winst zal haar verlies
uitwerken. Van drie woorden zullen onze nakomelingen aan hunne lieden
en slaven de beteekenis leeren. Zij zijn algemeene liefde, vrijheid
en recht. In het eerst zullen zij schitteren, daarna met duisternis
kampen, totdat het helder en klaar wordt in ieders hart en hoofd. Dan
zal de dwang van de aarde geveegd worden, gelijk de donderwolken door
den stormwind, en alle bedrog zal niets meer daar tegen vermogen. Gsa.





HET GESCHRIFT VAN KONERD.


Mijne voorouders hebben achtereenvolgens dit boek geschreven. Dit wil
ik bovenal doen, omdat in mijne staat geene burgt overig is, waarin
de gebeurtenissen opgeschreven worden gelijk te voren. Mijn naam is
Konereed (Koenraad), mijn vaders naam was Frethorik, mijne moeders naam
was Wiliow. Na mijn vaders dood ben ik tot zijn opvolger gekozen. Toen
ik vijftig jaren telde, koos men mij tot opperste Grevetman. Mijn
vader heeft geschreven, hoe de Lindaoorden en de Liudgaarden verwoest
zijn. Lindahem is nog weg, de Lindaoorden voor een deel, de noordelijke
Liudgaarden zijn door de zoute zee bedolven. Het bruissende zeewater
slikt aan den ringdijk der burgt. Gelijk mijn vader vermeld heeft, zijn
de van have beroofde menschen heengegaan en hebben huisjes gebouwd
binnen den ringdijk der burgt, daarom is dat ronddeel nu Liudwerd
geheeten. De zeelieden zeggen Liuwerd, maar dat is wanspraak. In mijne
jeugd was het andere land, dat buiten den ringdijk ligt, alles poel en
broek. Maar Fryas volk is wakker en vlijtig, zij werden moede noch mat,
omdat hun doel ten beste geleidde. Door slooten te delven en kadijken
te maken van de aarde die uit de slooten kwam, hebben wij weder een
goede hemrik buiten den ringdijk, die de gedaante heeft van een hoef,
drie palen oostwaarts, drie palen zuidwaarts en drie palen westwaarts
gemeten. Heden ten dage zijn wij bezig waterpalen te heijen om eene
haven te maken en meteen om onzen ringdijk te beschermen. Als het werk
gereed is, zullen wij zeelieden uitlokken. In mijne jeugd stond het er
hier raar voor, maar tegenwoordig zijn de huisjes reeds huizen die in
reijen staan. Leken en gebreken, die met de armoede waren ingeslopen,
zijn door vlijt uitgedreven. Hier uit kan iedereen leeren, dat Wralda,
onze Alvader, alle zijne schepselen voedt, mits dat zij moed houden
en elkanderen willen helpen.





NU WIL IK OVER FRISO SCHRIJVEN.


Friso die reeds machtig was door zijne manschappen, werd ook tot
opperste Grevetman gekozen door Staverens ommelanden. Hij spotte
met onze wijze van landverdediging en zeestrijden. Daarom heeft
hij eene school gesticht, waarin de knapen leeren vechten naar de
wijze der Krekalanders. Doch ik geloof, dat hij dat gedaan heeft om
het jongvolk aan zijn snoer te binden. Ik heb mijn broeder ook daar
heen gezonden, dat is nu tien jaren geleden. Want dacht ik, nu wij
geene Moeder langer hebben, om den een tegen den ander te beschermen,
behoor ik dubbel te waken, opdat hij niet meester over ons wordt.

Gosa heeft ons geene opvolgster benoemd, daarover wil ik geen oordeel
vellen; maar hier zijn nog oude ergdenkende menschen, die meenen, dat
zij het daarover met Friso eens geworden is. Toen Gosa gestorven was,
wilden de menschen van alle oorden een andere Moeder kiezen. Maar
Friso, die bezig was om een rijk voor zich zelven te maken, Friso
begeerde geen raad noch bode van Texland. Toen de boden der Landsaten
tot hem kwamen, sprak hij en zeide, Gosa, zeide hij, was verziende
geweest en wijzer als alle Graven te zamen, en toch had zij geen
licht noch helderheid in deze zaak gevonden; daarom had zij geen moed
gehad om eene opvolgster te kiezen, en om een opvolgster te kiezen die
twijfelachtig was daar heeft zij kwaad ingezien: daarom heeft zij in
hare uiterste wil geschreven, het is u beter geene Moeder te hebben
als eene, op welke gij u niet verlaten kunt. Friso had veel gezien,
hij was bij den oorlog opgevoed, en van de ranken en listen der Golen
en vorsten had hij juist zoo veel geleerd en vergaard, als hij noodig
had om de andere Graven te voeren, waarheen hij wilde. Zie hier hoe
hij daarmede is te werk gegaan.

Friso had hier eene andere vrouw genomen, eene dochter van
Wilfrthe, die bij zijn leven opperste Graaf te Stavoren geweest
was. Bij deze had hij twee zonen gewonnen en twee dochteren. Door
zijn beleid is Kornelia, zijne jongste dochter, aan mijn broeder
uitgehuwelijkt. Kornelia is geen goed Friesch, en moet Korn-helia
geschreven worden. Weemoed zijne oudste heeft hij aan Kauch
verbonden. Kauch, die ook bij hem ter school ging, is de zoon van
Wichhirte den koning der Geertmannen. Maar Kauch is ook geen goed
Friesch en moet Kaap (koop) wezen. Doch slechte taal hebben zij meer
medegebracht, als goede zeden.

Nu moet ik met mijne geschiedenis terugkeeren.

Na de groote vloed, waarover mijn vader geschreven heeft, waren vele
Jutten en Letten met de ebbe uit de Balda of kwade zee gevoerd. Bij
Kathisgat dreven zij in hunne booten met het ijs op de Denemarker kust,
en zijn daar op blijven zitten. Daar waren nergens geen menschen
in het gezicht. Daarom hebben zij het land in bezit genomen; naar
hunnen naam hebben zij het land Jutland geheeten. Naderhand kwamen
wel vele Denemarkers terug van de hooge landen, maar deze zetten zich
zuidelijker neder. En als de zeelieden terug keerden die niet vergaan
waren, ging de een met den anderen naar de Zee of Eilanden. Door deze
schikking mochten de Jutten het land behouden, waarop Wralda hen
gevoerd had. De Zeelander schippers die zich niet wilden behelpen
of geneeren met visch alleen, en die een grooten afkeer hadden van
de Golen, die gingen toen de Phenicische schepen berooven. Aan
de zuidwestelijke hoek van Schoonland, aldaar ligt Lindasburgt,
toegenaamd Lindasneus, door onzen Apol gesticht, gelijk in dit boek
geschreven staat. Alle kustbewoners en ommelanders waren daar echt
Friesch gebleven, maar door de lust tot wraak tegen de Golen en
tegen de Kaltana volgers, gingen zij met de Zeelanders zamen doen;
maar dat zamen doen heeft geen stek gehouden. Want de Zeelanders
hadden vele verderfelijke zeden en gewoonten overgenomen van de
booze Magyaren, Fryas volk ten spot. Vervolgens ging elk voor zich
zelven rooven, maar als het te pas kwam, dan stonden zij malkander
getrouwelijk bij. Doch ten laatste begonnen de Zeelanders gebrek
te krijgen aan goede schepen. Hunne scheepmakers waren omgekomen,
en hunne wouden waren met grond en al van het land weggevaagd. Nu
kwamen er onverwacht drie schepen bij den ringdijk van onze burgt
voor anker. Door de inbraken van onze landen waren zij verdwaald en
den Flymond misgevaren. De koopman die mede gegaan was, wilde van ons
nieuwe schepen hebben, daartoe hadden zij allerlei kostelijke waren
medegebracht, die zij geroofd hadden van de Kaltanarlanden en van
de Pheniciers schepen. Nadien wij zelve geene schepen hadden, gaf ik
hun flinke paarden en vier gewapende renboden mede naar Friso. Want
te Staveren en langs het Alderga, daar werden de beste oorlogschepen
gemaakt van hard eiken hout, daar nimmer verrotting in komt. Terwijl
de zeekampers bij mij vertoefden, waren sommigen Jutten naar Texland
gevaren en vandaar waren zij naar Friso gewezen. De Zeelanders hadden
vele van hunne grootste knapen geroofd, die moesten op hunne banken
roeijen, en van hunne grootste dochters, om bij deze kinderen te
verwekken. De groote Jutten vermochten het niet te weren, doordien
zij geene goede wapenen hadden. Toen zij hun leed verteld hadden,
en daarover vele woorden gewisseld waren, vroeg Friso ten laatste,
of zij niet een goede haven in hun land hadden. O ja, antwoordden
zij, eene beste, eene door Wralda geschapen. Zij is juist gelijk
uwe bierkruik daar, haar hals is naauw, doch in haar buik kunnen
wel duizend groote booten liggen; maar wij hebben geene burgt, noch
burgtwapenen, om de roofschepen er uit te houden. Dan moest gij er
eene maken, zeide Friso. Goed geraden, antwoordden de Jutten; maar
wij hebben geene ambachtslieden, noch bouwgereedschap; wij alle zijn
visschers en jutters. De anderen zijn verdronken of naar de hooge
landen gevlucht. Middelerwijl zij dus praatten, kwamen mijne boden
met de Zeelander heeren aan zijn hof. Hier moet gij nu opletten,
hoe Friso allen wist te bedotten, tot genoegen van beide partijen
en ten bate van zijn eigen doel. Aan de Zeelanders beloofde hij,
zij zouden jaarlijks vijftig schepen hebben naar vaste afmetingen en
voor vaste gelden, toegerust met ijzeren ketenen en kraanbogen en
met volle tuig, gelijk het voor krijgsschepen noodig en nuttig is;
maar de Jutten zouden zij dan met vrede laten, en al het volk, dat
tot Fryaskinderen behoorde. Ja, hij wilde meer doen; hij wilde al onze
zeekampers uitnoodigen, dat zij mede zouden vechten en rooven. Toen de
Zeelanders vertrokken waren, liet hij veertig oude schepen beladen met
burgtwapenen, hout, hardgebakken steenen, timmerlieden, metselaren, en
smeden om daarmede burgten te bouwen. Witto, dat is witte, zijn zoon,
zond hij mede om toe te zien. Wat er al is voorgevallen, is mij niet
gemeld, maar zoo veel is mij duidelijk geworden, dat aan beide zijden
van den havenmond eene versterkte burgt gebouwd is, en daarin is volk
gelegd, dat Friso uit de Saksenmarken trok. Witto heeft Siuchthirte
bevrijd en tot zijne vrouw genomen. Wilhem, zoo heette haar vader,
hij was opperste Olderman der Jutten, dat is opperste Grevetman of
Graaf. Wilhem is kort daarna gestorven, en Witto is in zijne plaats
gekozen.





WAT FRISO VERDER DEED.


Van zijn eerste vrouw had hij twee zwagers overgehouden, die zeer
kloek waren. Hetto, dat is heete, den jongste zond hij als zendbode
naar Kattaburgt, dat diep in de Saksenmarken ligt. Hij had van
Friso medegekregen zeven paarden, behalve zijn eigen, beladen met
kostbare zaken door de zeekampers geroofd. Bij ieder paard waren twee
jonge zeekampers en twee jonge ruiters met rijke kleederen gekleed,
en met geld in hunne buidels. Gelijk hij Hetto naar Kattenburgt
zond, zoo zond hij Bruno, dat is bruine, den anderen zwager naar
Mannagarda oord; Mannagarda oord is vroeger in dit boek Mannagarda
forda geschreven, maar dat is fout. Alle rijkdommen, die zij mede
hadden, werden naar omstandigheden weggeschonken aan vorsten en
vorstinnen en aan uitverkorene meisjes. Kwamen dan zijne knapen op de
gelagkamer om daar met het jongvolk te dansen, dan lieten zij korven
met kruidkoek en bargen of tonnen van het beste bier komen. Na deze
boden liet hij gedurig jongvolk over de Saksenmarken trekken, die alle
geld in de buidels hadden en alle giften of geschenken medebrachten,
en op de gelagkamer teerden zij steeds onbekommerd voort. Als het nu
gebeurde dat de Saksen knapen daar afgunstig op zagen, dan lachten zij
goedelijk en zeiden: als gij den algemeenen vijand durft bestrijden,
dan kunt gij uw bruid nog veel rijker geschenken geven en dan nog
vorstelijker vertering maken. Alle beide zwagers van Friso zijn
getrouwd met dochters van de aanzienlijkste vorsten, en naderhand
kwamen de Saksische jongelingen en meisjes bij geheele troepen naar
het Flymeer afzakken. De Burgtmaagden en oude maagden, die nog van hare
vroegere grootheid wisten, helden niet over tot Frisos bedrijf; daarom
spraken zij geen goed van hem. Maar Friso, slimmer als zij, liet haar
babbelen. Maar de jonge maagden verknochte hij met gouden vingeren aan
zijne zaak. Zij zeiden allomme: wij hebben langer geene Moeder meer,
maar dat komt daar vandaan dat wij meerderjarig zijn. Tegenwoordig
past ons een koning, opdat wij onze landen terug winnen, die de
Moeders verloren hebben door hare onvoorzichtigheid. Verder spraken
zij: Aan ieder Fryaskind is vrijheid gegeven, zijne stem te laten
hooren, voor dat er besloten wordt bij het kiezen van een vorst,
maar als het zoover komen mogt, dat gij u weder een koning kiest,
dan wil ik ook mijne meening zeggen. Naar al wat ik beschouwen kan, is
Friso daartoe door Wralda gekozen: want hij heeft hem wonderlijk hier
heen geleid. Friso kent de ranken der Golen, wier taal hij spreekt,
hij kan dus tegen hunne listen waken. Dan is er nog iets in het oog
te houden: welken graaf zoude men tot koning kiezen, zonder dat de
anderen daar wangunstig over waren. Al zulke praatjes werden door de
jonge maagden gehouden, maar de oude maagden, ofschoon weinig in getal,
tapten hunne redenen uit een ander vat. Zij spraken allerwegen en
tot iedereen: Friso, zoo spraken zij, doet, gelijk de spinnen doen,
des nachts spant hij zijne netten naar alle zijden en des daags
verschalkt hij daarin zijne onergdenkende vrienden. Friso zegt dat
hij geene priesteren noch vreemde vorsten lijden mag, maar ik zeg,
hij mag niemand lijden dan hem zelven. Daarom wil hij niet gedogen,
dat de burgt Stavia weder opgericht wordt. Daarom wil hij geene Moeder
wer hebben. Vandaag is Friso uw raadgever, maar morgen wil hij uw
koning worden, opdat hij over u allen rechten mag. In den boezem des
volks ontstonden nu twee partijen. De ouden en armen wilden nu weder
eene Moeder hebben, maar het jongvolk, dat vol strijdlust was, wilde
een Vader of koning hebben. De eersten noemden zich Moederszonen,
en de anderen noemden zich Vaderszonen; maar de Moederszonen werden
niet geteld; want omdat er vele schepen gemaakt werden, was hier
overvloed voor de scheepmakers, smeden, zeilmakers, reepmakers en
voor alle andere ambachtslieden. Daarenboven brachten de zeekampers
allerhande sieraden mede. Daarvan hadden de vrouwen genoegen, de
maagden genoegen, de meisjes genoegen, en daarvan hadden alle hunne
bloedverwanten genoegen, en alle hunne goede kennissen en vrienden.

Toen Friso bij de veertig jaren te Staveren had huis gehouden,
stierf hij. Door zijne bemoeijing had hij vele staten weder tot
malkander gebracht, maar of wij daardoor beter werden, durf ik niet
bevestigen. Van alle Graven, die voor hem waren, was er niemand zoo
befaamd als Friso geweest. Doch zoo als ik vroeger zeide, de jonge
maagden spraken zijn lof, terwijl de oude vrouwen alles deden om hem
te laken en hatelijk te maken bij alle menschen. Daarmede nu konden de
oude vrouwen hem wel niet verstoren in zijne bemoeijingen, maar zij
hadden met haar misbaar toch zooveel uitgewerkt, dat hij gestorven
is zonder dat hij koning was.





NU WIL IK SCHRIJVEN OVER ZIJN ZOON ADEL.


Friso die onze geschiedenis had leeren kennen uit het boek der
Adelingen, had alles gedaan om hunne vriendschap te winnen. Zijn
eersten zoon, dien hij hier won bij zijne vrouw Swethirte heeft hij
terstond Adel genoemd. En ofschoon hij kampte met al zijne macht,
om geene burgten te herstellen noch op te bouwen, zond hij toch Adel
naar de burgt te Texland, opdat hij hoe eer hoe beter bekend worden
mocht met alles wat tot onze wetten, taal en zeden behoort. Toen Adel
twintig jaren telde, liet Friso hem naar zijn eigen school komen, en
toen hij daar volleerd was, liet hij hem door alle staten reizen. Adel
was een beminnenswaardige jongman; op zijne reizen heeft hij vele
vrienden gewonnen, daardoor is het gekomen, dat het volk hem Atharik
(vriendenrijk) genoemd heeft, iets dat hem naderhand zoo wel te pas
is gekomen, want toen zijn vader gestorven was, bleef hij in zijne
plaats, zonder dat er over het kiezen van een anderen Graaf sprake
kwam. Terwijl Adel te Texland in de leer was, bevond zich aldaar tevens
eene heel lieve maagd op de burgt. Zij kwam uit de Saksenmarken weg,
uit de staat die genoemd is Suobaland, daarom werd zij te Texland
Suobene genoemd, ofschoon haar naam Ifkja was. Adel had haar lief
gekregen, en zij had Adel lief; maar zijn vader verzocht hem, dat
hij nog wat wachten zoude. Adel was gehoorzaam, maar zoodra zijn
vader gestorven was en hij gezeten, zond hij terstond boden naar
Berthold haren vader (met verzoek) of hij zijne dochter tot vrouw
mogt hebben. Berthold was een vorst van onverbasterde zeden, hij
had Ifkja naar Texland in de leer gezonden in de hoop, dat zij eens
tot burgtmaagd zoude gekozen worden in zijn land. Doch hij had hun
beider begeerte leeren kennen, daarom ging hij heen en gaf hun zijnen
zegen. Ifkja was eene flinke Friesin. Voor zoo verre ik haar heb leeren
kennen, heeft zij steeds gewerkt en gewroet, opdat Fryaskinderen weder
mochten komen onder dezelfde wet en onder eenen bond. Om de menschen
op hare zijde te krijgen, was zij met haren echtgenoot van haren vader
door alle Saksenmarken gereisd en voorts naar Geertmannia. Geertmannia,
zoo hadden de Geertmannen hunne staat geheeten, die zij door Gosas
bemoeijing gekregen hadden. Daarop gingen zij naar de Denemarken. Van
de Denemarken gingen zij te scheep naar Texland. Van Texland gingen
zij naar Westflyland en zoo langs de zee naar Walhallagara. Van
Walhallagara vertrokken zij langs den Zuiderrijn (de Waal), totdat zij
met groote vrees boven den Rijn bij de Marsaten kwamen, waarvan onze
Apollonia geschreven heeft. Toen zij hier eene wijle geweest waren,
gingen zij weer naar de laagte. Als zij nu een tijdlang naar de laagte
afgevaren waren, totdat zij in de streek van de oude burgt Aken kwamen,
zijn er onverhoeds vier knechten vermoord en naakt uitgekleed. Zij
waren een weinig achteraan gekomen. Mijn broeder, die overal bij was,
had hun vaak verboden, doch zij hadden niet geluisterd. De moordenaars
die dat gedaan hadden, waren Twisklanders, die heden ten dage stoutweg
over den Rijn komen te moorden en te rooven. De Twisklanders, dat
zijn gebannen en weggeloopen Fryaskinderen, maar hunne vrouwen hebben
zij van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een bruin Findasvolk,
aldus genoemd, omdat zij alle volken ten strijde uittarten. Zij zijn
allen ruiters en roovers. Daar van daan zijn de Twisklanders evenzoo
bloeddorstig geworden. De Twisklanders, welke die boosheid bedreven
hadden, noemden zich zelven Frijen of Franken. Er waren, zeide mijn
broeder, roode, bruine en witte onder. Die, welke rood of bruin waren,
beten hun haar met kalkwater wit. Naardien echter hunne aangezichten
bruin bleven, werden zij des te leelijker daardoor. Even als Apollonia
beschouwden zij naderhand Lydasburgt en het Alderga. Daarna trokken
zij over Staverens oorden bij hunne lieden rond. Zij hadden zich
zoo beminnelijk aangesteld, dat de menschen hen allerwege houden
wilden. Drie maanden later zond Adel boden naar alle vrienden die hij
gewonnen had en liet hun verzoeken, dat zij in de Minnemaand wijze
lieden tot hem zouden zenden,

zijne vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland had daarvan
een afschrift gekregen. Te Texland, worden nog vele geschriften
gevonden, die niet in het boek der Adelingen overgeschreven zijn. Van
deze schriften had Gosa een bij haar uiterste wil gelegd, 't welk
door de oudste maagd Albetha openbaar gemaakt moest worden, zoodra
Friso gestorven was.





HIER IS DIT GESCHRIFT MET GOSAS RAAD.


Toen Wralda kinderen gaf aan de moeders van het menschelijk geslacht,
toen legde hij ne taal in aller tongen en op aller lippen. Dit
geschenk had Wralda aan de menschen gegeven, opdat zij elkander
daarmede mochten kenbaar maken, wat men vermijden moet en wat men
najagen moet om zaligheid te vinden en zaligheid te houden in alle
eeuwigheid. Wralda is wijs en goed en alles voorziende. Naardien hij nu
wist, dat geluk en zaligheid van de aarde moet vlieden, als de boosheid
de deugd bedriegen kan, zoo heeft hij aan de taal eene regtvaardige
eigenschap verbonden. Deze eigenschap is hierin gelegen, dat men
daarmede geen leugen zeggen, noch bedriegelijke woorden spreken kan
zonder stamelen, noch zonder blozen, waardoor men de boozen van harte
terstond onderkennen kan. Naardien dus onze taal tot geluk en zaligheid
den weg baant, en dus mede waakt tegen de booze neigingen, daarom
is zij met alle recht godestaal (de taal des goeds) genoemd, en alle
degene, die haar in eere houden, hebben daar eere van. Doch wat is er
gebeurd. Zoodra er onder onze halfzusteren en halfbroederen bedriegers
opkwamen, die zich zelf voor dienaren des goeds uitgaven, is dat weldra
anders geworden. De bedriegelijke priesters en de boosaardige vorsten,
die altijd te zamen heulden, wilden naar willekeur leven en buiten de
wetten des goeds handelen. In hunne ondeugendheid zijn zij heen gegaan
en hebben andere talen verzonnen, opdat zij heimelijk konden spreken in
tegenwoordigheid van ieder ander over alle booze dingen en over alle
onwaardige zaken, zonder dat stamelen hen zoude verraden, noch blozen
hun gelaat ontsieren. Maar wat is daaruit geboren? Even gemakkelijk
als het zaad van goede kruiden van onder den grond weg ontkiemt, dat
in 't openbaar gezaaid is door goede menschen bij lichten dag, even
gemakkelijk brengt de tijd de schadelijke kruiden aan het licht, die
gezaaid zijn door booze menschen in het verborgene en bij duisternis.

De wulpsche meisjes en verwijfde knapen, die met de onzedelijke
priesters en vorsten boeleerden, ontlokten die nieuwe talen aan
hunne boelen, derwijze zijn zij verspreid onder de volken, tot dat
zij godestaal glad vergeten hebben. Wilt gij nu weten, wat daarvan
geworden is? Nu het stamelen en de gelaatskleur hunne booze driften
niet meer verrieden, is de deugd van uit haar midden geweken,
de wijsheid is gevolgd en de vrijheid is medegegaan; de eendracht
is te zoek geraakt, en tweespalt heeft hare plaats ingenomen; de
liefde is gevlucht, en de ontucht zit met nijd aan tafel; en waar
vroeger rechtvaardigheid heerschte, heerscht nu het zwaard. Allen
zijn slaven, de lieden van hunne heeren van nijd, booze lusten en
begeerlijkheid. Hadden zij nu maar ne taal uitgevonden, mogelijk
was het dan nog eene wijle goed gegaan. Maar zij hebben zoo vele talen
uitgevonden als er staten zijn. Daardoor kan het eene volk het andere
volk even min verstaan als de koe den hond of de wolf het schaap. Dit
kunnen de zeelieden betuigen. Doch daar van daan is het nu gekomen,
dat alle slavenvolken elkander als andere menschen beschouwen, en dat
zij tot straf van hunne onbezonnenheid en vermetelheid elkander zoo
lang moeten beoorlogen en bestrijden tot dat zij alle verdelgd zijn.





HIER IS NU MIJN RAAD.


Zijt gij alzoo begeerig, dat gij de aarde alleen wilt berven, zoo
behoort gij nimmer meer eene andere taal over uwe lippen te laten komen
als godestaal, en dan behoort gij te zorgen, dat uw eigen taal vrij
blijft van uitheemsche klanken. Wilt gij nu dat er sommige van Lydas
kinderen en van Findas kinderen blijven, dan doet gij even zoo. De
taal der Oost Schoonlanders is door de vuile Magyaren verdraaid; de
taal der Keltana volgers is door de smerige Golen verdorven. Nu zijn
wij zoo mild geweest om de terugkeerende Hellenia volgers weder in
ons midden te nemen, maar ik schroom en ben zeer bezorgd, dat zij onze
mildheid zullen vergelden met verontreiniging van onze zuivere taal.

Veel hebben wij wedervaren, maar van alle burgten die door de booze
tijd verstoord en verdelgd zijn, heeft Irtha Fryasburgt onverlet
behouden; ook mag ik daar bij vermelden dat Fryas of Gods taal hier
even ongeschonden behouden is.

Hier op Texland moest men dus scholen stichten; van alle staten, die
het met de oude zeden houden, moest het jong volk hier heen gezonden
worden; daarna mochten zij die volleerd waren, de anderen helpen die
te huis verbeiden. Willen de andere volken ijzerwaren van u koopen
en daarover met u spreken en dingen, dan moeten zij tot godestaal
terugkeeren. Leeren zij Godstaal, dan zullen de woorden vrij zijn en
recht hebben tot hen inkomen, in hun brein zal het dan beginnen te
glimmen en te gloren tot dat alles tot eene vlam wordt. Deze vlam
zal alle slechte vorsten verteeren en alle schijnvrome en smerige
priesters.

De inlandsche en uitlandsche zendboden hadden genoegen van dat
geschrift, doch er kwamen geene scholen. Toen stichtte Adel zelf
scholen, na hem deden de andere vorsten hetzelfde. Jaarlijks gingen
Adel en Ifkja de scholen in oogenschouw nemen. Bevonden zij dan onder
de inlanders of buitenlanders zoodanige, die elkander vriendschap
toedroegen, dan lieten zij beide groote blijdschap blijken. Hadden
sommige zoodanige elkander vriendschap gezworen, dan lieten zij
alle menschen bij elkander komen, en met groote staatsie lieten
zij dan hunne namen in een boek schrijven, door hun het boek der
vriendschap genoemd: daarna werd feest gevierd. Al deze gebruiken
werden onderhouden om de afzonderlijke takken van Fryas stam weder
te zamen te snoeren. Doch de maagden die op Adel en Ifkja afgunstig
waren zeiden, dat zij het nergens anders om deden, dan om een goeden
roep en om allengs te heerschen over een anders staat.

Bij mijn vaders schriften heb ik een brief gevonden geschreven door
Luidgert den Geertman, behalve sommige zaken die mijn vader alleen
aangaan, geef ik hier het andere ten beste.

Pangab, dat is vijf wateren, en waar nevens wij weg komen, is
eene rivier van bijzondere schoonheid, en vijf wateren genoemd,
omdat vier andere rivieren door zijn mond in zee stroomen. Heel
verre oostwaarts is nog eene groote rivier, de heilige of vrome
Ganges geheeten. Tusschen deze beide rivieren is het land der
Hindos. De beide rivieren loopen van de hooge bergen naar de laagte
neer. Die bergen, waar zij van afstroomen, zijn zoo hoog, dat zij
tot den hemel reiken (laia), daarom wordt het gebergte Himmellaia
gebergte genoemd. Onder de Hindos en andere uit die landen zijn er
sommige lieden die in stilte bij elkander komen. Zij gelooven dat
zij onverbasterde kinderen van Finda zijn. Zij gelooven dat Finda
van uit het Himmellaia gebergte geboren is, van waar zij met hare
kinderen naar de delte of de laagte getrokken is. Sommigen onder hen
gelooven, dat zij met hare kinderen op het schuim van de heilige Ganges
naar beneden gegaan is. Daarom zoude die rivier de heilige Ganges
heeten. Maar de priesters die uit een ander land weg komen lieten
die menschen opsporen en verbranden; daarom durven zij voor hunne
zaak niet openlijk uitkomen. In dit land zijn alle priesters dik en
rijk. In hunne kerken worden allerlei gedrochtelijke beelden gevonden,
daaronder zijn vele van goud. Bewesten Pangab zijn de Yren (Iraniers)
of wrangen (Drangianen), de Gedrosten (Gedrosiers) of weggeloopenen,
en de Urgetten  of vergetenen. Al deze namen zijn hun door de
nijdige priesters gegeven, omdat zij hen ontvlieden wegens de zeden
en het geloof. Bij hunne komst hadden onze voorouders zich ook aan
den oostelijken oever van den Pangab neergezet, maar om der priesteren
wille zijn zij ook naar den westelijken oever gevaren. Daardoor hebben
wij de Yren en anderen leeren kennen. De Yren zijn geen wilden,
maar goede menschen, die geen beelden toelaten noch aanbidden: ook
willen ze geen kerken noch priesteren dulden, en even als wij het
heilige licht van Fasta aanhouden, zoo houden zij allerwege vuur
in hunne huizen brandende. Komt men later heel westelijk, zoo komt
men bij de Gedrosten. Van de Gedrosten: deze zijn met andere volken
verbasterd, en spreken alle afzonderlijke talen. Deze menschen zijn
wezenlijk wilde moordenaren, die altijd met hunne paarden over de
velden dwalen, die altijd jagen en rooven, en die zich als soldaten
verhuren aan de omwonende vorsten, ter wier wille zij alles neder
houwen, wat zij kunnen bereiken. Het land tusschen den Pangab en de
Ganges is even vlak als Friesland aan de zee, afgewisseld met velden
en wouden, vruchtbaar in alle deelen; maar dit kan niet beletten dat
daar bijwijlen duizenden bij duizenden van honger bezwijken. Deze
hongersnood mag daarom noch aan Wralda, noch aan Irtha geweten
worden: maar alleen aan de vorsten en priesters. De Hindos zijn
even bloode en vervaard voor hunne vorsten als de hinden voor de
wolven zijn. Daarom hebben de Yren en anderen hen Hindos genoemd,
dat hinden beteekent. Maar van hunne blooheid wordt afschuwelijk
misbruik gemaakt. Komen er uitheemsche kooplieden om koren te koopen,
dan wordt alles te gelde gemaakt, en door de priesters wordt het niet
geweerd, want deze nog listiger en hebzuchtiger als alle vorsten te
zamen, weten heel goed, dat al het geld eindelijk in hunne buidels
komt. Buiten en behalve dat de menschen daar veel van hunne vorsten
lijden, moeten zij ook nog veel van het vergiftige en wilde gedierte
lijden. Daar zijn groote olifanten, die bij geheele kudden loopen, die
soms geheele koornvelden vertrappen en geheele dorpen. Daar zijn bonte
en zwarte katten, tijgers geheeten, die zoo groot als groote kalveren
zijn, die mensch en dier verslinden. Buiten vele andere kruipende
dieren zijn er slangen van de grootte van een worm af tot de grootte
van een boom. De grootste kunnen eene geheele koe verslinden, maar
de kleinste zijn nog vreeselijker als die. Zij houden zich tusschen
bloemen en vruchten verscholen om de menschen te overrompelen, die
ze willen afplukken. Is men daardoor gebeten zoo moet men sterven,
want tegen haar vergif heeft Irtha geene kruiden gegeven, alzoo dat de
menschen zich hebben schuldig gemaakt aan afgoderij. Voorts zijn daar
allerlei soort van hagedissen, schildpadden en krokodillen; al deze
disken zijn evenals de slangen van een worm tot een boomstam groot;
naar dat zij groot of vreeselijk zijn, zijn hunne namen, die ik alle
niet noemen kan, de allergrootste adisken heeten alligators omdat zij
even gretig bijten in het verrotte vee, dat met de stroom van boven
naar de laagte drijft, als in het levende gedierte, dat zij kunnen
overrompelen. Aan de westzijde van Pangab, waar wij van daan komen,
en waar ik geboren ben, bloeijen en groeijen dezelfde vruchten en
granen als aan de oostzyde. Te voren werden er ook dezelfde kruipende
dieren gevonden, maar onze voorvaderen hebben alle kreupelbosschen
verbrand, en al zoo vaak achter het wilde gedierte gejaagd, dat er
slechts weinige meer over zijn. Komt men heel westelijk van Pangab,
dan vindt men nevens vetten kleigrond ook dorre geestlanden, die
eindeloos schijnen, bij wijlen afgewisseld met liefelijke streken,
waaraan het oog geboeid blijft. Onder de vruchten van het land zijn
er vele, die ik hier niet gevonden heb. Onder allerlei koorn is er
ook goudgeel; ook goudgeele appelen, van welke sommige zoet zijn als
honing, en andere zoo wrang als azijn. Bij ons worden noten gevonden
zoo groot als kinderhoofden; daar zit kaas en melk in; worden ze
oud dan maakt men er olie van; van de bast maakt men touw, en van de
kernen maakt men kelken en ander huisraad. Hier in de wouden heb ik
kruip- en steekbessen gezien. Bij ons zijn bessenboomen zoo groot als
uwe lindeboomen, waarvan de bessen veel zoeter en driewerf grooter
zijn als uwe doornbessen zijn. Wanneer de dagen op het langste zijn
en de zon uit het toppunt schijnt, dan schijnt ze lijnrecht op uw
hoofd neder. Is men dan met zijn schip heel ver zuidelijk gevaren,
en men des middags met zijn gelaat naar het oosten gekeerd, zoo
schijnt de zon tegen uwe linkerzijde, gelijk zij anders aan uwe
rechterzijde doet. Hiermede wil ik eindigen, maar na mijn schrijven
zal het u licht genoeg vallen, om de leugenachtige verhalen te kunnen
schiften van de ware berichten. Uw Liudgert.





HET GESCHRIFT VAN BEEDEN.


Mijn naam is Beeden, zoon van Hachgane. Konereed mijn oom is nooit
getrouwd geweest en alzoo kinderloos gestorven. Mij heeft men in zijne
plaats gekozen. Adel, de derde koning van dezen naam, heeft die keuze
goedgekeurd, mits ik hem als mijn meester erkennen wilde. Behalve
het volle erf van mijn oom, heeft hij mij eene plek gronds gegeven,
die aan mijn erf paalde, onder voorwaarde, dat ik daarop menschen
zoude stellen, die zijne lieden nimmer zouden ...

daarom wil ik dit hier eene plaats vergunnen.





BRIEF VAN RIKA DE OUDMAAGD, VOORGELEZEN TE STAVEREN BIJ HET JUULFEEST.


Gij allen wier voorvaderen met Friso hier kwamen, mijne eerbiedenis
tot u. Gelijk gij meent, zijt gij niet schuldig aan afgoderij. Daar
wil ik heden niet over spreken, maar heden wil ik u op een gebrek
wijzen, dat weinig beter is. Gij weet het of gij weet het niet,
hoe Wralda duizend eernamen heeft. Doch dat weet gij allen, dat
hij Alvoeder wordt genoemd, uit oorzaak dat alles uit hem wordt
en wast tot voeding van zijne schepselen. Het is waar, dat Irtha
bijwijlen ook Alvoedster genoemd wordt, omdat zij alle vruchten en
granen baart, waarmede mensen en dier zich voeden. Doch zij zoude
geene vruchten en granen baren, bijaldien Wralda haar geene krachten
gaf. Ook vrouwen, die hare kinderen zogen aan hare borsten, worden
voedsters genoemd. Doch gaf Wralda daar geene melk in, zoo zouden
de kinderen daar geen baat bij vinden. Zoodat bij slot van rekening
Wralda alleen de voeder blijft. Dat Irtha bijwijlen Alvoedster
geheeten wordt, en eene mem (moeder) voedster, kan nog door eene
wending (overdrachtelijke spreekwijze): maar dat een taat (vader)
zich voeder laat noemen, omdat hij taat is, strijdt tegen alle reden.

Doch ik weet, waar deze dwaasheid van daan komt. Hoor hier, zij komt
van onze vijanden (ltha) en wanneer die gevolgd worden, zoo zult
gij daardoor slaven worden tot smart van Frya en tot straf van uwen
hoogmoed. Ik zal u melden, hoe het bij de slavenvolken toegegaan is,
daaruit moogt gij leeren. De vreemde koningen, die naar willekeur
leven, steken Wralda naar de kroon; uit nijd dat Wralda Alvader heet
wilden zij ook vaderen der volken genoemd worden. Nu weet iedereen
dat een koning niet over den wasdom heerscht, en dat hem zijne voeding
door het volk gebracht wordt; maar toch wilden zij volharden bij hunne
vermetelheid. Opdat zij tot hun doel mochten komen, zoo zijn zij
in het eerst niet voldaan geweest met de vrije giften, maar hebben
het volk eene schatting opgelegd. Voor de schat, die daarvan kwam,
huurden zij buitenlandsche soldaten, die zij rondom hunne hoven
legden. Vervolgens namen zij zoo vele vrouwen, als hun lustte, en
de kleine vorsten en heeren deden eveneens. Toen naderhand twist
en tweespalt in de huishouding sloop, en daarover klachten kwamen,
hebben zij gezegd: ieder man is de vader (voeder) van zijn huisgezin,
daarom zal hij ook meester en rechter daarover wezen. Toen kwam de
willekeur, en even als die met de mannen over het huisgezin heerschte,
ging zij ook met de koningen over de volken doen. Toen de koningen het
zoo ver gebracht hadden, dat zij vaderen der volken heetten, gingen zij
heen en lieten beelden naar hunne gedaante maken; deze beelden lieten
zij in de kerken stellen naast de beelden der afgoden, en degene die
daar niet voor buigen wilde, werd omgebracht of in ketenen gedaan. Uwe
voorvaderen en de Twisklanders hebben met de vreemde koningen omgegaan,
daarvan hebben zij deze dwaasheid geleerd. Doch niet alleen dat sommige
uwer mannen zich schuldig maken aan roof van eernamen, ook moet ik
mij over vele uwer wijven beklagen. Worden bij u mannen gevonden,
die zich met Wralda op eene lijn willen stellen, er worden bij u ook
wijven gevonden, die dit met Frya willen doen. Omdat zij kinderen
gebaard hebben, laten zij zich moeder noemen. Doch zij vergeten, dat
Frya kinderen baarde zonder toegang eens mans. Ja, niet alleen hebben
zij Frya en de Eeremoeders van hare eervolle namen willen berooven,
met welke zij toch niet zich gelijk kunnen stellen; zij doen het even
zoo met de eernamen van hare naasten. Er zijn wijven, die zich vrouwe
laten noemen, ofschoon zij weten, dat deze naam alleen aan vrouwen
van vorsten toebehoort. Ook laten zij hare dochters maagden noemen,
ondanks zij weten, dat geene jonge dochter zoo heeten mag, tenzij
zij tot eene burgt behoort. Gij allen waant, dat gij door dat naam
stelen beter wordt, doch gij vergeet, dat er afgunst aankleeft, en
dat elk kwaad zijne tuchtroede zaait. Keert gij niet terug, zoo zal
de tijd daar wasdom aan geven, zoo sterk, dat men er het eind niet
van kan zien. Uwe nakomelingen zullen daarmede gegeeseld worden;
zij zullen niet begrijpen, waar die slagen van daan komen. Maar
ofschoon gij de maagden geene burgten bouwt en aan het lot overlaat,
toch zullen er blijven, zij zullen uit wouden en holen komen, zij
zullen uwe nakomelingen bewijzen, dat gij daar moedwillig schuldig
aan zijt. Dan zal men u verdoemen, uwe schimmen zullen vervaard uit
hunne graven oprijzen, zij zullen Wralda, zij zullen Frya en hare
maagden aanroepen, doch niemand zal er iets aan kunnen verbeteren,
bevorens het Juul een anderen loopkring intreedt, maar dat zal eerst
gebeuren als drie duizend jaren verloopen zijn na deze eeuw.


                         Einde van Rikas brief.





daarom wil ik eerst over zwarte Adel schrijven. Zwarte Adel was de
vierde koning na Friso. In zijne jeugd heeft hij op Texland geleerd,
naderhand heeft hij te Staveren geleerd, en vervolgens heeft hij door
alle staten gereisd. Toen hij vier en twintig jaar oud was, heeft zijn
vader gemaakt dat hij tot Asega Asker gekozen is. Toen hij eenmaal
Asker was, eischte hij altijd in het voordeel van de armen. De rijken,
zeide hij, plegen genoeg ongerechte dingen door middel van hun geld,
daarom behooren wij te zorgen, dat de armen naar ons omzien. Door
deze en andere redeneringen, was hij de vriend der armen en de schrik
der rijken. Het is zoo erg gekomen, dat zijn vader hem naar de oogen
zag. Toen zijn vader gestorven was, heeft hij diens zetel beklommen,
toen wilde hij even goed zijn ambt behouden gelijk de koningen van
het oosten plegen te doen. De rijken wilden dat niet dulden, maar
nu liep al het andere volk te hoop, en de rijken waren blijde dat
zij heelhuids van de vergadering afkwamen. Van toen aan hoorde men
nimmer meer over gelijkheid van recht praten. Hij veroordeelde de
rijken en hij vleide de armen, met wier hulp hij alle zaken eischte,
daar hij bestek op had. Koning Askar, gelijk hij altijd genoemd werd,
was bij de zeven aardvoet lang, en zoo groot zijne gestalte was,
waren ook zijne krachten. Hij had een helder verstand, zoodat hij
alles verstond, waarover gesproken werd, doch in zijn doen kon men
geene wijsheid bespeuren. Bij een schoon gelaat had hij eene gladde
tong, maar nog zwarter als zijn haar is zijne ziel bevonden. Toen
hij een jaar koning was, noodzaakte hij alle jongelingen uit zijn
staat, om jaarlijks in het kamp te komen en daar een schijnoorlog te
maken. In het eerst had hij daar moeite mede, maar ten laatste werd
het zoo manierlijk, dat oud en jong uit alle oorden weg kwamen, om te
vragen, of zij mochten mede doen. Toen hij het zoo ver gebracht had
liet hij krijgscholen stichten. De rijken kwamen te klagen en zeiden,
dat hunne kinderen geen lezen of schrijven meer leerden. Askar sloeg
er geen acht op, maar toen er kort daarop weer schijnoorlog gehouden
werd, ging hij op een gestoelte staan en sprak luidde. De rijken zijn
tot mij gekomen te klagen, dat hunne knapen geen lezen of schrijven
genoeg leeren; ik heb daar niets op gezegd; doch hier wil ik mijne
meening zeggen, en de algemeene vergadering laten beslissen. Toen
elk nu nieuwsgierig tot hem op zag zeide hij verder: Naar mijn begrip
moet men tegenwoordig het lezen en schrijven aan de maagden en wijze
lieden overlaten. Ik wil geen kwaad spreken van onze voorvaderen,
ik wil alleen zeggen, in die tijden, waarop door sommigen zoo hoog
geroemd wordt, hebben de Burgtmaagden tweespalt over onze landen
gebracht en de Moeders voor en na konden de tweespalt niet weder
uit het land drijven. Nog erger, terwijl zij praatten en keuvelden
over noodelooze gewoonten, zijn de Golen gekomen en hebben al
onze schoone zuiderlanden geroofd. Heden ten dage zijn zij met onze
verbasterde broeders en hunne soldaten reeds over de Schelde gekomen,
er schiet ons dus over te kiezen tusschen het dragen van een juk of
een zwaard. Willen wij vrij zijn en vrij blijven, zoo behooren de
jongelieden het lezen en schrijven voorhands achterwege te laten,
en in stede dat zij op hun gezelschappen wip en zwik spelen, moeten
zij met zwaard en speer spelen. Zijn wij in allen deele geoefend,
en de knapen groot genoeg om helm en schild te dragen en de wapenen
te hanteeren, dan zal ik mij met uwe hulp op de vijanden werpen. De
Golen mogen dan de nederlagen van hunne helpers en soldaten op onze
velden schrijven met het bloed dat uit hunne wonden druipt. Hebben
wij den vijand eenmaal voor ons uitgedreven, zoo moeten wij daarmede
voortgaan, tot dat er geen Golen, noch Slaven, noch Tartaren meer
van Fryas erf te verdrijven zijn.--Dat is recht, riepen de meesten,
en de rijken durfden hunne monden niet open doen. Deze toespraak had
hij zeker te voren bedacht en laten overschrijven, want des avonds van
dien zelfden dag waren de afschriften daarvan in wel twintig handen;
en die alle waren eensluidend. Naderhand beval hij de scheepslieden,
zij moesten dubbele voorstevens maken, waaraan men eene stalen
kraanboog kon bevestigen. Die hierin achterwege bleef werd beboet;
kon iemand zweeren, dat hij geene middelen bezat, dan moesten de
rijken van het dorp het betalen. Nu zal men zien, waarop al dat boha
uitgeloopen is. Aan het noordeinde van Brittannia dat vol met hooge
bergen is, daar zit een Schotsch volk, voor het meerendeel uit Fryas
bloed gesproten; voor het eene deel zijn zij uit de Keltana-volgers,
voor het ander gedeelte uit Britten en vluchtelingen, die allengs met
der tijd uit de tinlanden derwaarts vluchtten. Die uit de tinlanden
kwamen, hebben al te gader buitenlandsche vrouwen of van buitenlandsch
ras. Zij zijn alle onder de heerschappij der Golen, hunne wapenen
zijn houten bogen en sprieten met punten van hertshoornen, of ook van
flinten. Hunne huizen zijn van zoden en stroo, en sommigen wonen in
de holen der bergen. Schapen, die zij geroofd hebben, is hun eenige
schat. Onder de afstammelingen van de Keltanavolgers hebben sommigen
nog ijzeren wapenen, die zij van hunne voorvaderen gerfd hebben. Om nu
goed verstaan te worden, moet ik mijn verhaal over het Schotsche volk
laten rusten, en iets van de heinde Krekalanden (Italie) schrijven. De
heinde Krekalanden hebben te voren ons alleen toebehoord, maar sedert
onheugelijke tijden hebben zich daar ook nakomelingen van Lyda en
Finda nedergezet, van deze laatsten kwamen eindelijk een heele hoop
van Troje. Troja alzoo heeft eene stad geheeten, die het volk van de
verre Krekalanden (Griekenland) heeft ingenomen en verwoest. Toen de
Trojanen in de heinde Krekalanden genesteld waren, toen hebben zij
daar met tijd en vlijt eene sterke stad met wallen en burgten gebouwd,
Rome, dat is Ruim, geheeten. Toen dat gedaan was, heeft het volk
zich door list en geweld van het geheele land meester gemaakt. Het
volk, dat aan de zuidzijde der Middellandsche zee huist, is voor
het meerendeel uit Phoenicie weg gekomen. De Phoeniciers (Puniers)
zijn een basterd volk, zij zijn van Fryas bloed en van Findas bloed
en van Lydas bloed. Het volk van Lyda is daar als slaven, maar door
de ontucht der vrouwen hebben deze zwarte menschen al het andere
volk verbasterd en bruin geverfd. Dit volk en die van Rome kampen
gestadig om het meesterschap van de Middellandsche Zee. Voorts leven
die van Rome in vijandschap met de Phoeniciers. En hunne priesteren,
die het rijk alleen beheerschen willen over de aarde, mogen de Golen
niet zien. Eerst hebben zij den Phoeniciers Missellia afgenomen,
daarna alle landen die zuidwaarts, westwaarts en noordwaarts
liggen, ook het zuiderdeel van Brittannia, en allerwege hebben zij
de Phoenicische priesters, dat is de Golen, verjaagd; daarop zijn
duizende Golen naar Noordbrittannia getogen. Kort verleden was daar
de opperste der Golen gezeten op de burgt, die geheeten is Kerenak,
dat is hoek, van waar hij zijne bevelen gaf aan alle Golen. Ook was
daar al hun goud te zamen gebracht. Keeren herne (uitverkoren hoek) of
Kerenak is eene steenen burgt, die aan Kalta behoorde. Daarom wilden
de Maagden van de nakomelingen der Kaltana-volgers de burgt weder
hebben. Alzoo was door de vijandschap der Maagden en der Golen veete
en twist over het Bergland gekomen met moord en brand. Onze zeelieden
kwamen daar dikwijls wol halen, die zij kochten voor bereide huiden
en linnen. Askar was dikwijls mede geweest; in stilte had hij met de
Maagden en met sommige vorsten vriendschap gesloten, en zich verbonden,
om de Golen te verjagen uit Kerenak. Toen hij daarna weder terug kwam,
gaf hij de vorsten en krijgshaftigste mannen ijzeren helmen en stalen
bogen. De oorlog was mede gekomen en kort daarna vloeiden stroomen
bloed bij de hellingen der bergen neder. Toen Askar meende, dat de kans
hem toelachte, ging hij met veertig schepen heen, en nam Kerenak en den
opperste der Golen met al zijn goud. Het volk waarmede hij tegen de
soldaten der Golen had gestreden, had hij uit de Saksenmarken gelokt
met beloften van grooten krijgsbuit en roof. Dus werd den Golen niets
gelaten. Naderhand nam hij twee eilanden tot bergplaats voor zijne
schepen, en vanwaar hij later uitging, om alle Phoenicische schepen
en steden te berooven, die hij beloopen konde. Toen hij terug kwam
bracht hij bijna zeshonderd der grootste knapen van het Schotsche
bergvolk mede. Hij zeide, dat zij hem tot borgen gegeven waren, opdat
hij zeker wezen mocht, dat de ouders hem getrouw zouden blijven;
doch dat was onwaar, hij hield die als eene lijfwacht aan zijn hof,
waar zij dagelijks les kregen in het rijden en in het hanteeren van
allerlei wapenen. De Dennemarkers, die zich sinds lang boven alle
andere zeelieden, trotschelijk zeekampers noemen, hadden zoodra
niet van Askars glorierijke daden gehoord, of zij werden daarop
afgunstig, dermate dat zij oorlog wilden brengen over de zee en over
zijne landen. Zie hier, hoe hij een oorlog konde vermijden. Tusschen
de bouwvallen van de verwoeste burgt Stavia was nog een schrandere
Burgtmaagd met eenige Maagden gevestigd. Haar naam was Reintja en er
ging een groote roep van hare wijsheid uit. Deze Maagd bood Askar
hare hulp aan, onder beding, dat Askar de burgt Stavia weder zoude
laten opbouwen. Toen hij zich hiertoe verbonden had, ging Reintja met
drie Maagden naar Hals; 's nachts ging zij reizen, en bij dag sprak
zij op alle markten en in alle gezelschappen. Wralda, zeide zij,
had haar door donder laten toeroepen, dat al het Fryas volk vrienden
moest worden, als zusters en broeders vereenigd; anders zoude Findas
volk komen en hen alle van de aarde verdelgen. Na dien donder waren
Fryas zeven waakmaagden haar in den droom verschenen, zeven nachten
achtereen; zij hadden gezegd: boven Fryas landen zwabbert ramp met juk
en ketenen. Daarom moeten alle volken, die uit Fryas bloed gesproten
zijn, hunne toenamen wegwerpen en zich alleen Fryaskinderen of Fryas
volk noemen. Voorts moeten allen opstaan en Findas volk van Fryas
erf verdrijven. Willen ze dat niet doen, zoo zullen zij slavenbanden
om hunne halzen krijgen; zoo zullen de buitenlandsche heeren hunne
kinderen misbruiken en laten geesselen, totdat het bloed zijgt in uwe
graven. Dan zullen de schimmen uwer voorvaderen u komen wekken en u
bekijven over uwe lafheid en onbezonnenheid. Het domme volk, dat door
toedoen der Magyaren reeds aan zoo veel dwaasheid gewend was, geloofde
alles wat zij zeide, en de moeders klemden hare kinderen tegen hare
borsten aan. Toen Reintja den koning van Hals en alle andere menschen
tot eendracht had overgehaald, zond zij boden naar Askar en toog zelve
langs de Baltische zee; van daar ging zij bij de Lithauers, alzoo
genoemd omdat zij hunne vijanden altijd naar het aangezicht houwen. De
Lithauwers zijn voortvluchtigen en verbannenen van ons eigen volk, dat
in de Twisklanden zit en omdwaalt. Hunne vrouwen hebben zij meest alle
van de Tartaren geroofd. De Tartaren zijn een deel van Findas geslacht,
en aldus door de Twisklanders genoemd, omdat zij nimmer geen vrede
willen, maar de menschen altijd uittarten tot strijden. Voorts ging
zij achter de Saksenmarken, dwars door de andere Twisklanden heen,
om allerwege dat zelfde te verkondigen. Nadat twee jaren om waren,
kwam zij langs den Rijn te huis. Bij de Twisklanders had zij zich
zelve voor Moeder uitgegeven, en gezegd, dat zij mochten als vrije
en franke menschen terugkomen; maar dan moesten zij over den Rijn
gaan, en de Gola volgers uit Fryas zuiderlanden verjagen. Als zij dat
deden, dan zoude haar koning Askar over de Schelde gaan en daar het
land afwinnen. Bij de Twisklanders zijn vele kwade gewoonten van de
Tartaren en Magyaren binnengeslopen, maar er zijn ook vele van onze
zeden gebleven. Daardoor hebben zij ook nog Maagden, die de kinderen
onderwijzen en de ouden raad geven. In den beginne waren zij Reintja
vijandig, maar ten laatste werd zij door haar gevolgd en gediend en
allerwege geprezen, waar het nuttig en noodig was. Zoodra Askar van
Reintjas boden vernam, hoe de Jutten gezind waren, zond hij terstond
boden van zijnentwege naar den koning van Hals. Het schip, waarmede de
boden gingen, was vol geladen met vrouwen sieraden, en daarbij was een
gouden schild, waarop Askars gedaante kunstig was afgebeeld. Deze boden
moesten vragen of Askar des konings dochter Frethogunsta tot zijne
vrouw mocht hebben. Frethogunsta kwam een jaar later te Staveren;
bij haar gevolg was ook een Magy, want de Jutten waren sedert lang
verdorven. Kort nadat Askar met Frethogunsta getrouwd was, werd er te
Staveren eene kerk gebouwd; in de kerk werden booze gedrochtelijke
beelden gesteld, met goud doorwevene kleederen. Ook is er beweerd
dat Askar bij nacht en bij ontijde met Frethogunsta zich daar voor
nederboog. Maar zooveel is zeker, de burgt Stavia werd niet weder
opgebouwd.

Reintja was reeds teruggekomen, en ging nijdig naar Prontlik de Moeder
te Texland zich beklagen. Prontlik ging heen en zond allerwege boden,
die verkondigden: Askar is overgeven aan afgoderij. Askar deed alsof
hij het niet merkte, maar onverwacht kwam er een vloot uit Hals. Des
nachts werden de Maagden uit de burgt gedreven, en des ochtens konde
men van de burgt slechts eene gloeijende puinhoop zien. Prontlik en
Reintja kwamen bij mij om eene schuilplaats; toen ik daar later over
nadacht, scheen het mij toe dat het kwaad voor mijne staat bedijen
konde. Daarom hebben wij te zamen eene list verzonnen, die ons
allen moest baten. Zie hier hoe wij te werk gegaan zijn. Midden in
het Krijlwoud beoosten Liudwerd ligt onze vlied of weerburg, die men
alleen langs doolpaden kan genaken. Op deze burgt had ik sints langen
tijd jonge wachters gesteld, die alle een afschuw van Askar hadden en
alle andere menschen daar vandaan hielden. Nu was het bij ons al zoo
ver gekomen, dat vele vrouwen en ook mannen al praatten over spoken,
witte wijven en kabouter mannekes even als de Denemarkers. Askar had al
deze dwaasheden tot zijn voordeel aangewend, en dat wilden wij nu ook
tot ons voordeel doen. Bij eene duistere nacht bragt ik de Maagden naar
de burgt en daarna gingen zij met hare dienaressen langs de doolpaden
spoken in witte kleederen gehuld, zoo dat er naderhand geen mensch
meer durfde komen. Toen Askar meende dat hij de handen ruim had,
liet hij de Magjaren onder allerlei namen door zijne staten reizen
en behalve mijne staat werden zij nergens geweerd. Nadat Askar alzoo
met de Jutten en de andere Denemarkers was verbonden gingen zij alle
te zamen rooven; doch dat heeft geene goede vruchten gebaard. Zij
brachten allerhande buitenlandsche schatten te huis. Maar juist
daardoor wilden de jonge mannen geen ambacht leeren, noch op het
veld arbeiden; zoodat hij ten laatste wel slaven nemen moest. Maar
dat was geheel tegen Wraldas wil en tegen Fryas raad. Daarom konde de
straf niet achterwege blijven. Zie hier hoe de straf gekomen is. Eens
hadden zij te zamen eene geheele vloot gewonnen, deze kwam uit de
Middellandsche zee. Deze vloot was geladen met purperen kleederen
en andere kostbaarheden, die uit Phoenicie kwamen. Het zwakke volk
der vloot werd bezuiden de Seine aan wal gezet, maar het sterke volk
werd gehouden. Dat moest hun als slaven dienen. De schoonsten werden
gehouden om op het land te blijven, en de leelijkste en zwartste werden
aan boord gehouden om op de banken te roeijen. In het Fly werd de
boedel gedeeld, maar zonder hun weten werd ook de straf gedeeld. Van
de menschen, die op de buitenlandsche schepen gesteld waren, werden
zes door buikpijn gedood. Men dacht dat het eten en drinken vergiftigd
waren, daarom werd alles over boord gegooid. Doch de buikpijn bleef
en allerwege, waar slaven of goederen kwamen, kwam ook de buikpijn
binnen. De Saksmannen brachten ze over hunne marken; met de Jutten
voer zij naar Schoonland en langs de kusten van de Baltische zee;
met Askar zijne zeelieden voer zij naar Brittannia. Wij en die van
Grenega lieten geene goederen noch menschen over onze landpalen komen,
en daarom bleven wij van de buikpijn bevrijd. Hoevele menschen de
buikpijn heeft weggeraapt, weet ik niet te schrijven, maar Prontlik
die het naderhand van de andere Maagden hoorde heeft mij gemeld, dat
Askar duizendmaal meer vrije menschen uit zijne staten geholpen heeft,
als hij er vuile slaven in bracht. Toen de pest voor goed geweken
was, kwamen de vrij geworden Twisklanders naar den Rijn, maar Askar
wilde met de vorsten van dat vuile verbasterde volk niet op eene lijn
staan. Hij wilde niet dulden dat zij zich Fryas kinderen zouden noemen,
gelijk Reintja aangeboden had; maar hij vergat daarbij dat hij zelf
zwart haar had. Onder de Twisklanders waren er twee volken, die zich
zelve geen Twisklanders noemden. Het eene volk kwam heel ver uit het
zuidoosten weg, ze noemden zich Allemannen. Dezen naam hadden zij zich
gegeven, toen zij nog zonder vrouwen in de wouden als bannelingen
omdwaalden. Later hebben zij van het Slavenvolk vrouwen geroofd,
evenals de Lithauwers, maar zij hebben hun naam behouden. Het andere
volk, dat meer in de nabijheid omdwaalde, noemde zich Franken, niet
omdat zij vrij waren, maar Frank zoo had de eerste koning geheeten,
die zich zelf met hulp van de ontaarde Maagden tot erflijk koning
over zijn volk gemaakt had. De volken, die aan hem grensden, noemden
zich Thioth-his zonen dat is volkszonen, zij waren vrije menschen
gebleven, naardien zij nimmer een koning, noch vorst, noch meester
erkennen wilden, als dengene die bij algemeene wil gekozen was op de
algemeene vergadering. Askar had reeds van Reintja vernomen, dat de
Twisklander vorsten meest altijd met elkander in vijandschap en veete
waren. Nu stelde hij hun voor, dat zij n hertog van zijn volk zouden
kiezen, omdat hij bang was, gelijk hij zeide, dat zij met elkander
zouden twisten om het meesterschap. Ook zeide hij dat zijne vorsten
met de Golen konden spreken. Dat zeide hij was ook de meening der
Moeder. Toen kwamen de vorsten der Twisklanders bij elkander, en na
driemalen zeven etmalen kozen zij Alrik tot hertog. Alrik was Askars
neef, hij gaf hem tweehonderd Schotten en honderd van de grootste
Saksmannen mede tot eene lijfwacht. De vorsten moesten driemaal zeven
van hunne zonen naar Staveren zenden tot borg van hunne trouw. Tot nu
toe was alles naar zijn wensch gegaan, maar toen men over den Rijn
zoude varen, wilde de koning der Franken niet onder Alriks bevelen
staan. Daardoor liep alles in de war. Askar, die meende, dat alles
goed ging, landde met zijne schepen aan de overkant der Schelde, maar
daar was men reeds van zijne komst ingelicht en op zijne hoede. Zij
moesten even haastig vluchten als zij gekomen waren, en Askar werd
zelf gevangen genomen. De Golen wisten niet, wien zij gevangen hadden,
en zoo werd hij naderhand uitgewisseld voor een aanzienlijken Gole,
dien Askars volk had medegevoerd. Terwijl dit alles gebeurde,
liepen de Magyaren nog stoutmoediger over de landen onzer naburen
heen. Bij Egmuda, waar te voren de burgt Forana gestaan had, lieten
zij eene kerk bouwen nog grooter en rijker als Askar te Staveren gedaan
had. Naderhand zeiden zij, dat Askar den strijd had verloren tegen de
Golen, omdat het volk niet wilde gelooven, dat Wodan hen konde helpen,
en dat zij hem daarom niet wilden aanbidden. Voorts gingen zij heen
en schaakten jonge kinderen, die zij bij zich hielden en opvoedden in
de geheimenissen van hunne verfoeijelijke leer. Waren er menschen, die







ADELA.


OKKE MIN SVN.


Thissa boka mot i mith lif nd sle wrja. Se vmbifattath thju skdnise
fon vs le folk k fon vsa thlum. Vrlden jr hb ik tham ut-er
flod hred tolik mith thi nd thinra moder. Tha hja wron wet wrden;
thr thrvch gvngon hja fternei vrdarva. Vmbe hja navt to vrlysa hb
ik-ra vp wrlandisk pampyer wrskrven. Sa hwersa thu se erve, mot hu
se k wrskryva. Thin brn alsa til thju hja nimmerthe wi navt ne kvma.

Skrven to Ljuwert. Ni tland svnken is [6] tht thria thsond
fjvwer hvndred nd njugon nd fjvwertigoste jr, tht is nei kersten
rknong that tvelfhvndred sex nd fiftigoste jr. Hidde tobinomath
oera Linda.--Wk.



Ljawa ervnma. Vmb vsa ljawa thlas wille nd vmb vsa ljawa fridoms
wille, thusand wra s bidd-ik to jo. Och ljawa ne lt tha gon
nis ppekappe tach nimmerthe over thissa skrifta ne wja. Hja
sprkath swta wirda: men hja tornath vnmrksm an alles hwat fon
vs fryas trefth. Vmbe rika prebende to winnande s hlath hja mith
tha poppa kninggar. Thissa wtath that wi hjara grteste fianda
send. thrvchdam wi hjara liuda to sprke thvra vr frijdom, rjucht
nd forstne plicht. Thervmbe ltath hja alles vrdiligja, hwat fon
vsa thlum kvmt nd hwat thr jeta rest fon vsa alda sdum. Och ljawa
ik hv by tham et hove wst. Wil Wr.alda-t thjelda nd willath wi vs
navt sterik ne mkja hja skilun vs algdur vrdiligja.

Skrven to Ljudwerd. Acht hondred nd thrju jr nei kersten
bigrip. Liko tonmath ovira Linda.





THET BOK THRA ADELA FOLSTAR.


Thrittich jr ftere di that thju folksmoder wmbrocht was thrvch
thne vreste Mgy [7] stand et er rg vm to. Alle stta thr-er lidsa
anda re syde thre Wrsara, wron fon vs ofkrth nd vnder-et weld thes
Magy kmen, nd-et stand to frsane, that er weldig skolde wertha vr-et
lle lnd. Vmbe tht vnluk to wrane hde mn ne mna cht bilidsen,
hwr gdurath wron llera mnnelik, thr ann-en gode hrop stande by
tha fmna. Tha ni tht-er mr vrlpen wron as thrjv etmelda, was al
go-rd anda tys nd al-n sa by hjara kvmste. Th to tha lesta frge
Adela tht wird, nde kth. J alle wt-et that ik thrjv jr burchfm
wsen sy. Ak wt j that ik kren sy to moder, nd k, that ik nn moder
nsa [8] navt nilde [9], thrvchdam ik Apol to min ng jrde. Thach
hwat j navt nte [10], tht is, that ik alle brtnisa nigvngen hw,
vin as ik en wrentlike folksmoder wsen wre. Ik hv al-an fon nd
witherfren to sjande hwt-er brde. Thr thrvch send my flo ska
br wrden, thr ra navt nte. J hweth jester sith, tht vsa sibba
an tha ra syd thre Wrsara njvt nd lf wre. Th ik mi sedsa to jv,
tht-er Mgy se nn yne g of wnnen heth thrvch tht weld synra wpne,
men blt thrvch rgelestige renka, nd jeta mr thrvch tht gyrich
sa thra hyrtogum nd thra thelinga. Frya heth sit wi ne skoldon
nn vnfrya ljvd by vs tolta, th hwat hvon hja dn? hja hvon vsa
fjand ni folged: hwand an std fon hjara fensenum to diande, jeftha
fry to ltane, hvon hja Fryas rd minacht nd se to hjara slfonum
mked. Thrvchdam hja sok ddon, macht Frya navt longer wka ovir hjam:
hja hvon ynes theris frydom binimen, nd tht is rske, tht hja
hjara jn vrlren hwe. Thach tht ella is jo selva ken. Men ik wil
sedsa to jo, ho hja ni grdum s lg vrsylth send. Thra finnum hjara
wiva krjon brn. Thissa waxton vppa mith vsa frya brn. Altomet
tvildon nd joldon hja to samne vppa hm, jeftha hja wron mith
ekkorum by thre hrd. Thr hrdon hja mith lustum ni tha vrdwlska
finna sgum, thrvchdam hja thjvd nd ni wron. S send hja vntfryast
vnthnkes thene wald hjarar aldrum. As tha brn grt wrdon nd sagon
tht tha finna-ra brn nn wpne hantra machte, nd blt wrka moste,
th krjon hja anneth wrka en gryns nd wrdon hrde hchfrande. Tha
bsa nd hjara storsta svnum krupton by tha lodderiga finna mangrtum;
nd hjara jne toghatera thrvch tht vvle frbild fon-a wi brocht,
lton hjara selva bigorda thrvch tha sknesta finna knpa, hjara vvle
aldrum to spot. Tha thne Magy tht anda ns kryg, tha nam-er tha
sknesta sinar Finna nd Magyara vrlovende r ky mith golden horna, sa
hja ra thrvch vs folk fata ddon, fterdam sina lr vtbrda. Men sin
ljuda ddon mr: bern wrdon to sok makad, nei vpsalndum wibrocht,
nd shwersa hja vpbrocht wron an sina vvla lr, thn wrdon hja to
bek sendon. Th tha skinslvona vsa tl mchtich wron, th klivadon
hja tha hrtoga nd thelinga an bord, nd kthon, hja moston thene
Magy hroch wertha, sa kvndon hjara svnum vpfolgja tham, oni [11]
thrvch-et folk kron to wrdane. Thra thr vmbe goda ddum en frdl
to-ra hus kryen hde-vrlovadon hja fon sinant wgum jeta-n fter-dl
bij; hoka tham en fr nd fter-dl kryen hde sidon hja en rond-dl
to, nd tham en rond-dl hde en lle stt. Wron tha thla to hrde
fryas, th wendon hja tha stwen nd hildon vppar vrbastera svnum
an. Jesterdi wron-er mong [12] jo tham allet folk to hpa hropa
wilde vmb tha stlike stta wither to hjara plyga to tvangande. Thach
ni min ynfalda myning skolde tht falikant [13] utkvmma. Thnk ynes
thr was wsen en hrde lvngsyakte among-eth fja, nd tht-er thr
jeta rg vvde, skolde j-eth thn wel wgja vmbe jvw hlena fja to
frande among hjara syaka fja? mmer n. Shwersa allra mnnelik nw
bima nd bijechta mot, tht-eth thr mitha stapel rg of kvma skolde,
hwa skolde thn alsa dryst wsa vmbe sina brn to wagande among en folk
tht lle nd al vrdren is. Macht ik jo rd jva, ik skolde sedsa
to jo, j moste bifara alle dingum jo en nie folksmoder kyasa. Ik
wt wel tht j thrmitha anda brvd sitte, vt hawede tht-er fon tha
thredtine burchfmna than wi jeta ower hve wel achte send thr ni
thre ra dinge, men tht skold ik navt ne melda. Tntja thr fm
is et-er burch Mdasblik het er nmmer ni tlth; tach is hja fol
witskip nd klarsyan, nd wel sa hrde vppir folk nd usa plyga stlth
as all thera etsamne. Forth skold-ik rda j moste ni tha burgum g,
nd thr vpskrywa alle wa fryas tex, bijvnka alle skydnisa, j ella
tht er to finda sy vppa wgum, til thju ella navt vrlren ni g,
nd mitha burgum alsa vrdn navt ne werth. Thr stt askriwen: thiu
moder nd jahwelik burchfm skil hva buta helpar nd senda bodon,
yn and twintich fmna nd sjugon lrfmkis. Macht ik thr hwat to
dvande, th skol-ik skrywa, nd alsa flo rsma toghatera vmbe to
lrane, sa thr vppa burgum wsa mge; hwand ik seg an trowe nd tid
skil-eth jechta, shwersa j fta Fryas brn wille nmmer to winnande,
hor thrvch lesta ner thvch wpne, sa hagath j to nvdande tht jvwe
toghatera fta frya wiva wrde. Brn mot mn lre, ho grt vs lnd r
wsen sy, hokke grte mnniska vsa ethla wron, ho grt wi jeta send,
sa wi vs dl ledsath bij ra, mn mot tla hjam fon tha wicharda nd
fon hjara wichandlika ddum, k wra fra stochta. Al thissa tllinga
hagath dn to werthande bij thre hrd, vppa hm nd hwr et wsa mi,
s bij blyskip as bij trum. Men skil-et standfst kvma an dat bryn
nd andt hirta, thn moton alle lringa overa wra jvwera wiva nd
toghatera thr-in strma. Adelas rd is vpfolgath.

Thit send tha nma thra grvetmanna, vnder hwam-mis wald thit bok
awrochten is. Apol, Adelas man, Thria is-er skening wsen, nw is-er
grvetman over Ast-flylnd nd ovir-a Linda-wrda. Tha bvrga Ljvdgrda,
Lindahm, nd Stvja send vnder sin hod.

Ther Saxman Storo, Sytjas man, grvetman ovir-a hga fenna nd
walda. Njvgun wra is-er to hrtoga, tht is to hyrman, kren. Tha
burga Bvda nd Manna-grda-forda send vnder sin hod.

Ablo, Jaltjas man, grvetman ovir tha Sdar Flylnda. Fjvwers is-er
hyrman wsen. Tha burga Aken, Ljvdburch nd Ktsburch send vnder
sin hod.

Enoch Dywek his man, grvetman ovir West-flylnd nd Texland. Njvgun
mel is-er to skening kren. Thiu Wraburch, Mdasblik, Forna nd
ald Fryasburch send vnder sin hod.

Foppa, man fon Dunrs, grvetman ovir tha Sjvgon lnda. Fif mel
is-er skening wsen. Thju burch Walhallagra is vnder sin hod.

Thit stand vppa tha wgum et Fryasburch to Texland askrywen, tht
stt k to Stvia nd to Mdas blik.

Tht was Frya his di nd to thre stonde was et vrlden sjvgun wra
sjvgun jr, tht Fsta was anstld as folksmoder ni Fryas jrta. Thju
burch Mdasblik was rd nd en fm was kren. Nw skolde Fsta thju
nja foddik vpstka, nd th tht dn was an jnwarda fon tht folk,
th hrop Frya fon hira wkstre, s tht allera mnnalik tht hra
machte: Fsta nim thinra stifte nd writ tha thinga thr ik r navt
sedsa ne machte. Fsta dde alsa hja boden wrth. S send wy Fryas
brn an vsa forma skdnise kmen.

Tht is vsa forma skdnise.

Wr.alda [14] tham allna god nd vg is, mkade t.anfang, dana km
tid, tid wrochte alle thinga k jrtha. Jrtha brde alle grsa, krdon
nd boma, allet djara kwik nd allet rge kwik. Alhwat god nd djar
is, brocht hju by dgum nd alhwat kwd nd rg is, brocht hju thes
nachtis forth. Afteret twilifte jol-frste brde hja thrja mangrta.

Lyda wrth ut glyande,

Finda wrth ut hta nd

Frya ut warme stof.

Th hja blt kmon spisde Wr.alda hjam mith sina dama; til thju tha
mnneska an him skolde bvnden wsa. Ring as hja rip wron krjon hja
frchda nd nochta anda drma Wr.aldas. Od [15] trd to-ra binna: nd
nw brdon ek twilif svna nd twilif togathera ek joltid twn. Throf
send alle mnneska kmen.

Lyda was swart, krolhred alsa tha lmera: lik stra blonken hjra gon;
ja thes gyrfgels blikkar wron vnmodich by hjras.

Skrpe Lyda. Annen sanka kvn hju kruppa hra, nd hwersa thr fiska
invr wter wre n-vntgong tht hira nostera navt.

Rdbvwde Lyda. En store bm kvn hju bgja nd sahwersa hja run ne
brk nne blomstl vnder hjara fyt.

Weldige Lyda. Hrd was hjra steme nd krt hju ut grimme s run ek
flux wi.

Wonderfvlle Lyda. Fon wa nilde hju navt nta: hjra dda wrdon thrvch
hjra tochta stjvrat. Vmbe tha tdra to helpne, dde hju tha stra
nd hwersa hju-t dn hde grjde hju by-t lik.

Arme Lyda. Hju wrth gris fon-t vnwisse bihjelda nd vpp-it ende
sturf hja fon hirtsr vmbe tha brn-ra kwd.

Vnwisa brn. Hja tichtegadon ekkorum, fen mm-ra dd, hja grjadon
lik wolva, fjvchtadon alsa nd dahwile hja that ddon ton tha fgelon
tht lik. Hw mi sin tra hwither to haldane.

Finda. Was gl nd hjr hr s tha mna ner hors: ne thr ne kv hja
navt ni bgja; men hwr Lyda annen lavwa macht to djande, thr dde
hja wel tjn.

Vrldalike Finda. Svet was hjra stemme nd nannen fgel kvn sjonga
lik hju. Hjra gon lokton nd lordon, men threr ansach wrth slf.

Vnrdalika Finda. Hju skrf thsande wa, tha hju ne folgde nn er
fon vp. Hja vrfyade tha goda vmbe hjara frymod, th an slikmmkes
jf hju hjr selva hast wi.

That was hir vnluk. Hjra hved was to fvl: tha hjr hirte to ydel;
hju ne minde nimmn sa hja selva nd hju wilde tht ek hja lyaf
hwe skolde.

Falske Finda. Hning swet wron hjra wirda, th hok tham hja trjvwade
wre vnluk ni by.

Selvsjochta Finda. Ovir ella wilde hju welda, nd hjra svnum wron
lik hju; fon hjara susterum lton hja ra thjanja nd ekkorum slogon
hja vmb-et msterskip dd.

Dubbelhirta Finda. Vmbe skotse wirda wrth hju yre, nd tha rgste
dda ne rorde hja navt. Sach hju en nyndask en spinne vrslynna,
thn wrth hju omm-et hirte sa ys; men sach hju hjra brn en fryas
vrmorde s swol hjra bosm fon nocht.

Vnluke Finda. Hju sturf anda blomtid fon hjra lva, nd-t is jeta
tjvester ho hju fallen sy.

Skinhliga brn. Vnder kestlike stna lidon hja hjra lik dl, mit
kwabbjana skriftum smukton hja tham vppa, togrjande vmbe hrath to
wrthande men an stilnise ne wnadon hja nnen nge tr.

Vrijfalik folk. Thi tex thr Finda ni lt was in golden bldar wryt:
thach tha besta hwr-far i mkad was, wr i nmmer to not. Tha goda
wa wrdon utfgad nd selfv sjocht wryte thr kwda far in.

O Finda. Tha wrth jrtha fvl blod, nd tha hveda thr mnneska
mjadon thin brn lik grs hlma of. Ja Finda tht send tha frchda
thinera ydlenise. Sjan dl fon thinre wkstr nd wn.

Frya. Was wit lik sni bij-t mrnerd nd tht blw hjrar gnum wn-et
jeta thre rinbge of.

Skne Frya. Lik strlon thre middi svnne blikadon hjra hron,
thr sa fin wron as rach.

Abela Frya. Vntlvkton hjra wra, thn swgon tha fgelon nd ne rordon
tha bldar navt mar.

Weldige Frya. Thrvch thne krft hjrar blikkar strk thene lwa to
fara hjara fyt dl nd held thene addur sin gif tobk.

Rne Frya. Hjra yta was hning nd hjra drank was dwa, gdvrad anda
bsma thra blommur.

Lichte Frya. Tht forma hwat hju hjra brn lrde was selv-twang, tht
thera was lyafte to dged, nd th hja jroch wrdon, th lrde hju
hjam thju wrtha fon tha frijdom knna: hwand side hju svnder frijdom
send alle thera dgedon allna god vmbe jo to slvona to mkjande,
jvwe ofkvmste to vge skantha.

Milde Frya. Nmmer lyt hju mtal ut jrtha dlva vmb jnbt, men
shwersa hja-t dde wr-et to jahwelikis not.

Lukigoste Frya. Alsa tha stra om jrtha omswyrmia swirmadon hjara
brn om hja.

Wise Frya. Th hju hjra brn vpbrocht hde alto thre sjugonde kny,
th hrop hju-ra alle a Flylnd to smne. Thr jf se hjam hjra tex,
nd side, lt tham jvwe wiwisar wsa, th ne skil tht jo n navt
kwalik ni g.

Utforkrena Frya. Th hju-t sid hde, bvade jrtha lk Wr.aldas s,
Flylndis bodem svnk an grda vnder hjara fyt dl. Thju loft wrt swart
nd nylof [16] fon tra to stirtane nd th hja ni moder omsgon,
was hju al lang vppira wkstr. Th to tha lesta sprk tongar ut-a
wolka nd blixen schrf an tht loftrvm, wk.

Farsjanda Frya. Tht lnd fon hwr hju was vpfaren was nw en strm nd
buta hira tex was thr in ella bidvlwen hwat fon hjra hndum kmen was.

Hriga brn. Th hja to-ra selva wron, th mkadon hja thit hge
therp, bvwadon ths burch thrvppa, anda wgrum thessa wryton hja
thene tex, nd vmbe that allera mannalik hja skolde mga finda,
hvath hja tht lnd rondomme Texlnd hten. Thrvmbe skil-t bilywa
al wenne jrtha jrtha sy.





TEX FRYAS.


Held bid tha Frya, to tha lesta skilun hja my hwiter sja. Thach thra
allna mi ik as fry knna thr nn slf is fon n ther ni fon sine
tochta. Hyr is min rd.

Shwersa thju nd rg sy nd gode rd nd gode dd nawet mr ne
formge, hrop thn thi gst Wr.aldas an, men j ne mot-im navt anhropa
bifra alle thinga prvvath send. Tha ik segs to jo mith rdene nd
tid skil-et wra, tha modelsa skilun mmar swika vnder hjar jn ld.

2. Wr.aldas gst mi mn allna knibuwgjande thnk to wya, j thrju
wra far hwat jv fon him noten hve, far hwat jv nith, nd fara hpe
thr hy jo lt an nga tida.

3. J hwed sjan ho ring ik helpe lnde, dva al n mith jo nston,
men ne tof navt til mn jo bden heth, tha lydande skolde jo floka,
min fmna skoldon jvwa nma utfaga ut-t bok nd ik skolde jo lik
vnbiknnade ofwisa mota.

4. Nim nmmar knibuwgjande tnk fon jv nston an, thjus gath Wr.aldas
gst. Nid skolde j bikrjupa, wisdom solde j bilka nd min fmna
skoldon jo bityga fon fderrv.

5. Fjuwer thinga send to jvwe not jven, mith nma, loft, wter, lnd
nd fjur. Men Wr.alda wil thr allna bisittar of wsa. Thrvmbe rd
ik jo, j skilun jo rjuchtfrdiga manna kyasa, tham thju arbd nd tha
frchda ni rjuchta dla, s that nmman fry fon wrka ni fon wra sy.

6. Shwersa thr mman among jo fvnden wrth, thr sin jn frydom
vrsellath, tham-n is navt fon jvw folk: hi is en horning mith basterd
blod. Ik rde jo that j him nd sin mm to tht lnd utdriva, sgs
that to jvwa brn, thes mornes, thes middis nd thes wendes, til
thju hja throf drme thes nachtis.

7. Allera mnnalik thr en ther fon sine frydom birwath, al wre
thne re him skeldech, mot ik anda brntm ner slfinne fra
lta. Thach ik rde jo vmbe sin lik nd that sinera mm vpp ne kle
std to vrbarnande, fterni hjara aske fiftich fyt anda grvnd to
dlvane, til hju thr nnen grshlm vp waxa ni mi, hwand aldulkera
grs skolde jvw diaroste kvik dja.

8. Ne grip n tht folk fon Lyda ner fon Finda an. Wr.alda skolde
helpa hjam, sa that-t weld that fon jo utgong vppa jvwa jne hveda
skolde witherkvma.

9. Shwersa tht machte bra that hja fon juwe rd jefta awet owers
wilde, alsa aghat j to helpane hjam. Men kvmath hja to rwande;
fal than vppa tham nither lik blixenande fjvr.

10. Shwersa annen fon hjam ner jvwer toghaterum to wif grth nd
hju that wil, thn skolun j hja hjra dvmhd bitjvtha; thach wil hju
toch hjra frjar folgja, that hja than mith frtho g.

11. Willath jvw svna fon hjara toghaterum, s mot j alsa dva as mith
jvwa toghaterum. Thach hor tha na nor tha thera mi witherkvma;
hwand hja skoldvn uthmeda sda nd plga mith fara; nd dri thessa
by jo heldgad wrde, mi ik navt longer ovir jo wka.

12. Vppa minre fm Fsta hv ik min hp fstegth, thrvmbe most j hja
to remoder nma, Folgath j min rd, thn skil hju nmels min fm
bilywa nd alla frna fmna thr hja folgja; thn skil thju foddik
nmer utg thr ik far jo vpstoken hv. Tht ljucht thra skil thn
vg jvwe bryn vpklarja, nd j skilun thn vin fry bilyva fon vnfrya
weld as jvwa swite rinstrma fon tht salte wter thr ndelse s.





THET HET FASTA SID.


Alle setma thr en w, tht is hvndred jr, omhlpa mge mith tha
krodar nd sin jol, thra mgon vppa rd thre moder, nd by mna
willa vppa wgar thra burgum writ hwertha; send hja uppa wgar writ,
thn send hja wa, nd tht is vsa plicht vmbe altham an ra to
haldande. Kvmth nd nd tvang vs setma to jvane, stridande wither
vsa wa nd plgum, s mot mnneska dva alsa hja askja; thach send
hja wken, thn mot mn mmer to tht alda witherkra. Tht is Fryas
willa, nd tht mot wsa tham fon al hjra brn.





FASTA SIDE.


Alle thinga, thr mn anfangja wil, hoka tht-t mga wsa, vppa tha
di, thr wy Frya heldgad hwa, tham skilun vg falykant utkvma:
nidam tid nw biwysd heth tht hju riucht hde, s is tht en wa
wrdon, tht mn svnder nd nd tvang a Frya hjra di nawet owers ni
dva ne mi, tha blyda frsta fyrja.





THAT SEND THA WA THR TO THRA BURGUM HRA.


1. Shwersa thr rne ne burch bvwet is, s mot thju foddik thra an
tha forma foddik et Texlnd vpstken wrda. Thach tht ne mi nmmer
owers as troch tha moder skn.

2. Ek moder skil hjra jn fmna kjasa; alsa thra thr vppa thra
thera burgum as moder send.

3. Thju moder to Texlnd mi hjra folgster kjasa, thach shwersa hju
falth r hju-t dn heth, sa mot thas kren hwertha vppa na mna acht,
by rdum fon alle stata et smne.

4. Thju moder to Texlnd mi n nd tvintich fmna nd sjvgun spille
mangrta hva, til thju thr mmer sjvgun by thre foddik muge wkja
dilikes nd thes nachtes. By tha fmna thr vppa ora burgum as moder
thjanja alsa flo.

5. Shwersa en fm annen gda wil, sa mot hju-t thre moder melda,
nd bistonda to tha mnniska kra, r hju mith hjra tochtige dama
tht ljucht bivvlath.

6. Thju moder nd alrek burchfm skil mn tofogjande n nd tvintich
burchhran, sjvgun alda wisa, sjvgun alda kmpar, nd sjvgun alda
skmper.

7. Ther fon skilun alle jron to honk kra thrim fon elik sjvgun,
thach hja ne mgon navt vpfolgath ne wertha thrvch hjara sibtal njar
sa tha fjarda kny.

8. Aider mi thr hvndred jonga burchwrar hva.

9. Far thissa thjanesta skilun hja lra Fryas tex nd tha wa, fon
tha wisa mannon thne wisdom, fon tha alda hrmannon thene kunst fon
tha orloch nd fond tha skeningar thene kunsta thr bi tht butafra
nthlik send.

10. Fon thissa wrar skilun jrlikes hvndred to bek kra. Thach send
thr svme vrlmth wrden, sa mgon hja vpper burch bilywa hjara lle
lva long.

11. By tht kjasa fon tha wrar ne mi nimmen fon thra burch nn
stem navt ne hva, ni tha grvetmanna jefta thera hveda, mn tht
blta folk allna.

12. Thju moder et Texlnd skil mn jva thrja sjvgun flinka bodon mith
thrja twilif rappa horsa. Vppa ora burgum ek burchfm thr bodon mith
sjvgun horsa.

13. Ak skil jder burchfm hva fiftich bvwara thrvch tht folk
akren. Men thrto mi mn allna jva sokka, thr navt abel nd
stora for wra ner to butafrar send.

14. Ajder burch mot hiri selva bidruppa nd genra fon hjra jn
ronddl nd fon tht dl that hju fon tht mrkjeld brth.

15. Is thr mman kren vmbe vppa burgum to thjanjande nd nil-er navt,
thn ne mi-er na nn burchhr wertha, nd dus nn stem navt ni hva,
is er al burchhr sa skil hi thju r vrljasa.

16. Shwersa mman rd grt fon thre moder, tha fon ne burchfm,
sa mot hi him selva melde by tha skrivwer. Thesse brngth-im by
tha burchmster.

Forth mot-i ni tha ltsa, tht is thne hlener. Thr mot sja jef er
k bisken is fon kvada tochtum. Is-er god sid, tha vndvath hi him
selva fon sinum wpna, nd sjvgun wrar brngath him by thre moder.

17. Is thju sk vr ne stte sa ne mgon thr navt miner thn thr
bodon kvma: is-t vr-t lla Fryaslnd, thn moton thr jeta sjvgun
tjuga bywsa. Thrumbe tht er nn kva formvda navt risa ne mi nor
skalkhd dn ne wrde.

18. By alle skum mot tha moder walda nd njvda tht hjra brn,
tht is Fryas folk, s mt-rik bilywa as tht wsa mi. Tht is thi
grtesta hjrar plichta, nd vs alra vmb-er thr an to hlpande.

19. Ht mn hja by ne rjuchtlika ske anhropen vmb-er utsprk twisk
annen grvetman nd tha mnte, nd findath hju thju ske tvivelik,
s mot hju to bte fon thr mnte sprka til thju thr frtho kvma,
nd thrvchtham tht btre sy that n man vnrjucht dn wrde thn flo.

20. Kvmth hwa vmb rd nd wt thju moder rd, sa ch hju tham bystonda
to jvane, wt hju bystonda nn rd, s mi hju wachtja lta sjvgun
dgum. Wt hju thn nach nn rd, sa mgon hja hinne brda, nd hja
mgon hjra selva navt biklagja, til thju nn rd btre is thn kva rd.

21. Heth en moder rge rd jven ut kvada willa, s mot mn hja dja
jefta ut of lndum dryva stoknaken nd blt.

22. Send hjra burchhra mdeplichtich, thn dvath mn alsa mith tham.

23. Is hjra skild tvivelik jefta blt formoda, s mot mn thr-vr
thingja nd sprka, is-t ndich, n nd twintich wyka long. Stemth tha
halfdl skildich, s halde mn hja vr vnskildich, twde s wacht mn
jeta en fvl jr. Stemth mn thn alsa, s mi mn hja skildich halda,
tha navt ni dja.

24. Shwersa svme among tht thrimna send tham hja alsa sr vnskildich
mne that hja hja folgja wille, s mgon hja tht dva mith al hjara
driwande nd tilbara hva nd nmman acht hjam thr ovir min to
achtiane, til thju tht mra dl alsa blyd kn dwla sa tht minra del.





MNA WA.


1. Alle frya brn send a like wysa brn. Thrvmbe moton hja k lika
rjuchte hva, alsa blyd vpp-t lnd as vpp-th , tht is wter nd
vp ella tht Wr.alda jefth.

2. Allera mannalik mi-t wif sinra ksa frja nd ek toghater mi
efter hjra helddrvnk bjada thr hju minth.

3. Heth hwa en wif nimth, s jft mn hjam hus nd wrv. N-is thr nn,
sa mot-t bvwat wrde.

4. Is-er ni en ther thorp gongon vmb en wif nd wil hi thr bilywa,
s mot mn him thr en hus en wrf jwa bijonka tht not fon tha
hmrik.

5. Allera mannalik mot mn en fterdl as wrf by sina hus jva. Tha
nimman ne mi en fardl by sin hus nva, fl min en ronddl. Allna ief
hwa en dd dn heth to mna nitha, s mi him tht jven wrde. Ak mi
sin jongste svn that erva. After tham mot tht thorp that wither nima.

6. Ek thorp skil en hmrik hva ni sina bihof nd thne grva skil
njvda that alra ek sin dl bidongth nd god hald, til thju tha fter
kvmmande nn skde navt ne lyda ne muge.

7. Ek thorp mi en mrk hava to kp nd to vrkp iefta to
wandelja. Alle-t ra lnd skil bvw nd wald bilyva. Th tha bma thra
ne mi nimman navt flla, buta mna rda nd buta wta thes waldgrva,
hwand tha walda send to mna nitha. Thrvmbe ne mi nimman thr mster
of sa.

8. As mrkjeld ne mi tht thorp navt mr ni nimma sa tha tillifte
dl fon tha skat, hor fon tha inhmar ner fon tha frhmande. Ak ne
mi tha mrk skat navt r vrsellath [17] ne wertha as tht ra god.

9. Alle-t mrkjeld mot jrlikes dlath wrde, thrja dgan far thre
joldi, an hvndred dlun to dlande.

10. Thi grvetman mit sinum grvum skil thr of bra twintich dla;
thne mrk rjuchter tian dla, nd sinum helpar, fif dla; thju
folkesmoder n dl; thju g moder fjvwer dla; tht thorp tian dla;
tha rma, tht is thra tham navt wrka ni kunna ni mge, fiftich dla.

11. Thra, tham to mrka kvma, ne mgon navt ni wokeria, kvmath thr
svm, sa is-t thra famna plicht hjam knbr to makjana in-vr tht lle
lnd, til thju hja nimmerthe kren navt wrde to eng ampt, hwand soka
hvath en gyra-lik hirte, vmbe skt to garja skolde hja ella vrrda,
tht folk, thjv moder, hjara sibben nd tho tha lesta hjara selva.

12. Is thr mman alsa rg that-er sjvcht-siak fja jeftha vrdren
wr vrsellath vr hl god, sa mot thene mrk-rjuchtar him wra nd
tha famna him noma invr-et lle lnd.

In ra tyda hmadon Findas folk mst algadur invr hjara moders
brta-lnd, mit nma ald-lnd that nw vnder-ne s lith; hja wron
thus fr-of, thrvmbe ndon wi k nn orloch, tha hja vrdrven send
nd hinda kmon to rwane, th km-er fon selva lndwr hrmanna
kninggar nd orloch, vr altham kmon setma nd uta setma kmon wa.





HYR FOLGATH THA WA THR THRUT TAVLIKT SEND.


1. Ek Fryas mot-a ltha jeftha fyanda wra mith aldulkera wpne as-er
forsinna, bikvma nd hndtra mi.

2. Is en boi twilif jer, sa mot-i tha sjvgunde di miste fon sin
lr-tid vmbe rd to werthande mith-a wpne.

3. Is hi bikvmen, sa jve mn him wpne nd hi warth to wrar slgen.

4. Is hi thr jr wrar, s wrth-i burch-hr nd mi hi hlpa sin
hwed-manna to kjasane.

5. Is hwa sjvgun jr kjasar, s mi hi hlpa en hrman jeftha kning
to kjasane, thr to k kren wrde.

6. Alle jr mot-er ovir kren wertha.

7. Buta tha kning mgon alle ambtmanna wither kren wertha, tham
rjucht dva nd ni fryas rd.

8. Annen kning ne mi navt ni lnger as thr jr kning bilywa,
til thju hi navt biklywa ne mi.

9. Heth-i sjvgun jr rest, s mi hi wither kren wertha.

10. Is thi kning thruch thene fyand fallen, s mgon sina sibba k
ni thre re thinga.

11. Is-er vppa sin tid ofgvngen jeftha binna sin tid sturven, s ne
mi nn sibba him vpfolgja, thr-im niar sy sa tha fjarde kny.

12. Thra tham strida mitha wpne an hjara handa ne kunnath navt
forsinna nd wis bilywa, thrvmbe ne focht-eth nne kning wpne to
hantra an tha strid. Sin wisdom mot sin wpen wsa nd thju ljafte
siura kmpona mot sin skyld wsa.





HYR SEND THA RJUCHTA THRE MODER AND THRA KNINGGAR.


1. Sahwersa orloch kumth, send tha moder hira bodon ni tha kning,
thi kning send bodon ni tha grvetmanna vmbe lnd-wr.

2. Tha grvetmanna hropath alle burch-hra et smne nd birdath ho
flo manna hja skilun stjura.

3. Alle bisluta thra moton ring ni thre moder senden wertha mith
bodon nd tjugum.

4. Thju moder lth alle bisluta gaderja nd jfth et guldnetal,
tht is tht middeltal fon alle bisluta etsmne, thrmitha mot mn
far tht forma frto ha nd thene kening alsa.

5. Is thju wra a kmp, thn hoft thi kning allna mith sinum
havedmanna to rda, thach thr moton mmerthe thr burch-hra fon thre
moder frana sitta svnder stem. Thissa burch-hra moton djalikis
bodon ni thre moder senda, til thju hju wta mge jef thr awet
dn wrth, stridande with-a wa jeftha with Fryas rdjevinga.

6. Wil thi kning dva nd sina rda navt, s mi hi tht navt
vnderstonda.

7. Kvmth-ene fyand vnwarlinga, thn mot mn dva sa thene kning bith.

8. Nis thene kning navt vppet pat, s mot mn sin folgar hrich wsa
of tham-is folgar alont tha lesta.

9. Nis thr nn havedman, s kjase mn hwa.

10. Nis thr nn tid, s wrpa hi him to havedman thrim weldich
fleth.

11. Heth thene kning en frsalik folk ofslagen, s mgon sina after
kvmande sin nma fter hjara jne fora; wil thene kning, s mi-er
vppen vnbibvwade std en plk utkjasa to hus nd erv. Tht erv mi
en rond-dl wsa sa grt tht hi fon alle sidum sjvgun hvndred trdun
ut of sine hus mi hlapa, r hi an sina rna kvmth.

12. Sin jongste svn mi tht god erva, fte tham thamis jongste,
thn skil mn that wither nimma.





HYR SEND THA RJUCHTA ALLER FRYAS VMBE SKUR TO WSANDE.


1. Sahwersa thr wa vrwrocht wrde jefta nja setma tavlikt, alsa
mot-et to mna nitha skn, men nmmer to bta fon enkeldera mnniska,
her fon enkeldera slachta, ner fon enkeldera stta, nach fon awet
that enkel sy.

2. Sahwersa orloch kvmt nd thr wrde husa homljat jeftha skpa,
hok that et sy, sy-et thrvch thene fyand, tha by mna rdum, s ach
tha mna mnta, tht is al-et folk to smne that wither to hlene;
thr vmbe that nmman tha mna ska skil helpa vrljasa vmbe sin jn
god to bihaldane.

3. Is orloch vrthjan, nd send thr svm, alsa vrdren that hja navt
longer wrka ne mgon, s mot tha mna mnte hjam vnderhalda, by tha
frstum achon hja forana to sittana, til thju tha jged skil ra hjam.

4. Send thr wdvon nd wson kmon, s mot mn hja k vnderhalda
nd tha svna mgon thi nma hjarar tta vpp-ira skildum writa hjara
slachtha to rane.

5. Send thr svm thrvch thene fyand fat nd kvmath hja to bk, s
mot mn hjam fr fon tht kmp of fora, hwand hja machton fry lten
wsa by arge loftum nd than ne mgon hja hjara lofta navt ni halda
nd toch rlik bilywa.

6. Jef wi selwa fyanda fta, s brnge mon tham djap anda landa wi,
mn lrth hja vsa frya sde.

7. Lt mn hja fterni hlpa, s lt mn tht mith welhd thrvch tha
fmna dva, til thju wi tha nd frjunda winna fori ltha nd fyandun.





UT MINNOS SKRIFTUN.


Sahwersa thr nman is thrmta rg that hi vsa swetsar birawath,
morth-dedun dvat, husa barnth, mangrtha sknth, hok tht-et sy,
tht rg sy, nd vsa swetnata willon tht wroken hva, s is tht
rjucht tht mn thene dder ftath nd an hjara jn-warda djath,
til thju thr vr nn orloch ne kvme, wrthrvch tha vnskldiga skolde
bota fori tha skldiga. Willath hja him sin lif bihalda lta nd
thju wrka ofkpja lta, s mi mn tht dja. Thach is then bona en
kning, grvetman, grva hwa tht-et sy, tham ovira sda mot wka,
s moton wi tht kwad bterja men ta bona mot sin straf h.

Forth hi en renma vppa sine skeld fon sina thelun, s ne mgon
sina sibba thi nma navt lnger ne fora. Thrvmbe tht hi ne sibba
svrg skil hva ovira sda thra thera.





WA FARA STJURAR [18]. STJURAR IS THI RENOMA THRA BUTAFARAR.


Alle fryas svna hva lika rjuchta, thrvmb mgon lle flinka knpa
hjara self as butafrar melda by tha ldermn nd thisse ne mi him
nit ofwisa, wara tht er nn sted is.

2. Tha stjurar mgon hjara jn mstrun noma.

3. Tha kpljvd moton kren nd binomath wertha thrvch tha mnte
thr-et god hreth nd tha stjurar ne mgon thr by nn stem hva.

4. Jef mn vppe ris bifinth tht thene kning rg jefta vnbikvmmen
is, s mgon hja en ra nimma; kvmon hja to bk, s mi thene kning
him self biklagja by tha ldermn.

5. Kvmth thr flte to honk nd sin thr bta, s moton tha stjurar
thr of en thrimene hva, althus to dlande, thi witkning twilf mn-is
dla, thi skolt by nacht sjugun dla, tha btmnna ek twa dla, thi
skiprun ek thr dla, that ra skip-is folk ek n dl. Tha jongste
prentar ek en thrimnath, tha midlosta ek en half-dl nd tha ldesta
ek en twdnath.

6. Sin thr svme vrlameth, s mot-a mna mnte njvda far hjara lif,
k moton hja frana sitta by tha mna frsta, by huslika frsta,
j by alle frsta.

7. Sin thr vppa tocht vmkume, s moton hjara nstun hjara dl erva.

8. Sin thr wdven nd wson fon kvmen, s mot thju mnte hja
vnderhalda; sin hja an nre kase felth, sa mgon tha svna thi nma
hjarar tta vppira skeldun fora.

9. Sin thr prentara [19] forfaren, sa moton sina erva en l mannis
dl hva.

10. Was hi forsith, s mi sin brud sjugun mannis dlun aska vmbe
hira fryadulf en stn to to wjande, mar thn mot hja for tha re
wdve bilyva lva lng.

11. Sahwersa en mnte en flte to rth, moton tha rdar njvda fra
beste liftochtun nd fr wif nd brn.

12. Jef en stjurar of nd rm is, nd hi heth hus nach erv, s mot
im that jon wertha. Nil hy nn hus nach erv, sa mgon sin friundun
hem tus nma nd thju mnte mot et btera ni sina stt, wara tht
sin friunda thene bta wigerja





NETLIKA SKA UT-A NILTNE SKRIFTUM MINNOS.


Minno [20] was en alde skning, sjaner nd wisgyrich. An tha
Krtar heth-i wa jven. Hi is brn an tha Lindawrda, nd ni al sin
witherfra heth hi tht luk noten umbe to Lindahm to sterva.

Sahwersa vsa swethnata en dl lnd hve jeftha wtir, that vs god
tolikt, sa focht-et vs vmbe that a kp to frja, nillath hja tht navt
ne dva, than mot mn hja that bihalda lta. That is ni Frya-his tex
nd-et skolde vnrjucht wsa to vnthandana that.

Sahwersa thr swethnata et smna kyva nd sana vr enga ska, tha
vr lnd, nd hja vs frja en ordl to sprka, sa ach man tht rder
fterwja to ltane, tach sa man thr navt buta ne kan, sa mot man
tht rlik nd rjuchtfrdich dva.

Kvmth thr hwa nd sith, ik hv orloch, nw most-v mi helpa; jeftha en
ra kvmth nd sith, min svn is vnjrich nd vnbikvmmen, nd ik bin
ald, nw wild-ik thi to wranstew ovir hini nd ovir min lnd stlla,
til hi jrich sy, sa ach man that wigarja, til thju wi nawt an twist
ne kvme ne mge vr ska stridande with vsa frya sdum.

Sahwersa thr kvmth en vrlandisk kapman vppa toltmrk et Wyringga
tha to Almanland nd hi bidroght, sa warth-er bistonda mrk-bten nd
kanbr mkad trvch tha fmna invr et le land. Kvmth-er thn to bk, sa
ne skil nimman kpja fon him, hy mi hinne brda sa-r kvmen is. Thus,
sahwersa-r kpljud kren wrde vmbe wr-a merka to g, jeftha mith-e
flt to frane, sa ach man allna aldulkera to kjasane tham mn tyge
by tyge knth nd an en goda hrop stne by tha fmna. Brth-et navt
to min that-er en rg man mng sy, tham tha ljud bitrogha wil, sa
agon tha ora tht to wrane. Het-i-t-al dn sa mot mn tht bterja,
nd thene misddar ut of lndum banna, til thju vsa nma vral mith
rane skil wertha binomath.

Men jef wir vs vppen vrlandiska mrkt finda, sy-et hinde jeftha fr,
nd brth-et tht-et folk vs lt dvath jeftha bistlleth, s agon wy
mith haste hi to to slna, hwand afskn wy lla agon to dvande vmbe
frtho willa, vsa halfbrothar ne mgon vs nimmer minachtja nach wna
that wi ange send.

In min jged hv ik wel nis mort overa bnda thra wa, fter hv ik
Frya often tanked vr hjra tex, nd vsa thla vr tha wa thr thrni
tavlikt send.

Wr.alda jeftha Alfoder heth mi flo jren jven, invr flo landa nd
sa hv ik omme fren nd ni al hwa ik sjan h, bin ik vrtjgad that
wi allna trvch Alfoder utforkren send, wa to hvande. Lydas folk
ne mi nn wa to mkjande ni to hldande, hja send to dvm nd wild
thrto. Flo slachta Findas send snd enoch, men hja send gyrich,
hchfrande, falsk, vnks nd mortsjochtich. Poga blsath hjara selva
vppa, nd hja ne mgath nawet than krupa. Forska hropath wrk, wrk,
nd hja ne dvath nawet as hippa nd kluchtmkja. Tha roka hropath
spr, spr, men hja stlon nd vrslynath al wat vnder hjara snavela
kvmath. Lik al tham is tht Findas folk, hja bogath immer ovir goda
wa; ek wil setma mkja vmb-et kwd to wrane, men selva nil nimman
theran bonden wsa. Thra hwam-his gst that lestigoste sy nd
thrtrvch sterik, tham-his hne krjath kning nd tha ra moton
alwenna an sin weld vnderwurpen wsa, til en ther kvmth thr-im
fon-a stel drywet. Tht word wa is to frn vmbe an mna ska to
nomande. Thervmbe heth mn vs vin sega lrth. wa tht sit setma
thr bi aller mnniska lik an hjara mod prenth send, til thju hja
mge wta hwat rjucht nd vnrjucht sy nd hwrtrhvch hja weldich send
vmbe hjara jne dda nd tham fon rum to birjuchtande, tht wil sedsa
alsanka hja god nd navt misddich vpbrocht send. Ak is-er jet-en ra
sin an fst. wa seit ak, lik wter-lik; rjucht nd sljucht as wter
that thrvch nn stornewind jeftha awet owers vrstoren is. Warth wter
vrstoren, sa warth-et vnwa, vnrjucht, men et nygt vg vmbe wither wa
to werthande, that lith an sin fonselvhd, alsa tha nygung to rjucht
nd frydom in Fryas bern leith. Thessa nygung hvath wi trvch Wr.aldas
gst, vsa foders, thr in Fryas bern bogth, thrvm be skil hju vs k
vg biklywa. wa is k thet ra sinnebyld fon Wr.aldas gst, thr vg
rjucht nd vnforstoren bilywath, afskn-et an lichme rg to git. wa
nd vnforstoren send tha mrka thra wisdom nd rjuchtfrdichhd thr
fon alla frmo mnniska socht nd trvch alla rjuchtera bisten wrden
mot. Willath tha mnniska thus setma nd domar mkja, thr alan god
bilywa nd allerwikes, sa moton hja lik wsa to fara alle mnniska;
ni thisse wa achath tha rjuchtera hjara ordl ut to kthande. Is
thr eng kwd dn, hwrvr nn wa tavlikt send, sa mot mn ne mna
acht bilidsa; thr ordlth mn ni tha sin thr Wr.aldas gst an vs
kth vmbe over ella rjuchtfrdich to birjuchtande, althus to dvande
ne skil vs ordl nmmer flikant ut ne kvma. Ne dvath mn nn rjucht
men vnrjucht, alsa rist thr twist nd twispalt emong tha mnniska
nd stta, thrut sprt inlandiska orloch, hwrthrvch ella homljath
nd vrdren wrth. Men, o dvmhd. Dhwila wi to dvande send ekkorum
to skdane, kvmth-et nidige folk Findas mith hjara falska presterum
jvw hva to rwande, jvwa toghatera to skndane, jvwa sda to vrdva
nd to tha lesta klppath hja slvona banda om jahwelikes frya hals.





UT-A SKRIFTA MINNOS.


Tha Nyhellnia [21] tham fon hira jn nme Min-erva hte, god sten
was nd tha Krkalander [22] hja to met even hrde minade as vs
jn folk, th kmon thr svme forsta nd prestera vppe-ra burch
nd frjon Min-erva hwr of hjra erva ljon. Nyhellnia andere,
mina erva drg ik om in mina bosm, hwt ik urven hv is ljafde vr
wisdom, rjucht nd frydom, hv ik tham vrlren, alsa ben ik lik
an tha minniste jvvar slvonena. Nw jv ik rd vm nawet, men than
skold ik vrkpja tham. Tha hra gvngon wi, nd hripon al lakande,
jvwer hroga thjanra, wisa Hellnia. Thach thrmitha miston hja
hjara dol, hwand tht folk tht hja minnade nd hja folgade, nam
this nme to-n re nme an. Tha hja sgon tht hjara skot mist hde,
th gvngon hja hja bihlvda nd sidon that hju-t folk hexnad hde,
men vs folk nd tha goda Krkalandar wrde aller wikes that-et laster
wre. Enis kmon hja nd frgon, as thv thn nn thjonster ne biste,
hwat dist thn mitha jar tham thv altid bi thi heste. Min-erva
andere, thisse jar send that sinebyld fon Fryas rdjvinga, wrin
vsa tokvmste forholen hlit nd fon l tht mnneskalik slachte; tid
mot hja utbroda nd wi moton wka tht-er nn lth an ne kvmth. Tha
prestera, god sid; men hwrto thjanath thene hund an thina fra
hand. Hellnia andere, heth thene hrder nn skper vmbe sin kidde at
smene to haldande? hwat thene hvnd is inna thjanest thes skphrder,
bin ik in Fryas tjanest, ik mot ovir Fryas kidde wka. That likath vs
god to, sdon tha prestera; men seg vs, hwat is thju bitjvtenise fon
thi nachtule, ther immer boppa thin hole sit, is that ljuchtskvwande
djar altomet thet tken thinra klrsjanhd. Nan andere Hellnia,
hi helpt my hgja that er en slach fon mnniska ovir hirtha omme
dwlth, thr evin lik hi in krka nd hola hma; thr an tjuster
frota, tach navt as hi, vmb vs fon msa nd ra plga to helpane,
men renka to forsinna, tha ra mnniska hjara witskip to rwane, til
thju hja tham to btre mge fta vmber slavona fon to mkjande nd
hjara blod ut to sgane, even as vampyra dva. Enis kmon hja mith en
benda folk. Pest was over-et land kvmen, hja sidon, wi alle send to
dvande, tha Goda to offerja, til thju hja pest wra mge. Nilst thv
then navt ne helpa hjara grimskip to stilane, jeftha hethste pest
selva ovir-et lnd brocht mith thinra kunsta. Nan side Min-erva,
men ik ne kn nne goda, thr rg dvande send; thrvmbe ne kan ik navt
frja jef hja beter wrda willa. Ik kn n gode, tht is Wr.aldas gst;
men thrvch tham er god is, dvath-er k nen kwd. Hwanath kvmth-et kwd
thn wi, frjath tha prestera. Allet kwd kvmth fon jow nd fon thre
dvmhd thra mnniska, tham hjara selva fon jow fensa lta. Jef thin
drochten thn s bjustre god is, wrvmb wrther-et kwd thn navt,
frjath tha prestera. Hellenia andere, Frya het vs vppe wi brocht
nd thene kroder tht is tid, tham mot tht ovrige dva. With alle
rampum is rd nd help to findande, tha Wr.alda wil tht wi hja
selva soka skilon, til thju wi sterik skile wertha nd wis. Nillath
wi navt, thn lt-er vsa trul ut trulla, til thju wi skilon erfra,
hwat ni wisa ddum nd hwat ni dvma ddum folgath. Tha side-ne
forst, ik skolde wna, that wre betre, that to wrande. Hwel mglik,
andere Hellnia, hwand than skolde tha mnniska bilywa lik tmade
skpa; thv nd tha prestera skolde-r than hoda willa, men k skra
nd ni thre slacht benke fora. Tach alsa nil-t vs drochten navt,
hi wil that wi ekkorum helpa, men hi wil k tht jahweder fry sy nd
wis wrde. Tht is k vsa wille, thrvmbe kjasth vs folk sin forsta,
grva, rdjvar nd alle bsa nd mstera ut-a wisesta thra goda
mnniska, til thju allemnnalik sin best skil dva vmbe wis nd god to
werthande. Althus to dvande skilun wi nis wta nd anda folka lra,
that wis wsa nd wis dva allna lith to salichhd. That likt en
ordl, sidon tha prestera, men aste nv mnste, that pest thrvch
vsa dvmhd kvmth, skolde Nyhellnia thn wel sa god wsa wille,
vmbe vs ewat fon tht nya ljucht to lnande, hwr vppa hju sa stolte
is. Jes side Hellnia; tha rokka nd ra fglon kvmath allna falla
vp vl s, men pest minth navt allna vl s, men vla sd-plegum nd
fangnisa. Wilstv nv that pest fon-i wika nd na wither ne kvma, thn
mostv tha fangnisa wi dva, nd that i alla rn wrde fon binna nd fon
bta. Wi willath bilwa tht thin rd god sy, sidon tha prestera,
men seg vs, ho skilum wi thr alla mnniska to krja, thr vnder vs
weld send. Tha stand Hellnia vp fon hira stel nd kth: Tha muska
folgath thene sjar, tha folka hjara goda forsta, thrvmbe ach-stv
to bijinnande mith thin selva lsa rn to mkjande, that stv thinna
blikka in nd utward mi rjuchta svnder skmrd to werthande to fara
thin jn mod. Men in stde fon tht folk rn to mkjande heste vla
frsta utfonden, hwr vppa tht folk al sa nka spth, that hja to
lesta lik tha barga annath slip frota, vmbe that stv thin vla lusta
bota mi. Tht folk bigost to jolande nd to spotande. Thr thrvch ne
thuradon hja nn strid wither an to spinnande. Nv skolde jder wna,
tht hja vral-et folk to hpe hropen hde vmbe vs algadur to-t land ut
to driwande. Nan an stde fon hja to bihluda gvngon hja allerwikes,
k to tha hinde Krkalana til tha Alpa ut to kthane, tht et thene
allervrste drochten hgth hde sin wisa toghater Min-erva, to nmth
Nyhellnia mong tha mnniska to sendane in overa s mith-en ulk,
vmbe tha manniska gode rd to jvane nd that allermannalik, thr
hja hra wilde, rik nd lukich skolde wertha, nd nis bs skolde
wertha ovir alle kningkrik irtha.s. Hira byldnese stldon hja vppe
hjara ltrum, jeftha hja vrsellade-t anda dvma mnniska. Hja kthon
allerwikes rd-jvinga, thr hju nimmer jven hde, nd tladon
wondera, thr hju n dn hde. Thrvch lesta wiston hja-ra selva master
to mkjande fon vsa wa nd setma, nd thrvch wankthinga wiston hja
alles to wisa nd to vrbruda. Hja stldon k fmma vnder hjara hode,
tha skinber vndere hoda fon Fsta [23] vsa forma re moder, vmbe over
tht frna ljucht to wkane. Men tht ljucht hde hja selva vpstoken,
nd in stde fon tha fmkes wis to mkjande, nd afterni mong
tht folk to senda, ta sjaka to lvande nd tha brn to lrande,
mkadon hja-ra dvm nd dimme bi-t ljucht nd ne machten hja n buta
ne kvma. Ak wrdon hja to rdjvstare brukath, tach thi rd was by
skin ut hjara mvlun; hwand hjara mvla wron navt owers as tha hropar,
hwr trvch tha prestera hjara grta utkthon.

Tha Nyhellnia fallen was, wilden wi en ore moder kjasa, svme wildon
ni Texlnd vmbe thr ne to frjande, men tha prestera tham by hira
jn folk tht rik wither in hde, nildon that ni hengja nd kthon
vs by-ra folk as vn-frna ut.





III. UT-A SKRIFTA MINNOS.


Tha-k althus wi faren was mith mina ljvd fon Athenia, kmon wi to tha
lesta an en land thrvch min ljvd Krta hten vm-a wilda krta tham
et folk anhyv by vsa kvmste. Tha as hja sagon tht wi nn orloch an-t
skld foron, wrdon hja mak, alsa-k et lest far en bota mit yserark en
havesmode nd en stada land wandelde. Thach tha wi en stut sten hde
nd hja spradon that wi nn slavona nde, tha wron hja vrstlath,
men tha-k-ra nw talt hde that wi wa hdon lik to birjuchtande vr
alla, tha wilde-t folk k fon sokka h. Tach skrs hdon hja tham,
jefta tht lle land km anda tys. Tha forsta nd prestera kmon
brja, that wi hjara tjvth over hrich mkad hde nd tht folk km
to vs vmbe hul nd skul. Tach th tha forsta sagon tht hja hjara
rik vrljasa skolda, th jvon hja tht folk frydom nd kmon to my
vmb-en sega bok. Thach tht folk was nn frydom wenth nd tha hra
bilvon welda ni that ir god thochte. Th thi storn wr wr, bigoston
hja twispalt among vs to sja. Hja sidon to min folk that ik hjara
help anhropen hde vmbe standfst kning to werthande. Enis fand ik
gif in min met, th as er nis en skip fon-t Fly by vs vrsilde, ben
ik thrmith stolkens hinne brith.--Tach min witherfara to ltande,
sa wil-k mith thesa skdnesa allna sga, that wi navt mge hma mith
et Findas folk fon wr tht et sy, hwand tht hja fvl send mith falska
renka, wa to frsane as hjara swte wina mith djande fenin.


                        Ende wra skrifta Minnos.





HIR VNDER SEND THR WTA, THR AFTER SEND THISSA SETMA MAKAD.


1. Allera mannalik wt, tht i sin bihof mot, men wrth mmon sin bihof
vnthalden, sa nt nn man hwat er skil dva vmbe sin lif to bihaldande.

2. Alle elte minniska werthat drongen a brn to tlande, wrth that
wrth, sa nt nim man wath rges throf kvme mei.

3. Alrek wt tht-i fry nd vnforlth wil lva, nd that re that k
wille. Umbe sekur to wsande send thesa setma nd domar makad.

Tht folk Findas heth k setma nd domar: men thissa ne send navt ni
tha rjucht, men allna to bta thra prestera nd forsta, thana send
hjara stta immerthe fvl twispalt nd mord.

1. Sahwersa imman nd heth nd hi ne kan him selva navt ne helpe,
sa moton tha fmna tht kvndich dva an tha grva. Thrfar tht et en
stolte Fryas navt ne focht tht selva to dva.

2. Sa hwa rm wrth thrvch tham hi navt wrka nil, thr mot to tht
lnd ut drven wertha, hwand tha lfa nd loma send lestich nd rg
tnkande: thrvmbe ch mn to wrane tham.

3. Jahwder jong kerdel ch en brud to ska nd is er fif nd twintich
sa cht-er en wif to hva.

4. Is hwa fif nd twintich, nd heth er nn ng, sa ch ek man him
ut sin hus to wrane. Ta knpa chon him te formyda. Nimth er thn
nach nn ng, s mot mn hin dd sga, til thju hi ut of lande brude
nd hir nn rgenese nva ne mi.

5. Is hwa wrak, thn mot-er avbr sga, that nimman fon him to frsane
nach to duchtane heth. S mi er kvma hwr er wil.

6. Plcht er fterni hordom, s mi-r fluchta, ne fluchter navt, s
is er an tha wrke thr bitrogna vrlten, nd nimman ne mi helpa him.

7. Sahwersa mmon eng god heth, nd en ther likt that thermte that
i him thran vrfate, sa mot-i tht thrja vrjelda. Stlth-i jeta ris,
thn mot hi ni tha tinlnum. Wil thene bistlne him fry jva, s
mi-r tht dva. Tha brth et wither sa ne mi nimman him frydom jva.





THISSA DOMAR SEND MAKAD FARA NYDIGA MANNISKA.


1. Sa hwa in hste mode tha ut nid an nen otheris lja brekth, gna
ut stt, jeftha thoth, hok tht et sy, sa mot thi ltha bitallja
hwat thene ldar askth. Ne kan hi ht ni dva, s mot-er avbr an im
dn wertha, sa hi an thene re dth. Nil hi tht navt ut ne stonda,
sa mot-i him to sina burch-fm wenda, jef-i inna yser jeftha tin lna
mi werka til sin skeld an sy, ni thr mne dom.

2. Jef ther imman fvnden wrth alsa rg that-i en Fryas felth, hi
mot et mit sina lif bitallja. Kan sina burch-fm hin far altid nei
tha tinlna helpa r er fat wrde, sy mi tht dva.

3. Sahwersa thi bona mi biwisa mith vrknda tju-gum that et by vnluk
skn is, sa skil hi fry wsa, men brth et jetta ris, sa mot i tach
ni tha tinlnum, til thju mn thr thrvch formitha all vnerimde
wrka nd fitha.





THIS SEND DOMAR FARA HORNINGA.


1. Hwa en theris hvs ut nid thene rde hn anstekt nis nn Fryas,
hi is en horning mith basterde blod. Mi mn hin bi thr dd bifra,
sa mot mn hin vppet fjvr werpa. Hy mi flya sa-r kn tach nrne
skil-i skur wsa fara wrkande hand.

2. Nn fta Fryas skil ovira misslga sinra nste malja nach kalta. Is
hwa misddoch far-im selva, tha navt frselik far en ra, s mi hi
him selva riuchta. Wrth-i alsa rg that er frslik wrth, sa mot mn-t
anda grva bara; men is thr hwa thr en ther fterbkis bitighat in
stde fon-t to dvande by tha grva, tham is en horning. Vpper mrk
mot-i anda ple bvnden wrde, sa that et jong folk im anspja mi;
fter ldath mn him overa mrka, men navt ni tha tinlna, thrvch
that en rerwer k is to frsane.

3. Sahwersa thr nis imman wre sa rg that i vs gvng vrrde by tha
fyand, pda nd to pda wes, vmbe vsa flyburga to nka, jeftha thes
nachtis thrin to glupa, tham wre allna wrocht ut Findas blod. Him
skolde mn mota barna. Tha stjurar skoldon sin mm nd al sina sibba
ni en fr land mota brnga nd thr sin ask forstuva, til thju-r
hyr nn feninige krdon fon waxa ne mge. Tha fmna moton thn sin
nm utspja in vr al vsa stta, til thju nn brn sin nm ne krje
nd tha alda him mge vrwerpa.

Orloch was vrtigen, men nd was kvmen an sin std. Nw wron hyr thr
mnniska thr-ek en buda kren stlon fon asvndergane jnhra. Tha
hja wrdon alle fat. Nw gong thene rosta to nd brocht thene thjaf by
tha skelte. Tha fmna thr-vr kthande sidon allerwis, that i dn
hde ni rjucht. Thi ra nom thene thjaf tht kren of nd lth im
forth mith frto. Tha fmna sidon, hi heth wel dn. Men thi thredde
jnhr gvng ni tha thjaf sin hus th. Asser nw sach ho nd thr
sin stel vpstlth hde, th gvng hi to bk nd krde wither mith en
win fol ndthreftum, thr hi nd mith fon thre hrd of driwe. Fryas
fmna hdon by him omme wrath nd sin dd an dat vge bok skrven,
dahwile hja al sina lka ut fchth hde. Thju remoder was et sid
nd hju lt het kvndich dva thrvch tht le lnd.





THAT HYR VNDER STAT IS IN UT THA WAGAR THRE WARABURGH WRITEN.


(Zie plaat I.)

Hwat hyr boppa stt send thi tkna fon tht jol. Tht is tht forma
sinnebild Wr.aldas, k fon t-anfang jeftha-t bijin, wrut tid km,
tht is thene Kroder thr vg mith tht jol mot ommehlpa. Thana
heth Frya tht standskrift mkad, tht hja brukte to hira tex. Th
Fsta remoder wre, heth hju-r tht run ieftha hlpande skrift fon
mkad. Ther Witkning tht is Skning, Godfriath thene alda heth
thr asvndergana telnomar fon mkad fr stand nd rvnskrift bde. T is
thrvmbe navt to drok that wi-r jrliks nis fst vr fyrja. Wy mgon
Wr.alda vg thank to wya tht hi sin gst sa herde in vr vsa thla
heth fra ltn. Vnder hira tid heth Finda k en skrift utfvnden,
men tht wre sa hgfrende nd fvl mith frisla nd krolum, tht
tha afterkvmanda throf thju bitjudnese ring vrlren hve. Afterni
hvon hja vs skrift lred binoma tha Finna, tha Thyrjar nd tha
Krekalander. Men hja niston navt god, tht-et fon et jol mkad was nd
that-et thrumbe altid skrven wrde moste mith son om. Thrby wildon
hja tht hjara skrift vnlsbr skolde wsa far ora folkum, hwand hja
hvath altid hmnesa. Thus to dvanda send hja herde fon-a wis rkath,
thrmtha, that ta brn tha skriftun hjarar aldrum amper lsa en mga;
dahwile wy vsa alderaldesta skriftun vin rd lsa mga as thra thr
jester skrven send.

Hir is tht stand skrift, thrvnder tht run skrift, forth tha tlnomar
a byder wisa.

(Zie plaat II.)





THAT STT VP ALLE BURGUM ESKRVEN.


r thre rge tid km was vs lnd tht sknneste in wr.alda. Svnne
rs hager nd thr was sjelden frost. Anda bma nd trjon waxton
frgda nd nochta, thr nw vrlren send. Among tha grs-sdum hedon
wi navt alena kren, ljaver nd blyde, men k swete thr lik gold
blikte nd tht mn vndera svnnastrla bakja kvste. Jron ne wrde
navt ne telath, hwand tht ne jr was alsa blyd as et thera. An
tha ne side wrdon wi thrvch Wr.aldas s bisloten, hwrvp nn folk
buta vs navt fara ne mochte nach kvnde. Anda re side wrden wi thrvch
tht brde Twisklnd vmtunad, hwr thrvch tht Findas folk navt kvma
ne thvradon, fon ovira tichta walda nd ovir it wilde kwik. By morne
paldon wi ovir it uter ende thes aster-s, by vind an thene middels,
alsa wi buta tha littiga wel twelif grta swete rinstrama hdon, vs
thrvch Wr.alda jven vmb vs lnd elte to haldane nd vmb us wigandlik
folk tha wi to wisana ni sina s.

Tha owira thissar rin strama wrdon tomet algadur thrvch vs folk
biston, k tha fjelda an thju Rne fon-t na enda alon et re
ende th.

To jenst-vr tha Dnamarka nd that Juttarlnd hdon wi folkplantinga
mith en burchfm, dna wonon wi kper nd yser, bijvnka tr, pk
nd svma r bihof. To jenst vr vs formlich Westland thr hdon wi
Brittanja mith sina tinlna. Brittanja tht was tht lnd thra
bannalinga, thr mith hulpe hjarar burchfm wi brith wron vmbe
hira lif to bihldana. Thach for that hja navt to bk kvma ne skolde,
warth er rost en B to fra hjara str priked, tha bana mith rde blod
farve nd tha ra misddar mith blwe farve. Buta nd bihalva hdon vsa
stjurar nd kpljvd mni loge anda hinde Krkalanda nd to Lydia. In
vr Lydia thr send tha swarta minniska. Th vs lnd s rum nd grt
wre, hdon wi flo asondergana nmon. Thra tham saton bisten tha
Dnemarka wrdon Juttar hton, uthvede hja tomet navt owers ne ddon
as barn-stn juta. Hja tham thr saton vppa landa wrdon Ltne hten,
thrvchdam hja mst al vrlten lvadon. Alle strnd nd skor hmar
fon-a Dnemarka alont thre Sndfal nw Skelda wrdon Stjurar [24],
Skmpar [25] nd Angelara [26] hton. Angelara s hton mn to
fora tha butafiskar vmbe that hja alan mith angel jefta kol fiskton
nd nimmer nn netum. Thra thr thna til tha hinde Krkalnda
ston, wrdon blt Kd-hmar hten, thrvch tham hja ninmerthe buta
foron. Thra thr in da hge marka ston, thr anna Twisklanda plon,
wrdon Saxmanna hton, uthwede hja immer wpned wron vr tht wilde
kwik nd vrwildarda Britne. Thr to boppa hdon wi tha nma Landston,
Mrsata [27] nd Holtjefta Wodsta.





HO ARGE TID KM.


Hl thene smer was svnne ftere wolkum skolen, as wilde hja irtha
navt ne sja. Wind reston in sina bdar, werthrvch rk nd stom lik sla
boppa hus nd polon stand. Loft wrth althus drov nd dimme, nd inna
tha hirta thra mnniska was blydskip nach frchda. To midden thisre
stilnise fng irtha an to bvande lik as hju strvande wre. Berga
splyton fon ekkorum to spjande fjvr nd logha, ra svnkon in hira skt
del, nd thr hju rost fjelda hde; hjade hju berga vppa. Aldland
[28] trvch tha stjurar Atland hten svnk nyther nd tht wilde hef
stpton alsa nka wr berg nd dlon, that ella vndere s bidvlwen
wre. Flo mnniska wrdon in irtha bidobben, nd flo thr et fjvr
vnkmen wron, kmon thrni innet wter vm. Navt allna inda landa
Findas spidon berga fjvr, men k in-t Twisk-land. Walda brnadon
thrthrvch fter ekkorum nd th wind dna wi km, th wjadon vsa
landa fvl ask. Rinstrma wrdon vrlid nd by hjara mvda kmon nja
landa fon sand nd drivande kwik. Thrju jr was irtha alsa to lydande;
men tha hju bter wre macht mn hira vvnda sja. Flo landa wron
vrsvnken, ra uta s rsen nd tht Twisk-land to fra-n halfdl
vntwalt. Bnda Findas folk kmon tha ltogha rumtne bifra. Vsa
wibritne vrdon vrdelgen jefta hja wrdon hjara harlinga. Th warth
wkandom vs dvbbeld boden nd tid lrd vs that ndracht vsa strikste
burch is.





THIT STT INNA WARABURCH BY THRE ALDEGA MVDA WRYT.


Thju wraburch nis nn fmnaburch, men thr in wrdon alla uthmeda
nd vrlandeska thinga wrath, thr mitbrocht binne thrvch tha
stjurar. Hju is thri pla, tht is en half ty sdwarth fon Mda-sblik
lgen. Alsa is tht frword: berga nygath thinna krunna, wolka nd
strma wn. Jes. Sknland [29] blst, slvona folka stppath vppat
thin klt, o Frya.


                        Alsa is thju skdnesse.


100 nd 1 jr [30] ni that ldland svnken is, km thr ut-et sta en
folk wi. Tht folk was vrdrven thrvch en ther folk, fter vs twisk
land krjon hja twispalt, hja skifton hjara selva an twam hpa, ek hr
gvng sines wiges. Fon-t ne dl nis nn tl to vs ne kmen, men tht
re dl fyl fter to vs Sknland. Sknland was sunnich bifolkath,
nd anda fter-kd tht sunnichste fon al. Thrvmbe machton hja-t
svnder strid wrwinna, nd uthwede hja wers nn lth ne ddon,
nildon wi thrvr nn orloch h. Nw wi hjam hvon knna lred,
s willath wi ovir hjara sda skriwa, fterni ho-t vs mith hjam
forgungen is. Tht folk was navt ne wild lik flo slachta Findas,
men lik anda gipta-landar, hja hvath prestera lik tham nd nw hja
krka hve k byldon. Tha prestera send tha engosta hra, hja hton
hjara selva Mgjara, hjara aller ovirste ht Magy, hi is hvedprester
nd kning mith n, allet re folk is nul in-t siffer nd llik nd
al vnder hjara weld. Tht folk nth navt nis en nme, thrvch vs send
hja Finna hten, hwand afskn hjara frsta algadur drov nd blodich
send, thach send hja thr alsa fin vp, that wi thr bi fter stne,
forth ne send hja navt to binydane, hwand hja send slvona fon tha
presterum nd jeta fl rger fon hjara mninga. Hja mnath that ella
fvl kvada gston is, thr inda mnniska nd djara gluppe, men fon
Wr.aldas gst nton hja nawet. Hja hvath stne wpne, tha Magjara
kpra. Tha Magjara tellath that hja tha rge gston banna nd vrbanna
mgon, thr vr is-t folk lan in ange frse nd vppira wsa nis nimmer
nn blydskip to bisjan. Th hja god sten wron, sochton tha Magjara
athskip bi vs, hja bogadon vp vsa tl nd sdum, vp vs fja nd vppa vs
ysere wpne, thr hja grn to fori hjara goldun nd sulvere syrhedum
wandela wilde, nd hjara tjoth hildon hja immerthe binna tha plon,
men tht vrskalkton vsa wkendom. Achtantich jr forther, just wr-et
jol-frste, thr kmon hja vnwarlinge lik sni thrvch stornewind drwen
ovir vsa landa to runnande. Thr navt flya machton wrdon vrdn, Frya
wrth anhropen, men tha Sknlandar hdon hira rd warlsed. Th wrdon
krfta smlath, thri plun fon Goda-his burch [31] wrdon hja wither
stonden, tha orloch bilv. Kt jefta Kter-inne, alsa hte thju fm,
thr burchfm to Goda burch was. Kt was stolte nd hchfranda,
thrvmbe ne lt hju nn rd ni follistar anda Moder ne frja. Men
th tha burchhra tht fta, th svndon hja selva bodon ni Texlnd
ni thre Moder th. Minna alsa was thre Moder-is nme, lt la tha
stjurar mnja nd l-et othera jongk folk fon Ast-flyland nd fon
tha Dnnemarkum. Ut thesse tocht is thju skydnese fon Wodin bern,
sa-r vppa burgum wryten is nd hir skrven. Anda Alder-gmude [32]
thr reste en alde skning. Sterik was sin nme nd tha hrop vr sina
dda was grt. Thisse alde rob hde thr nva; Wodin thene aldeste
hmde to Lumka-mkja [33] bi thre -mude to Ast-flyland by sin eldrum
t-us. nes was er hrman wst. Tnis nd Inka wron skmper nd just
nw bi hjara fderja anda Alderg-mude t-vs. As tha jonga kmpar nw
bi ekkrum kmon, kron hja Wodin to hjara hrman jefta kning ut,
nd tha skmpar kron Tnis to-ra skning nd Inka to hjara skelte
b thr nacht. Tha stjurar gvngon th ni tha Dnnemarka fra, thr
nmon hja Wodin mith sin wigandlika landwr in. Wnd was rum nd alsa
wron hja an en merng [34] to Skn land. Th tha northeska brothar ra
selva by-m fogath hde, dlde Wodn sin weldich hr an thri wiga. Frya
was hjara wpenhrop nd s hi bkward sloch tha Finnen nd Mgjara
as of et brn wron. Th thene Mgy fornm ho sin ljvd al ombrocht
wrdon, th sand hi bodon mith stf nd krone. Hja sidon to Wodin,
o thv alra grteste thra kningar, wi send skeldich, thach al hwat
wi dn hve is ut nd dn. Je mne that wi jvw brothar willengklik
anfat hve, men wi send thrvch vsa fyanda forth-ftereth nd thi alle
send vs jeta vppa hakka. Wi hvath often helpe an thinre burchfm
frjath, men hja neth vs navt ne meld. Thene Mgy sith, s hwersa
wi ekkrum to tha hlte vrdva, s skilun tha wilda skephrdar kmon
nd vs algdur vrdva. Thene Mgy heth fl rikdom, men hi heth sjan
that Frya weldiger is as al vsa gston et smine. Hi wil sin hved in
hira skt del ledsa. Thv bist thene wigandlikste kning irthas, thin
folk is fon yser. Warth vsa kning nd wi alle willath thin slvona
wsa. Hwat skolde that r-rik fr-i wsa, aste tha wilda wither to
lk driwa koste, vsa sfyra skolde-t rondblsa nd vsa mra skoldon
jv vral frut g.

Wodin was sterik, wost nd wigandlk, men hi nas navt klr sjande,
thrthrvch wrth i in hjar mra fvngen nd thrvch thene Mgy
kroneth. Rju flo stjurar nd land-wrar, tham thisse kr navt ne
sinde, brdon stolkes hinne, Kt mith nmande, men Kt thr navt to
fra thre Moder ner to fra thre mna acht forskine nilde, jompade
wr bord. Th km stornewind nd ftere tha skpa vppa skorra fonna
Dennemarkum del svnder enkel man to mistane. Afterni hvon hja tha
strt Ktsgat [35] hten. Th Wodin kroned was, gvng-er vppa wilda
ls; thi wron al rutar, lik een hjel buje kmon hja ajn Wodin-is
hr, men lik en twyrne wind wendon hja omme nd ne thvradon n wither
forskina. As Wodin nw to bk km, jav thene Mgy him sin toghater to-n
wf. Afternei wrth-i mith krdon birkad, men thr wron tawerkrdon
mong, hwand Wodin warth bi grdum alsa sr vrmten, that-i Frya nd
Wraldas gst miskna nd spota thvrade, thawyla hi sin frya hals bog
to fra falska drochten-likande byldum. Sin rik hilde sjvgun jr, th
vrdwind-ir. Thene Mgy side that-er mong hjara godon [36] vpnimeth
wre, nd that hi fon thr over hjam welda, men vs folk lakton vmbe
tin tl. Th Wodin en stt wi wst hde, km thr twispalt, wi wildon
en ra kning kjasa, men tht nilde thene Mgy navt me hengja. Hi
wrde that et en rjucht wre, him thrvch sina drochtne jven. Buta nd
bihalva thissa twist, sa was thr jet-n emong sin Mgjara nd Finna,
thr Frya ner Wodin ra navt nilde, men thi Mgy dde as-t im sinde,
hwand sin toghater hde en svn bi Wodin wvnen, nd nw wilde thene
Mgy that thisse fon en hge kom-of wsa skolde. Thawyla alle sanade
nd twista, krnade hi thene knp to kning nd stlade hin sels as
foged nd foramond jefta rdjvar an. Thra thr mr hildon fon hjara
balg as fon tht rjucht, tham lton him bidobba, men tha goda brdon
wi. Flo Mgjara flodon mith hjara ljvda bk ward, nd tha stjurar
gvngon to skip nd en hr fon drista Finna gvngen as rojar mitha.

Nw kvmath tha skdnese fon nf Tnis nd sin nf Inka rost rjucht
vppet pat.





THIT ELLA STET NAVT ALLNA VPPER WARABURGH MEN OK TO THRE BURCH
STAVIA, THR IS LIDSEN AFTERE HAVE FON STAVRE.


Tha Tnis mith sinum skpum to honk kra wilde, gvng-i thet forma vppa
Dnnemarka of, men hi ne macht thr navt ne landa, tht hde thju Moder
bisjowath. Ak et Flyland ne macht-er navt ne landa nd forth nrne. Hi
skold alsa mith sinum ljvdum fon lek nd brek omkomth hve, thr vmbe
gvngon hja thes nachtis tha landa birwa nd fra bi di. Alsa alinga
thre kd forth farande kmon hja to thre folkplanting Kdik [37],
althus hten vmbe that hjara have thrvch ne stnene kdik formath
was. Hir selladon hja allerhanne liftochta, men Tutja thju burchfm
nilde navt dja that hja-ra selva nither setta. Th hja rd wron
krjon hja twist. Tnis wilde thrvch thju strte fon tha middels
vmbe to frane fr tha rika kning fon Egiptalandum, lik hi wel
r dn hde, men Inka side, that-i sin nocht hde fon al et Findas
folk. Inka mnde that er byskin wel en hach dl fon Atland by wysa fon
land vrbilwen skolde wsa, thr hi mith tha ljvdum frthoch lva
machte. As tha bda nva-t-althus navt nes wrde koste, gvng Tnis
to nd stek en rde fne in-t strnd, nd Inka ne blwe. Thr fter
macht jahwder kjasa, hwam ek folgja wilde, nd wonder, by Inka thr
en gryns hde vmbe tha kningar fon Findas folk to thjanja, hlipon
tha msta Finna nd Mgjara ovir. As hja nw tht folk tellath nd
tha skpa thr ni dlath hde, tha skdon tha flta fon ekkorum;
fon nf Tnis is fterni tl kmen, fon nf Inka ninmer.

Nf Tnis for allinggen thre kd al thrvch thju porte thre
middels. Tha Atland svnken is, was-t-inna middels ra owera k rg
to gvngen. Thrthrvch wron thr flo mnniska fon-t Findas land
ni vsa hinde nd fre Krkalanda kvmen nd k flo fon Lyda-his
land. Thr jn wron k flo fon vs folk ni Lydas land gvngon. Tht
ella hde wrocht, that tha hinde nd fre Krkalanda far tht weld
hre Moder vrlren was. Thr hde Tnis vp rkned. Thrvmbe wilde
hi thr en gode hve kjasa nd fon thr ut fara rikka forsta fra,
men thrvchdam sine flte nd sin folk sa wanhven utsagon, mndon tha
Kdhmer that hja rwera wron, nd thrvmbe wrdon hja vral wrath. Tha
to tha lesta kmon hja an to Phonisivs kd, that wre 100 nd 93 jr
[38] ni tland svnken is. Ni bi thre kd fvndon hja en land mith
twam diapa slinka, alsa-t as thrju landa utsach. Vppet midloste thra
staldon hja hjara skula vp, fterni bvwadon hja thr en burchwal
om to. As hja thran nw en nme jva wilde, wrdon hja vnnes, svme
wild-et Fryasburch hta, ra Nf tnia, men tha Mgjara nd tha Finna
bdon tht skolde Thyrhisburch [39] hte. Thyr [40] alsa hton hja
n hjarar drochtena nd vppe tham-is jrdi wron hja thr land,
to wither-jeld wildon hja Tnis vg as hjara kning biknne. Tnis
lt im bilsa nd tha ra nildon thrvr nn orloch ne h. Th hja nw
god ston, th sandon hja svme alde stjvrar nd mgjara ana wl nd
forthni thre burch Sydon, men that forma nildon tha Kdhmar nawet
fon-ra nta. Thv bist frhmanda swrvar sidon hja, thr wi navt
hachta ne mge. Tha th wi hjam fon vsa ysera wpne vrsella wilde,
gvng to lersta ella god, k wron hja sr ny ni vsa brnstnum nd
tht frja thr ni nam nn ende. Men Tnis thr frsjande wre,
brde that er nn ysere wpne ner brnstne mr hde. Th kmon tha
kpljvd nd bdon hi skolde twintich skpa jva, thr hja alle mith-a
finneste wrum tho hrda wilde, nd hja wildon him alsa flo ljvda
to rojar jva as-er jrde. Tw-lif skpa lt-i-to hrda mith win
hvning nd tomkad lther, thr bi wron tmar nd sitlun mith gold
wrtin sa mn hja ninmer nde sjan. Mith al thi skt fyl Tnis tht
Flymar binna. Thi grvaman fon Westflyland wrth thrvch al thessa
thinga bigstered, hi wrochte that Tnis bi thre mvde fon-t Flymar
en loge bvwa mchte, fterni is thju std Almanaland [41] heten
nd tha mark thr hja fterni to Wyringg [42] vp wandelja machton
toltmark. Thju Moder rde that wi ra ella vrkpja skolde buta ysere
wpne, men mn ne melde hja navt. Th tha Tyrjar thus fry spel hdon,
kmon hja lan wither to farand vsa wron s hinde as fre vsa ajn
skmpar to skdne. Thrfter is bisloten vpper mna acht, jrlikes
sjvgun Thyrjar skpa to to ltane nd navt mar.





HWAT THR OF WRDEN IS.


Inner northlikste herne fon tha Middels, thr lid en land
by thre kd. Nw kmon hja tht a kp to frjande. Thrvr wrth
ene mna acht bilid. Moder-is rd wrth wnnen, men Moder sach ra
lyast fr of. Thrvmbe mnde hju that er nn kw an stek, thach as
wi fterni sgon ho wi misdn hde hvon wi tht land Missellja
[43] hten. Hirfter skil blika ho wi thr to rde hde. Tha Gola,
[44] alsa heton tha sndalinga prestera Sydon-is, tha Gola hdon
wel sjan thet et land thr skares bifolkad was nd fr fon thre
Moder wre. Vmb ira selva nw en gode skin to jvane, lton hja ra
selva in vsa tl ana trowe wydena hta, men that wre btre wst,
as hja ra selva fon thre trowe wendena nmath hde, jefta kirt wei
trjuwendne lik vsa stjurar lter dn hve. Th hja wel ston wron,
tha wandeldon hjara kpljuda skne kpre wpne nd allerlja syrhdon
to fara vsa ysere wpne nd wilde djara huda, wrfon in vsa suder landa
flo to bikvma wron. Men tha Gola fyradon allerhna wla drochtenlika
frsta nd to tyadon tha kadhmar thra thrvch todvan hjarar horiga
manghrtne nd tha swt hd fon hjara fininnige win. Was thr hwa
fon vs folk thr-et alsa rg vrbrud hde, that sin lif in frse
km, than lnadon tha gola him hul nd foradon him ni Phonisia,
that is palmland. Was hi thr sten, thn most-i an sina sibba nd
tha skriwa, that-et land s god wre nd tha mnniska s luklik, as
ninmn hin selva mocht forbylde. A Brittannja wron rju flo manna,
tha lith wiva, th tha Gola that wiston, lton hja alwis manghrtne
skka nd thessa javon hja tha Britne vmb nawet. Thach al thissa
manghrtne wron hjara thjansterum, thr tha bern fon Wrlda stolon
vmb-ar an hjara falske drochtne to jvane.





NW WILLATH WI SKRIWA VR THA ORLOCH THRA BURCHFAMNA KALTA AND MIN-ERVA


And ho wi thr thrvch al vsa sderlanda nd Brittanja anda Gola
vrlren hve.

Bi thre Sder-rn-mvda nd thre Skelda, thr send sjvgun landa,
nmath ni Fryas sjvgum wkfmkes there wk. Middel vppet ne land is
thju burch [45] Walhallagra, inut tha wgrum thra is thju folgjande
skdnesse wrten. Thr bvppa stt: ls, lr nd wk.

563 jr [46] ni ldland svnken is, sat hir en wise burch fm,
Min-erva was hira nma. Thrvch tha stjurar Nyhellnja tonmath. This
tonma was god kren, hwand tha rd, thr hju lnade, was ny nd hel
bvppa alle therum. Overa Skelda et thre Flyburch sat Syrhd. Thjus
fm was fvl renka, skn was r-anhlith nd kwik was hira tvnge,
men thi rd thr hju jef, was immer in thjustere worde. Thr vmbe
warth hju thrvch tha stjurar Klta hten, tha landsta mnadon that
et en rnma wra. Inna troste wille thre vrsturvene Moder stand
Rsa-mvda thet forma, Min-erva thet twde nd Syrhd thet thredde as
folgstere biskreven. Min-erva nde thr nn wit fon, men Syrhd was
er thrvch knaked. Lik en wrlandeske forstinne wilde hju rath frsath
nd bden wsa, men Min-erva wilde enkel minth wsa. To tha lesta
kmon alle stjurar hiri hjara held bjada, selva fon tha Dena-marka
nd fon-t Flymar. That vvnde Syrhd, hwand hju wilde bvppa Min-erva
utminthja. Til thju mn en grte thnk ovir hira wkendum hva skolde,
myk [47] hju ennen hna vpper fne. Th gvng Min-erva to nd myk en
hrder hvnd nd en nachtul in vppira fne. Thene hvnd side hju wkt
ovir sin hr nd ovira kidda nd thene nachtul wkt ovira fjelda til
thju hja thrvch tha musa navt vrdn ne wrde. Men thene hna neth
far nimman frjundskip, nd thrvch sin vntocht nd hchfrenhd is
er vaken thene bna sinra nista sibba wrden. As Kalta sach that er
wrk falikant ut km, to gvng hju fon kwad to rger. Stolkes lt hju
Mgjara to hiri kvma vmbe twery to lrane. As hju thr hira nocht
fon hde, werpte hju hira selva anda rma thra Golum, thach fon
al thi misddon ne macht hju navt btre ne wrde. As hju sach that
tha stjurar mr nd mr fon iri wke, tha wilde hju ra thrvch frse
winna. Was tha mne fvl nd thene s vnstumich, than hlip hju over
et wilde hef, tha stjurar to hropande that hja alle skolde vrgn,
sahwersa hja hiri navt anbidda nilde. Forth vrblinde hju hira gun
hwr thrvch hja wter fori land nd land fori wter hildon, thrthrvch
is mni skip vrgvngen mith mn nd mus. Vppet forma wrfrste tha al
hira landsta wpned wron, lt hju brga bjar sknka, in tht bjar
hde hju tverdrank dn. As et folk nv algdur drunken wre, gvng hju
bvppen vp hira stridhros standa, to lnande mith hira hole tojenst hira
spri, mrnerd ne kv navt skner. Tha hja sach that alle gon vpper
fstigath wron pende hju hira wra nd kth, svnum nd thogatrum
Fryas, i wt wel that wi inna lerste tyd fl lek nd brek lden hve,
thrvchdam tha stjurar navt lnger kvme vmb vs skriffilt to vrsella, men
i nte navt hwrthrvch et kvmen is. Lng hv ik my thr vr inhalden,
thach nv kn-k-e tnavt lnger n. Hark then frjunda til thju i wta
mge hwrni i bita mi. Anda ra syde thre Skelda hwr hja tomet
tha frt fon alle sa hve, thr mkath hja hjvd dgon skriffilt fon
pompa bldar, thr mith sparath hja linnent ut nd knnath hja vs wel
miste. Nidam tht skriffilt mkja nv alti vs grteste bydriv wst is,
s heth thju Moder wilt that mn et vs lra skolde. Men Minerva heth
al et folk bihexnath, jes bihexnath frjunda, ivin as al vs fja tht
lsten sturven is. Er-ut mot-et, ik wil thi tella, nas-k nn burchfm
ik skold et wel wta, ik skolde thju hex in hjara nest vrbarne. Th
hju thi lerste worda ut hde, spode hju hira selva ni hira burch tha,
men tht vrdrvnken folk was althus dnera bigstered, that et vr sin
rde navt mocht to wkane. In dvl-dryste iver gvngon hja overa Sand
fal nd nidam nacht midlerwil del strk gvngon hja evin drist vpper
burch ls. Thach Klta miste al hwither hira dol, hwand Minerva nd
hira fmna nd tha foddik wrdon alle thrvch tha rppa stjurar hreth.





HIRBY KVMTH THA SKDNESSE FON JON.


Jon, Jn, Jhon nd Jn is al n mith jven, thach thet lit anda
utsprk thra stjurar, thr thrvch wenhd ellas bikirta vmbit fra nd
hard hropa to mvgane. Jon tht is jva was skning, bern to-t-Alderg,
to-t Flymar ut fren mith 100 nd 27 skpum, tohrth fr en grte
butaris, rik to lden mith brnstn, tin, kper, yser, lken, linnent,
filt, fmna filt fon otter, bver nd kanina hr. Nw skold er fon
hir jeta skriffilt mith nimma; tha to Jon hir km nd sach ho Klta
vsa rom rika burch vrdn hde, th wrther s uter mte heftich, that
er mith al sinum ljudum vpper Flyburch of gvng nd thr to witterjeld
thene rda hne an stek. Men thrvch sin skelta bi nacht nd svme sinra
ljudum wrth thju foddik nd tha fmna hret. Tach Syrhd jefta Klta
ne mochton hja navt to ftane, hju klvwde vppa utroste tinne, jahweder
tochte that hju inna logha omkvma moste, th hwat brde? Dahwile al
hira ljuda stk nd stif fon skrik standon, km hju skner as -to
fora vp hira klppar to hropande ni Klta min-is [48]. Th strmada
tht ora Skelde folk to hpa. As tha stjurar that sgon hripon hja fr
Minerva wy. En orloch is thrut kvmen, hwrthrvch thvsande fallen send.

Under thesse tidon was Rsamond tht is Rsa mvda Moder, hju hde
fl in thre minne dn vmbe frtho to wrja, tach nw-t alsa rg km,
myk hju kirte mte. Bistonda sand hju bodun thrvch tha land pla
nd lt en mna ndban utktha, th kmon th landwrar ut alle wrda
wi. Tht strydande land folk wrth al fat, men Jon burch hin selva
mith sin ljud vppa sina flte, mith nimand bda tha foddika, byonka
Minerva nd tha fmna fon bdar burchum. Helprik thene hrman lt-im
in banna, men tha hwila alle wrar jeta o-ra Skelda wron for Jon
to bek ni-t Flymar nd forth wither ni vsa landum. Sin ljud nd
flo fon vs folk namon wif nd bern skp, nd as Jon nw sach that
mn hin nd sin ljud lik misddar strafja wilde, brudon hi stolkes
hinne. Hi dde rjucht, hwand al vsa landar nd allet ora Skelda folk
thr fjuchten hdon wrdon ni Brittanja brocht. Thius stap was mis dn,
hwand nv km t-anfang fon tht ende:

Klta thr ni-t segse ven blyd vppet wter as vppet land hlpa
machte, gvng ni tha fsta wal, nd forth vppa Missellja of. Th kmon
tha Gola mith hjara skepum ut-a Middels Kdik bifra nd l vs uter
land, forth fylon hja vp nd over Brittannja thach hja ne mochton thr
nn fsta fot ne krja, vmbe tht tha sjvrda weldich nd tha bannalinga
jeta fryas wron. Men nw km Klta nd kth, thv bist fry bern nd vmbe
litha lka heth mn thi to vrwurpene mkad, navt vmbe thi to bterja,
men vmbe tin to winnande thrvch thina handa. Wilst wr fry wsa nd
vnder mina rd nd hoda lva, tjn ut then, wpne skilun thi wrda,
nd ik skil wka o-er thi. Lik blixen fjur gvng et o-era landa, nd
r thes Kroders jol nis omhlpen hde, was hju msterinne over al
gadur nd tha Thyrjar fon al vsa suder stta til thre Sjene. [49]
Vmbe that Klta hira selva navt to fl bitrowada, lt hju in-et
northlika berchland ne burch bvwa Klta-s burch wrth hju hten, hju
is jet anwsa, men nv ht hja Kren-k. Fon thjus burch welde hju lik
en efte moder, navt to wille fr men over hira folgar nd tham hjara
selva forth Kltana [50] hton. Men tha Gola weldon by grdon over l
Brittanja, tht km nis dlis that hju nn mr burga nde, twyas that
hju thr nn burchfmna nde nd thryas thrvchdam hju nn efte foddik
navt nde. Thrvch al thessa rska kvn hira folk navt ni lra, tht
wrde dvm nd dor nd wrde endelik thrvch tha Gola fon al hira ysera
wpne birwath nd to tht lesta lik en buhl by thre nse omme lid.





NV WILLATH WI SKRIVA HO-T JON VRGVNGEN IS, THIT STT TO TEXLAND
SKRVEN.


10 jr fter Jon wi brit was, kmon hyr thrju skpa in-t Flymar falla,
tht folk hrip ho-n-sjen, fon hira tlinga heth thju Moder thit skrywa
lten. Th Jon antha Middels km was then mra thra Gola hin vral
fr ut gvngen, alsa hi an thri kd fon tha hinda Krkalanda nrne
flich nre. Hi stk thus mith sinum flte ni Lydia, tht is Lyda his
lnd, thr wildon tha swarta mnniska fta hjam nd ta. To tha lesta
kmon hja et Thyrhis, men Minerva side hald of, hwand hir is thju loft
langne vrpest thrvch tha prestera. Thi kning was fon Tnis ofstamed,
s wi lter hrdon, men til thju tha prestera en kning wilde hve thr
alderlangne ni hjara bigrip wre, alsa hde hja Tnis to en gode up
hjad, to rgnisse sinra folgar. As hja nv Thyr fter bek wre, kmon,
tha Thyriar en skip uta fte hoda rwa, nidam tht skip to fr was,
kvndon wi-t navt wither wina, men Jon swor wrka thrvr. Tha nacht
km krde Jon ni tha fre Krkalandum, to lesten kmon hja by en
land tht bjustre skryl ut sa, men hja fondon thr en havesmvda. Hir
side Minerva skil by skin nn frse to fara forstum nach presterum
ndich wsa, nidam hja algadur feta etta minna, thach th hja inner
have hlipon fonth mn hja navt rum noch vmbe alle skpa to bislta,
nd thach wron mst alle to lf vmbe wider to gane. Alsa gvng Jon
thr forth wilde mith sin spr nd fne tht jongk folk to hropande,
hwa willinglik bi-m skra wilde. Minerva thr biliwa wilde dde
alsa. Tht grteste dl gvng ni Minerva, men tha jonggoste stjurar
gvngon by Jon. Jon nam thre foddik fon Klta nd hira fmna mitha,
nd Minerva hild hira ajn foddik nd hira ajn fmna.

Bitwiska tha frum nd heinda Krkalandum fand Jon svma landa thr
im likte, vppet grteste gvng-er inna tha walda twisk tht berchta en
burch bvwa. Fon uta litha landa gvng-er ut wrka tha Thyrjar skpa
nd landa birwa, thrvmbe send tha landa evin blyd Rwer landa,
as Jonhis landa [51] hten.

Tha Minerva tht land bisjan hde, tht thrvch tha inhmar Attika is
hten, sach hju that tht folk al jita hoder wron, hja hildon hjara
lif mith flesk, krdum, wilde wotelum nd hvning. Hja wron mith felum
tekad nd hju hdon hjara skula vppa hellinga thra bergum. Thrthrvch
send hja thrvch vs folk Hellinggar hten.

Tht forma gvngon hja vppa run, tha as hja sgon that wi navt ne
tldon ni hjara skt, th kmon hja tobek nd lton grte tskip
blika. Minerva frjde jef wi vs in thre minna machte nither
setta. That wrde to staden vnder biding that wi skolde helpa hjam
with hjara swetsar to stridande, thr alan kmon hjara bern to
skkana nd hjara skt to rwana. Th bvwadon wi ne burch arhalf
pl fon thr have. Vppa rd Minervas wrth hju Athenia [52] heten:
hwand side hju, tha fter kvmand agon to wtane, that wi hir navt
thrvch lest ner weld kvmen send, men lik tha vntfongen. Dahwile wi
an thre burch wrochton kmon tha forsta, as hja hja nv sagon that
wi nn slavona hde, sind er sok navt, nd lton-t an Minerva blika,
til thju hja tochton that en forstene wre. Men Minerva frja, ho bist
wel an thina slvona kvmen? Hja andere, svme hvath wi kpad, ra anna
strid wnnen. Minerva side, shwersa ninman mnneska kpja nilda sa
ne skolde ninman jvw bern rwa nd i ne skolda thrvr nn orloch hve,
wilst thus vsa harlinga biliwa s mot-i thina slvona fry lta.

That nv willath tha forsta navt, hja willath vs wi driwa. Men th
klokeste hjarar ljuda kvmath helpa vsa burch ta bvmande, thr wi nv
fon stn mkja.

Thit is thju skdnesse fon Jon nd Minerva.

As hja that nw ella tellad hde, frjath hja mith rbjadenesse vm
yrsene burchwpne, hwand sidon hja vsa ltha send weldich, tha sa
wi efta wpne hve, skillon wi ra wel wither worda. As hju thran
to stemad hde, frjath tha ljuda jef tha Fryas sda to Athenia nd
tha ra Krkalanda bloja skolde, thju Moder andere, jef tha fre
Krkalanda to tha erva Fryas hra, alsa skilum hja thr bloja, ne
hrath hja navt thr to, alsa skil thr lang over kmpad wrda mote,
hwand thene kroder skil jeva fifthusand jr mith sin Jol ommehlpa,
bifara tht Findas folk rip to fra frydom sy. [53]





THIT IS OVER THA GRTMANNA.


Th Hellnja jefta Minerva sturven was, tha bradon tha prestera
as jef hja mith vs wron, til thju that hel blika skolde havon hja
Hellnia to-ne godene ute kth. Ak nildon hja nne ore Moder kjasa
lta, to segande, hja hde frse that er emong hira fmna nimman wre,
thr hja sa god kvnde trowa as Minerva thr Nyhellnia tonomt was. Men
wi nildon Minerva navt as ne godene navt biknna, nidam hja selva
seid hde that nimman god jefta fvlkvma wsa ne kvnde thn Wr.aldas
gst. Thrumbe kron wi Grt Pire his toghater to vsa Moder ut.

As tha prestera sagon that hja hjara hering navt vp vsa fjvr brda
ne mochton, th gvngon hja buta Athenia nd sidon that wi Minerva
navt to-ne godene bikna nilda ut nyd, vmbe that hju tha inhmar
s fl ljafde biwsen hede. Forth javon hja that folk byldnisse fon
hira liknese, tjgande that hja thrlan ella frja machte alsa naka
hja hroch bilewon. Thrvch al thissa tellinga warth tht dvma folk
fon vs ofkrad nd to tha lesta fylon hja vs to lif. Men wi hdon vsa
stne burchwal mith twam hornum om tjen al to tha s. Hja ne machton
vs thervmbe navt nka. Thach hwat brde, an giptalanda thr wre en
overprester, hel fon gnum, klr fon bryn nd licht fon gst, sin nm
wre Skrops, [54] hy km vmb rd to jvane. As Skrops sach that er
mith sinum ljuda vsa wal navt biranna ne kv, th sand hi bodon ni
Thyrhis. Afterni kmon er thrja hvndred skipun fvl salt-tha fon
tha wilde berchfolkum vnwarlinga, vsa hva bifra, dahwila wy mith
alle mannum vppa wallum to strydande wron.

Dri as hja thju hva innomth hde wildon tha wilda salt-tha tht
thorp nd vsa skipa birwa. n salt-the hde al en bukja sknd,
men Skrops wilde tht navt ne hngja, nd tha Thyrjar stjurar thr
jeta Fryas blod int lif hde sidon, aste that diste s skilun
wi tha rde hne in vsa skypa stka nd thv ne skilst thina berga
na withera-sja. Skrops tham navt ne hilde ni fon morthja nor fon
hommelja, sand bodon ni Grt vmbir tha burch of to askja, hju
macht frya uttochte h mith al hira drywande nd brande hva, hira
folgar alsa fl. Tha wista thra burchhrum l god sjande tht hja
tha burch navt hlda ne kvnde, rden Grt hja skolde gaw to bitta,
bi fira Skrops wodin wrde nd overs bigvnde, thr mnatha fter
brde Grt hinne mith tha alder besta Fryas bern nd sjugum wara twilf
skypum. Th hja en stt buta thre have wron kmon thr wel thritich
skpun fon Thyrhis mit wif nd bern. Hja wilde ni Athnia g, tha as
hja hrdon ha-t thr eskpen stande gvngon hja mit Grt. Thi wtking
thra Thyrjar brocht algadur thrvch tha strte [55] thr vnder thisse
tida vppa tha rde s uthlip. Et leste lndon hja et Pangab, that is
in vsa sprke fif wtervm, vmbe that fif rinstrma mith hiri ni tha
s to strme. Hyr seton hja hjara selva nithar. That lnd hvon hja
Grtmannja hton. Thene kning fon Thyrhis fterni sjande that sin
alderbesta stjurar wei brit wren sand al sin skipa mith sina wilde
salttha vmb-er dd jefta lvand to ftane. Men as hj by thre strte
km bvadon bde s nd irtha. Forth hf irtha hira lif thr vppa,
s hg that al et wter to thre strte uthlip, nd that alle wata
nd skorra lik en burchwal to fra hjam vp rson. That skde over
tha Grtmanna hjara dgda lik as allera mannalik hel nd klr mi sja.





AN THA JRA 1000 AND 5 [56] NI ALDLAND SVNKEN IS, IS THIT VPP-INA
ASTERWACH IT FRYAS BURCH WRITEN.


Ni that wi in twilif jr tid nn Krkalandar to Almanlnd sjn
hde, kmon thr thrju skpa sa syrlik as wi nn hdon nd to fara
nimmer nde sjan. Vppet storoste thra wre-n kning thra Jhonhis
landum. Sin nme wre Ulysus nd tha hrop ovir sin wisdom grt. This
kning was thrvch ne presteresse forsid, that er kning wertha
skolde ovir alla Krkalanda sa-r rd wiste vmbe-n foddik to krjande,
thr vpstken was anda foddik it Texland. Vmbe-r to fensane hder
fle skta mith brocht, boppa ella fmne syrhdum, alsa thr in
wralda navt sknener mkad wrde. Hja kmon fon Troja en stede tham
tha Krkalandar innimth hdon. Al thissa skta bd hi tha Moder an,
men thju Moder nilde nrne fon nta. As er to lesta sa, that hju navt
to winne wre, gvng er ni Walhallagara [57].

Thr was en fm sten, hjra nme wre Kt, tha inna wandel wrde hju
Kalip [58] hten ut hawede that hjara vnderlip as en utkikbored
farutstk. Thrby heth er jron hwilth to rgenisse fon al tham
et wiston. Ni thra fmna hrop heth er to lesta en foddik fon hir
krjen, tha hja heth im navt ne bt, hwand as er in s km is sin
skip vrgvngon nd hy nked nd blt vpnimth thrvch tha thera skpa.

Fon thisse kning is hyr en skryver fterbilwen fon rn Fryas blod,
brn to thre nie have fon Athnia nd hwat hyr folgath het er vs
fon ovir Athnia skrven, thrut mi mn bisluta, ho wr thja Moder
Hel-licht sproken heth, th hja side tht Fryas sda to Athnia nn
stand holde ne kvste.

Fon tha thera Krkalander hetste skur fl kwd ovir Skrops hred,
hwand hi wre in nn gode hrop. Men ik dr segse, hi wre-n lichte man,
hchlik romed alsa sr bi tha inhmar as wel bi vs, hwand hi wre
navt vmbe tha mnniska to diapana sa tha ra prestera, men hi wre
dgedsm nd hi wist tha wisdom thra frhmanda folkum ni wrde to
sktande. Thrvmbe that er that wiste, hde-r vs to stonden that wi
machte lva ni vs ajn lik Sgabok. Thr gvng en telling that er vs
nygen were, vmbe that er tjucht wsa skolde ut en Fryaske mangrte nd
giptiska prester, uthawede that er blwe ga hde, nd that er fl
mangrta fon vs skkt wron nd in ovir Egiptalande vrsellath. Tha
selva heth er nimmerte jecht. Ho-t thrmi sy, skur is-t that er
vs mra thskip biws as alle thera prestum to smne. Men as er
fallen was, gvngon sina nimanninga alring an vsa wa torena nd bi
grdum sa flo mislikanda kra to mkjande, that er to lnge lesta
fon lik sa nd fon frydom ha navt wers as tha skin nd tha nme
vrbilf. Forth nildon hja navt ne dja that-a setma an skrift brocht
wrde, hwerthrvch tha witskip thra far vs forborgen wrth. To fra
wrdon alle skum binna Athnia in vsa tl bithongon, fterni most
et in bda tla skn nd to lesta allna in tha landis tal. In tha
rosta jra nam that manfolk to Athnia enkel wiva fon vs ajn slacht,
men that jongkfolk vpwoxen mitha mangrta thr landston namen thr k
fon. Tha bstera bern tham throf kemon wron tha sknsta nd snodsta
in wralda, men hja wron k tha rgsta. To hinkande vr byde syda,
to mlande her vm sda ner vm plga, hit ne sy that et wre for hjara
ajne held. Alsa nka thr jeta-n strl fon Fryas gst weldande wre
wrth al et bvwspul to mna werka forwrochten nd nimmn ne mocht en
hus to bvwande, tht rumer nd riker wre as tht sinra nstum. Tha
th svme vrbastere stdjar rik wron thrvch vs fra nd thrvch et
sulver, tht tha slvona uta sulverlna wnnon, th gvngon hja buta
vppa hellinga jefta inda dla hma. Thr beftha hga wallum fon lf
tha fon stn bvwadon hja hova mith kestlik husark, nd vmbe by tha wla
prestrum in en goda hrop to wsande, stldon hja thr falska drochten
likanda nd vntuchtiga bilda in. By tha wla prestrum nd forstum wrdon
tha knpa al tomet mra grt as tha toghatera, nd fken thrvch rika
jefta thrvch weld fon et pad thre dged ofhlid. Nidam rikdom by
tht vrbrde nd vrbasterde slachte fr bvppa dged nd re jelde, sach
mn altomet knpa tham hjara selva mit rma rika kltar syradon, hjara
aldrum nd fmna to sknda nd hjara kvnna to spot. Kmon vsa nfalda
aldera to Athnia vppe thre mna acht nd wildon hja thrvr bra,
s warth ther hropen, hark, hark, thr skil en smomma ktha. Alsa
is Athnia wrdon lik en brokland anda hte landa, fol blodsgar,
pogga nd feniniga snka, hwrin nn mnniske fon herde sdum sin
fot navt wga ne mi.





THIT STAT IN AL VSA BURGA.


Ho vsa Dnamarka [59] fra vs vlren gvngon 1600 nd 2 jr [60] ni
Aldland vrgongen is. Thrvch Wodins dor nd dertenhd was thene Magy
bs wrden ovir Sknlandis astardl. Wra berga nd wr-n s ne tvrade
hi navt ne kvma. Thju Moder wildet navt wrha, hja sprk nde kth,
ik sja nn frse an sina wpne, men wel vmbe tha Sknlander wr to
nimmande, thrvchdam hja bastered nd vrdren sind. Vppa mna acht
toch te man aln. Thrvmbe is-t im lten. Grt 100 jr lden byondon
tha Dnemarkar to wandelja mith hjam. Hja jvon him ysere wpne nd
rdskip thr fori wandeldon hja golden syrhdon bijunka kper nd
yserirtha. Thju Moder sand bodon nd rd-er, hja skolde thju wandel
fra lta. Thr wre frse side hju fori hjara sdum, nd bitham
hja hjara sde vrlren, thn skolde hja k hjara frydom vrljasa. Men
tha Dnemarkar nde narne ra nei, hja nilda navt bigrippa that hjara
sde vrbrde kvste, thrvmbe ne meldon hja hja navt. To lnga lesta
brochton hja ajne wpne nd liftochta wi. Men tht kwd wrocht hjara
gia. Hjara lichma wrdon bilden mi blik nd skin, men hjara arka
spynton nd skvra wrdon ltoch. Krek hondred jr eftere di that et
forma skip mit liftochta fona kd fren was, km ermode nd lek thrvch
tha anderna binna, honger sprda sina wjvka nd strk vppet land
del, twispalt hlip stolte in overe strta nd forth to tha hsa in,
ljafde ne kv nn stek lnger navt finda nd ntracht run wi. Tht
brn wilde ta fon sina mm nd thju mm hde wel syrhdon tha nn
ta. Tha wiva kmon to hjara manna, thissa gvngon ni tha grva, tha
grva ndon selva nawet of hildon-t skul. Nw most mn tha syrhdon
vrsella, men thawila tha stjurar thrmi wi brit wron km frost
nd li-n plnk del vppa s nd wra strte. Tha frost thju brigge
rd hde, stop wkandon thrwr to-t land ut nd vrd klywade vpper
stel. In stde fon tha owera to biwkande spandon hja hjara horsa
for hjara togum nd runon ni Sknland th. Tha Sknlander, tham ny
wron ni that land hjarar thla kmon ni tha Dnemarkum. Vppen helle
nacht kmon hja alla. Nw sidon hja that hja rjucht hde vppet land
hjarar thlon nd thahwil that mn thrvr kmpade kmon tha Finna in
tha ltoga thorpa nd runadon mith tha bern ewi. Thrtrvch nd that
hja nn goda wpne navt ndon, dd hjam tha ksa vrljasa nd thrmi
hjari frydom, hwand thene Magy wrde bs. That km that hja Fryas tex
navt lsde nd hira rdjvinga warlsed hde.

Ther send svme thr mne that hja thrvch tha grva vrrden send,
that tha fmna tht lng sprath hdon, tha sa hvam sa thr vr ktha
wilde, tham is mvla wrdon to smrath mith golden kdne. Wi ne mgan
thrvr nn ordl to fellande, men wi willath jo tohropa, ne ln navt
to sre vppa wisdom nd dged ni fon jvwa Forsta, ni fon jowa fmna,
hwand skel et halda sa mot allera mannalik wka ovir sin ajna tochta
nd for-t mna held.

Twa jr nidam km thene Magy selva mith en flte fon lichte knum,
tha Moder fon Texland nd tha foddik to rwane.

Ths rge ske bistonde-r thes nachtis anda winter by storne tydum
as wind glde nd hjel to jenst tha andrna ftere. Thi utkik thr
mnde thater awet hrde stk sin balle vp. Tha dri as et ljucht
fon r tore vppet ronddl falda, sa-r that al flo wpende manna wra
burchwal wron. Nw gvng-er to vmbe tha klokke to lettane, tha et wre
to lt. r tha wre rd wre, wron al twa thusand ina wr vmbe tha
porte to rammande. Strid hwilde thervmbe kirt, hwand thrvchdam tha
wra navt nn gode wacht halden nde, kmon alle om.

Hwil that alrek drok to kmpane wre, was thr en wla Fin to
thre flte jefta bedrum fon thre Moder inglupth, nd wilde hja
ndgja. Tha thju Moder wrd-im of that er bekwrd tojnst tha wch
strumpelde. Th-r wither vpa bn wre stek er sin swrd to ir buk in
segsande, nilst min kul navt s skilst min swrd ha. After im km
en skiper fona Dnemarka, thisse nam sin swrd nd hif thne Fin
thrvch sina hole. Thrut flt swart blod nd thrvr swfde-n blwe
logha. Thi Magy lt thju Moder vpa sinra skip forplgja. As hju
nw wither alsa fre hl nd bter wr that hju fst sprka machte,
side thene Magy that hju mith fra moste, tha that hju hira foddik
nd fmna halda skolde, that hju en stt skolde nyta s hch as hju
to fara na nde kenth. Forth side-r tht hi hiri frja skolde in
ajnwarde fon sinum forsta, jef er mster skolde wertha over alle
lnda nd folkra Fryas. Hi side that hju that bije nd bijechta
most, owers skolde-r vnder flo wja sterva lta. As er thr after al
sinra forsta om ira lger to gadurad hde frjer ld, Frna vrmites
i klrsjande biste most m.nis segsa of ik mster skil wertha over
alle lnda nd folkra Fryas. Frna dde as melde hja him navt. To
lnga lesta pende hju hira wra nde kth, min gun wrde thjstred,
tha that re ljucht dgth vp in minara sle. Jes, ik sja-t. Hark
Irtha nd ws blyde mith my. Vndera tydum that Aldland svnken is,
stand thju forma spke fon thet Jol an top. Thrni is hju del gvngon
nd vsa frydom mith tham. As er twa spka jeftha 2000 jr del trled
het, s skilun tha svna vpstonda thr tha forsta nd prestera thrvch
hordom bi-t folk tled hve, nd tojenst hjara tta tjugha. Thi alle
skilum thrvch mort swika, men hwat hja kth hve skil forth bilywa
nd frchdber wertha in-a bosme thra kloke mnniska, alsa lik gode
sdum thr del lid wrde in thinra skt. Jeta thsand jr skil thju
spke then del nyga nd al mra syga anda thjusternesse nd in blod,
ovir thi utstirt thrvch tha lga thr forsta nd prestera. Thrni
skil thet mornerd wither anfanga to glora. Thit sjande skilun tha
falska forsta nd prester alsamen with frydom kmpa nd woxelja, men
frydom, ljafde nd ndracht skil-et folk in hjara wach nma nd mit
thet jol risa uta wla pol. Tht rjucht tht erost allna glorade,
skil than fon ljar laja to-n logha wertha. That blod thra rgum
skil ovir thin lif strma, men thu ne mgth et navt to thi nma. To
tha lesta skil tht feninige kwik thr vp sa nd throf sterva. Alle
wla skdnese tham forsunnen send vmbe tha forsta nd prestera to boga,
skilun an logha ofred wertha. Forth skilun al thinra bern mith frtho
lva. Th hju utspreken hde, sg hju del. Men thene Mgy tham hja
navt wel forstn hde krth, ik hv thi frjeth, jef ik bs skilde
wertha ovir alle lnda nd folkra Fryas, nd nw hste to en other
sproken. Frna rjuchte hiri wither, sach im star an nd kthe: r
sjugun etmelde om send, skil thin sle mitha nachtfglon to tha grwa
omme wra nd thin lik skil ledsa vppa bodem fona se. l wel side
thene Magy mith vrborgne wodin, segs men tht ik kvme. Forth sider
to jenst n sinar rakkarum, werp that wif vr skippes bord. Althus
wr-et ende fon-re leste thra Moderum [61]. Wrke willath wi thr
vr navt ne hropa, tham skil tyd nima. Men thsand wra thsand ml
willath wi Frya fterni hropa: wk-wk-wk.





HO-T THENE MAGY FORTH VRGVNGON IS.


Ni that tha modder vrdn was, lter tha foddik nd tha fmna to
sina skip to brenga bijunka alle inbold thr im likte. Forth gvng
er tht Flymr vp, hwand hi wilde tha fm fon Mdasblik jeftha fon
Stvora gabja nd tham to Moder mkja. Tha thr wron hja vp hjara
hodum brocht. Tha stjurar fon Stvora nd fon tht Alderga hdon hini
grn to Jonis togen, men tha grte flte wre vppen fre tocht t. Nw
gvngon hja to nd foron mith hjra littige flte ni Mdasblik nd
hildon hja skul after tht ly thra bmun. Thi Mgy nkade Mdasblik
bi helle di nd skynander svnne. Thach gvngon sina ljuda drist drist
wi vppera burch to runnande. Men as allet folk mith tha btum land
was, kemon vsa stjurar utre krke wi nd skton hjara pila mith
trbarntin bollum vp sinra flte. Hja wron alsa wel rjucht that flo
sinra skpun bistonda anna brnd wron. Tham vppa skpun wachton,
skton k ni vs th, thach tht ne rojade nawet. As er to lesta en
skip al barnande ni-t skip thes Mgy dryf, bifel-er sin skiper hi
skolde ofhde, men thene skiper that wre thene Dnemarker thr thene
Fin felad hde, andere, thv hest vse remoder ni tha bodem fona s
svnden to meldande thatste kvma skolde, thit skoste thrvch tha drokhd
wel vrjetta; nw wil ik njude thatste thin word jecht. Thi Mgy wild-im
ofwra; men thene skiper, en fte Fryas nd sterik lik en jokoxe,
klipade bda sinum hnda om sin hole nd hif hini vr bord into tht
wellande hef. Forth hs er sin brune skild an top nd for rjucht to
rjucht an ni vsa flte. Thrthrvch kmon tha fmna vnforlet to vs,
men tha foddik was utgvngon nd nimman wiste ho-t kmen was. Tha hja
vppa vnfordene skpa heradon, that thene Mgy vrdrvnken was, brde
hja hinne, hwand tha stjurar thra mst Dnemarkar wron. Ni that tha
flte fr enoch ewi wre, wendon vsa stjurar nd skton hjara barnpila
vppa tha Finna del. Th tha Finna thus sagon, ho hja vrrden wron,
hlip alrik thrvch vr ekkdrum nd thr nre lnger nn hrichhd ni
bod. To thisre stonde run tha wre hju ut tre burch. Tham navt ne
fljuchte, werth afmakad, nd thr fljuchte fvnd sin ende into tha
polum fon et Krylinger wald.





NISCHRIFT.


Th tha stjurar an da kreke ljon was thr en spotter fon ut
Stavora mank, thr side, Mda mei lakkja, sa wi hyr ut hjra burch
reda. Thrvmbe hvon tha fmna thju krke Mda mi lakkja [62] hten.

Tha brtnissa thr afterni skd send, mi alra mannalik hgja. Tha
fmna hagon tham nei hjara wysa to tella nd wel biskriwa
lta. Thrvmbe rkenjath wi hirmitha vsa arbd fvlbrocht. Held.


                            Ende fon 't Bok.





THA SKRIFTA FON ADELBROST AND APOLLONIA


Min nm is Adelbrost svn fon Apol nd fon Adela. Thrvch min folk
ben ik kren to Grvetman ovira Linda wrda. Thrvmbe wil ik thit bok
forfolgja vp alsa dnera wisa as mine mem sproken heth.

Ni that thene Mgy felt was nd Fryasburch vp stel brocht, most er
en moder kren wertha. Bi-ra lva nde thju Moder hira folgstera navt
nmth. Hira lersta wille was sok nd narne to findne. Sjugun mnatha
fter werth er en mna acht bilidsen nd wel to Grneg [63] ut rske
that anna Saxanamarka plth. Min mem werth kren, men hju nilde nn
Moder wsa. Hju hde heth lif minar tt hrd, thrthruch hden hja
ekkorum lyaf krjen nd nw wildon hja k gdath wertha. Flon wildon
min mem fon er bislut ofbrenga; men min mem side, en remoder cht
alsa rn in -ra mod to wsana as hja buta blikt nd ven mild far al
hjara bern. Nidam ik Apol nw lyaf hv boppa ella in wralda, s ne
kn ik s-ne Moder navt nsa. S sprek nd kth Adela, men tha ra
burchfmna wildon algder Moder wsa. Alrek stt thong fori sinera
jne fm nd nilde navt fyra. Therthrvch nis er nne kren nd heth
rik thus bandls. Hyr fter mg-it bigripa.

Ljudgrt, tham kning thr hmesdga fallen is, was bi thre Moder-is
lva kren blikbr trvch alle sttha mith lyafde nd trjvw. Heth
wre sin torn vmbe vppin eth grte hof to Dok-hm [64] to hmande,
nd bi thre Moder-is lva wrd-im ther grte r biwsen, hwand et
wre immer sa ful mith bodon nd riddarum fon hinde nd fre as-m-
to fora na nde sjan. Tach nw wr-er nsm and vrlten, hwand alrek
wre ange that-er him mster skolde mkja boppa heth rjucht nd welda
-lik tha slvona kninggar. Elk forst wnde forth that-er enoch
dde as er wkade ovir sin jn stt; nd thi n ne jf nawet t antha
thera. Mith-ra burchfamna gvnget jeta rger to. Alrek thisra bogade
vppira jne wisdom nd sahwersa tha Grvetmanna awet ddon buta hjam,
s wrochten hja mistryvwa bitwiska tham nd sinum ljudum. Skder en
ske thr flon sttha trof nd hde mn thju rd ner fm in wnnen,
s kthon alle thera that hju sproken hde to fre fon hjra jne
stt. Thrvch althus dnera renka brochton hja twyspalt in ovira sttha
nd torendon hja that band sdne fon n, that et folk fon tha nne
stt nythich wre vppet folk fon en ora stt nd fret alderminesta
lik frhmande biskwade. Thju fre thra is wst that tha Gola jeftha
Trowyda vs al-t lnd of wnnen hven al ont thra Skelda nd thi Magy
al to thre Wrsra. Ho-r thrby to gvngen is, heth min mem vntlth,
owers nas thit bok navt skrven ne wrden, afskn ik alle hpe vrlren
hv tha-et skil helpa th bta. Ik ne skryw thus navt inna wn,
thet ik thrthrvch thet lnd skil winna jeftha bihaldane, that is
minra achtne vndvalik, ik skryw allna fr et fter kvmande slacht,
til thju hja algdur wta mge vp hvdna wisa wy vrlren gvnge,
nd tha alra mannalik hyr ut lra mi that elk kwd sin gja tlath.

My heth mn Apollnja hten. Twyia thritich dga ni mm hira dd heth
mn Adelbrost min brother vrsljen fonden vppa wrf, sin hawed split
nd sina lithne t n hrten. Min tt thr siak lide is fon skrik
vrsturven. Th is Apol min jungere brother fon hyr ni thre westsyde
fon Sknlnd fren. Thr heth er en burch ebuwad, Lindasburch [65]
hten, vmbe dna to wrekana vs lth. Wr.alda heth-im thr to flo
jra lnad. Hy heth fif svna wnnen. Altham brengath thne Magy skrik
nd min brother gma. After mm nd brother-is dd send tha fromesta
fon-ut-a lndum to ekkrum kvmen, hja havon en bnd sloten Adelbnd
hten. Til thju vs nn leth witherfra ne skolde, hvath hja my nd
Adelhirt min jungste brother vpper burch brocht, my by tha fmna nd
min brother by tha wrar. Th ik thritich jr wer heth man my to
Burchfm kren, nd th min brother fiftich wre, werth-er keren to
Grvetman. Fon mm-is syde wre min brother thene sexte, men fon tt
his syde thene thride. Ni rjucht machton sine fterkvmande thus nn
overa Linda fter hjara nmun navt ne fora, men alra mnnalik wildet
hva to re fon mina mm. Thr to boppa heth mn vs k en ofskrifte
jven fon thet bok thra Adela follistar. Thr mitha ben ik thet
blydeste, hwand thrvch min mm hjra wisdom km-et in wralda. In thas
burch hv ik jeta ra skrifta fvnden, thr navt in 't bok ne stan,
k lovsprka ovir min mm, altham wil ik fter skriva.

Thit send tha niltne skrifta Brunnos, ther skrywer wsen is to
thisre burch. After that tha Adela follistar ella hde lta overskryva
elk in sin rik, hwat wryt was in vppa wgarum thra burgum, bisloton
hja en Moder to kjasane. Thrto wrth en mna acht bilid vp thisra
hm. After tha forme rd Adelas wrth Tntja bifolen. Ak skoldet slcht
hve. Thach nw frge min Burgtfm thet wort, hju hede immerthe wnich
wst tht hju Moder skolde wertha, ut rske tht hju hyr vpper burch
sat, hwana mst alle Moderum kren wron. Tha hju thet word gund was,
pende hju hira falxa wra nde kth: I alle skinth rg to heftane
an Adelas rd, tha tht ne skil thrvmde min mvla navt ne sluta ner
snra. Hwa tach is Adela nd hwna kvmt et wi thtster sokke hge
love to swikth. Lik ik hjuddga is hju to fara hyr burchfm wst. Tha
is hju thr vmbe wiser jefta btre as ik nd alle thera, jefta is hju
mr stelet vppvsa sd nd plgum. Hwre tht et fal, s skolde hju wel
Moder wrden wsa, th hju thrto kren is, men nan hju wilde rder
ennen bosta ha mith all joi nd nochta thr er anebonden send, in std
fon nsum over hjam nd et folk to wkane. Hju is l klarsjande, god,
men min gne ne send fr fon vrthjustred to wsane. Ik hv sjan tht
hju hira fryadelf herde minth, nw god, tht is lovelik, men ik hv
forther sjan tht Tntja Apol-is nift is. Wyder wil ik navt ne sedsa.

Tha forsta bigripen l god, hwr hju hly sochte, men emong et folk
km twyspalt, nd nidam heth maradl fon hyr wei km, wilde-t Tntja
thiu re navt ne guna. Rdne wrde stopth, tha saxne tgon uta skdne,
men thr ne wrth nne Moder kren. Kirt fter hde annen vsera bodne
sin makker fleth. Til hjuddga hde der frod wsen, thrvmbe hede
min burchfm orlovi vmb-im buta tha lndpla to helpane. Thach in
std fon im to helpane ni thet Twiskland, alsa fljuchte hju selva
mith im overe Wrsara nd forth ni tha Mgy. Thi Mgy tham sina
Fryas svna hagja wilde stald-iri as Moder to Godaburch et Sknland,
mn hju wilde mr, hju sid-im tht sahwersa hi Adela vpruma koste,
hi mster skolde wertha over l Fryas land. Hju wr en fyand fon Adele
side hju, hwand thrvch hjra renka nas hju nn Moder wrden. Sahwersa
hy hir Texland forspreka wilde, sa skolde hjra boda sina wichar to
wiwyser thjanja. Al thissa ska heth hjra boda selva bilyad.





THET OTHERA SKRIFT.


Fiftian monatha ni thre lerste acht wr-et Frjunskip jeftha
Winnemnath. Alleramnnelik jef to an mery mery fru nd bly, nd nimman
nde diger than to kane sina nocht. Thach Wr.alda wild vs wysa, tht
wkendom navt vrgamlath wrde ne mi. To midne fon-et fst fyrja km
nvil to hullande vsa wrda in thikke thjusternise. Nocht runde wi, tha
wkendom nilde navt ne kra. Tha strandwkar wron fon hjara nd fjura
hlpen nd vppa tha topdum nas nnen to bisja. Th nvil ewi tch,
lokte svnne thrvch tha rta thra wolkum vp irtha. Alrek km wither
ut to juwgande nd to jolande, thet jungk folk tch sjongande mitha
grbm [66] nd thisse overfulde luft mith sina liaflika dam. Men
thahwila thr alrek in nocht bjada, was vrrd lnd mith horsum nd
ridderum. Lik alle rga wron hja helpen thrvch thjusternisse, nd
hinne glupath thrvch Linda waldis pda. To fra Adelas dure tagon
twilif mangrtne mith twilif lmkes nd twilif knpa mith twilif
hoklinga, en junge Saxmn bird en wilde bufle thr er selva fensen
hde nd tmad. Mith allerlja blomma wron hja siarad, nd tha linnen
tohnekna thra mngrtne wron omborad mith gold ut-er Rne.

Th Adela to hira hus ut vppet slecht km, fol en blomrin del vppira
hole, alle juwgade herde nd tha tot-horne thra knpum gldon boppa
ella ut. Arme Adela, rm folk, ho kirt skil fr hir bydja. Th
thju lnge skre ut sjocht wre km er en hloth mgjara ridderum
linrjucht to rinnande vp Adelas hm. Hira tt nd gde wron jeta
vppa stoppenbenke sten. Thju dure stond pen nd thr binna stand
Adelbrost hira svna. As er sach ho sina eldra in frse wron, gripter
sine bge fon-ere wch wi nd skt ni tha foresta thra rwarum;
this swikt nd trulde vppet grs del; overne twade nd thride was
en lik lt biskren. Intwiska hdon sina eldra hjara wpne fat, nd
tagon vndyger to Jonis. Tha rwera skoldon hjam ring fensen ha, men
Adela km, vppere burch hde hja alle wpne to hantra lrad, sjugun
irthft wre hju lng nd hira grt s flo, thryja swikte hja tham or
hjra hole nd as er del km wr en ridder grsfallich. Follistar kmon
omme herne thre lne wi. Tha rwar wrdon flath nd fensen. Thach
to lt, en pil hde hjra bosme trefth. Vrrdelika Magy! In fenin was
sin pint dipth nd throf is hju sturven.





THRE BURCHFAMS LOV.


Jes ferhmande the, thusande send al kumen nd jet mra send vp wi.

Wel, hja willath Adelas wisdom hra.

Sekur is hju forstine, hwand hju is immer thja forste wst.

O wach hwrto skolde hja thjanja. Hira hemeth is linnen, hira tohnekka
[67] wol, tht hjv selva spon nd wvade. Hwrmi skolde hja hjra
sknhd hga. Navt mith prlum, hwand hjra tuskar send witter; navt
mith gold, hwand hjra hr is blikkander; navt mith stna, wel send
hjra gon saft as lamkes gon, thach to lik sa glander tht mn thr
skrmlik in sja ne mi.

Men hwat klt ik fon skn. Frya wre wis navt skner.

Ja the, Frya thr sjugun sknhde hde, hwrfon hjra toghtera men
ne elk hchstens thria urven hve. Men al wre hju ldlik, thach
skolde hju vs djura wsa.

Jef hju wygandlik sy. Hark the, Adela is thet nge bern vsar
grvetman. Sjugun jrthfet is hju hch, jeta grter then hjra licheme
is hjra wishd nd hjra mod is lik bde to smine.

Lok thr, thr wre nis en fnbrnd, thrju bern wron vp jenske
grfstn sprongen. Wind blos fel. Alrek krta nd thju mm wre
rdals. Thr kvmt Adela: ho stitst nd tmethste hropth hju,
tragd help to l-nande nd Wr.alda skil jo krefta jva. Thr hipth
hja ni-t Krylwod, gript elsne trjon, tragd en breg to makjande,
nw helpath k tha thera nd tha bern send hred.

Jrlikes kmon tha bern hyr blomma ledsa.

Thr kmon thr Fonysjar skipljuda thr hja wrvela wilde, men Adela
km, hju hde hjara hwop (hrop) hrad, in swim slith hju tha ltha nd
til thju hja selva jechta skolde, thet hja vnwrthelike manna wron,
bint hju alsmen an en spinrok fest. Tha frhmanda hra kmon hjara
thjud askja. Tha hja sagon ho skots hja misdn wron, km torn vp,
thach mn tellade ho-t brd was.

Hwat hja forth ddon, hja buwgdon to fra Adela nd keston thju slyp
hyrar tohnekka.

Kvm frhmande the, tha wald fglon fljuchtath to fra tha flo
forsykar. Kvm the s mist hjara wishd hra.

By tha grfstn hwer fon in tha lovsprke meld wrth, is mm hira
lik bigrven. Vppira grfstn heth mn thissa worda hwryten.


             NE HLAP NAVT TO HASTICH HWAND HYR LID ADELA.


Thju formlre thr is hwryten inutere wch thr burchtore, nis navt
wither eskrven in tht bok thra Adela follistar. Hwrvmbe thet lten
is nt ik navt to skriwand. Tha thit bok is min ajn, thrvmbe wil ik
hja thr inna setta to wille minra mgum.





FORMLRE.


Alle god minnanda Fryas bern sy held. Hwand thrvch tham skil et
slich wertha vp jrtha. Lr nd kth to tha folkum. Wr.alda is thet
alderaldesta jeftha overaldesta, hwand thet skop alla thinga. Wr.alda
is ella in ella, hwand thet is vg nd vnendlik. Wr.alda is overal
ainwardich, men narne to bisja, thrvmbe wrth thet wsa gst hten. Al
hwat wi fon him sja mge send tha skepsela thr thrvch sin lva kvme
nd wither henne ga, hwand inut Wr.alda kvmath alle thinga nd krath
alle thinga. Fon ut Wralda kvmth t anfang nd et ende, alra thinga
gith in im vppa. Wr.alda is thet ne ella machtige wsa, hwand alle
re macht is fon him lnad nd krath to him wither. In ut Wr.alda
kvmath alle krefta nd alle krefta krath to him wither. Thrvmbe is
hi allna theth skeppande wsa nd thr nis nawet eskpen buta him.

Wr.alda lide vge setma thet is wa in al et skpne, nd thr ne send
nn gode setma jeftha hja moton thrni tavlikt wsa. Men afskn ella
in Wr.alda sy, tha boshd thra mnniska nis navt fon him. Boshd
kvmth thrvch lmhd vndigerhed nd domhd. Thrvmbe kn hju wel tha
mnniska skda, Wr.alda nimmer. Wr.alda is thju wishd, nd tha wa
thr hju tavlikt heth, send tha boka wrt wy lra mge, nd thr nis
nne wishd to findande ner to garjande buta tham. Tha mnniska mgon
flo thinga sja, men Wr.alda sjath alle thinga. Tha mnniska mgon
flo thinga lra, men Wr.alda wt alle thinga. Tha mnniska mgon flo
thinga vntslta, men to fra Wr.alda is ella pned. Tha mnniska send
mnnalik nd berlik, men Wr.alda skept bde. Tha mnniska minnath nd
htath, tha Wr.alda is allna rjuchtfrdich. Thrvmbe is Wr.alda allne
god, nd thr ne send nne goda bta him. Mith thet Jol wandelath
nd wixlat allet eskpne, men god is allna vnforanderlik. Thruch
that Wr.alda god is, alsa ne mei hi k navt foranderja; nd thrvch
thet er bilywath, thrvmbe is hy allna wsa nd al et ora skin.





THET OTHERA DL FONRE FORMLR.


Emong Findas folk send wanwysa, thr thrvch hjara overfindingrikhd
alsa rg send, tht hja hjara selva wis mkja nd tha inewida bitjuga,
tht hja thet besta dl send fon Wr.alda; tht hjara gst thet beste
dl is fon Wr.aldas gst nd thet Wr.alda allna mi thnkja thrvch
helpe hjaris bryn [68].

Tht aider skepsle en dl is fon Wr.aldas vnendlik wsa, tht hvon
hja fon vs gbad.

Men hjara falxe rdne nd hjara tmlse hchfarenhd heth ra vppen
dwlwi brocht. Wre hjara gst Wr.aldas gst, s skolde Wr.alda
l dvm wsa in stde fon licht and wis. Hwand hjara gst slvth him
selva immer of vmbe skne bylda to mkjande, thr y fterni anbid. Men
Findas folk is en rg folk, hwand afskn tha wanwysa thra hjara selva
wis mkja tht hja drochtne send, sa hvon hja to fra tha vnewida
falxa drochtne eskpen, to kthande allerwikes, tht thissa drochtne
Wr.alda eskpen hve, mith al hwat thr inne is; gyriga drochtne
fvl nyd nd torn, tham rath nd thjanath willath wsa thrvch tha
mnniska, thr blod nd offer willa nd skt askja. Men thi wanwisa
falxa manna, tham hjara selva godis skalka jeftha prestera nma lta,
brath nd smnath nd gethath aldam to fra drochtne thr er navt
ne send, vmbet selva to bihaldande. Aldam bidrywath hja mith en rum
emod, thrvchdam hja hjara selva drochtne wne, thr an ninman andert
skeldich ne send. Send thr svme tham hjara renka froda nd br mkja,
alsa wrdon hja thrvch hjara rakkera ft nd vmbira laster vrbarnad,
ella mith flo sttska plgum, hjara falxa drochtne to-n re. Men
in trvth, allna vmbe tht hja ra navt skda ne skolde. Til thju vsa
bern nw wpned mge wsa tojenst hjara drochtenlika lre, alsa hgon
tha fmna hjam fon buta to lrande hwat hyr skil folgja.

Wr.alda was r alle thinga, nd ni alle thinga skil er wsa. Wr.alda
is alsa vg nd hi is vnendlik, thervmb nis thr nawet buta him. Thrvch
ut Wr.aldas lva warth tid nd alle thinga bern, nd sin lva nimth
tid nd alle thinga wi. Thissa ska moton klr nd br mkad wrda
by alle wisa, s tht hja-t an thera bithjuta nd biwisa mge. Is-t
s fr wnnen, sa sith mn forther: Hwat thus vsa ommefang treft,
alsa send wy en dl fon Wr.aldas vnendelik wsa, alsa tha ommefang
fon al et eskpne, thach hwat ang vsa dnte, vsa ainskipa, vsa gst
nd al vsa bithnkinga, thissa ne hra navt to thet wsa. Thit ella
send fljuchtiga thinga tham thrvch Wr.aldas lva forskina, thach
thr thrvch sin wishd sdne nd navt owers navt ne forskina. Men
thrvchdam sin lva stdes forthga, alsa ne mi thr nawet vppa sin
std navt bilywa. Thrvmbe forwixlath alle eskpne thinga fon std,
fon dnte nd k fon thnkwisa. Thervmbe ne mi irtha selva, ner eng
skepsle ni sedsa: ik ben, men wel ik was. Ak ne mi nn mnniska navt
ne sedsa ik thnk, men blt, ik thochte. Thi knp is grter nd owers
as tha-r bern wre. Hy heth ora grtne, tochta nd thnkwisa. Thi
man en tt is nd thnkth owers as th-r knp wre. vin tha alda
fon dgum. Tht wt allera mannelik. Shwersa allera mannalik nw wt
nd jechta mot, tht hy alon wixlath, s mot hy k bijechta, that er
jahweder geblik wixlath, k thahwila-r sid: ik ben, nd tht sina
thnk bylda wixle, tha hwile-r sid: ik thnk.

Instde tht wy tha rga Findas althus vnwerthlik afterni snakka nd
klta, ik ben, jeftha wel, ik ben thet beste dl Wr.aldas, ja thrvch
vs allna mi-r thnkja, s willath wy ktha wral nd allerwikes
wr et ndlik sy: wy Fryas bern send forskinsla thrvch Wr.aldas
lva; by-t anfang min nd blt, thach immer wrthande nd nkande to
fvlkvmenlikhd, svnder  sa god to wrda as Wr.alda selva. Vsa gst nis
navt Wr.aldas gst, hi is thrfon allna en afskinsle. Tha Wr.alda
vs skop, heth er vs in thrvch sine wishd-bryn-sintga, hgia nd
flo goda ainskipa lnad. Hyrmi mugon wy sina wa bitrachta. Throf
mgon wy lra nd thrvr mgon wy rda, ella nd allna to vs ain
held. Hde Wr.alda vs nne sinna jven, sa ne skolde wy narne of nta
nd wy skolde jeta reddalasser as en skwale wsa, thr forthdryven
wrth thrvch ebbe nd thrvch flod.





THIT STAT VP SKRIVFILT SKRVEN. TAL AND ANDWORDE ORA FAMNA TO-N
FORBYLD.


En vnsels gyrich mn km to brande by Trst thr fm wre to
Stavia. Hy side vnwder hde sin hus wi brocht. Hy hde to Wr.alda
bden, men Wr.alda ndim nne helpe lnad. Bist en fte Fryas, frje
Trst. Fon elder t elder, andere thene mn. Thn side hju wil ik wet
in thin mod sja in bitrouwa, tht et kyma groja nd frchda jva
mi. Forth sprk hju nde kth. Th Frya bern was, stand vs moder
naked nd blt, vnbihod to jenst tha strlum thre svnne. Ninman
macht hju frja nd thr wre ninman thr hja help macht lna. Th
gvng Wr.alda to nd wrochte in hjra mod nigung nd liavde anggost nd
skrik. Hju sach rondomme, hjra nigung ks thet beste nd hju sochte
skul vndera wrande linda. Men rin km nd t onhlest wre tht hju
wet wrde. Thach hju hde sjan ho thet wter to tha hellanda bldar of
drupte. Nw mkade hju en hrof mith hellanda sidum, vp stka mkade hju
tham. Men stornewind km nd blos rin thr vnder. Nw hde hja sjan
tht tha stam hly jef, fter gong hja to nd mkade en wch fon plga
nd sdum, thet forma an ne syda nd forth an alle syda. Storne wind
km to bek jeta wodander as to fora nd blos thju hrof ewi. Men hju ne
brade navt over Wr.alda ner to jenst Wr.alda. Men hja mkade en reitne
hrof nd leide stne thr vppa. Bifvnden hvande ho sr thet dvath
vmb allna to tobbande, alsa bithjude hju hira bern ho nd hwrvmbe
hju alsa hde dn. Thissa wrochton nd tochton to smine. A sadenera
wise send wy an hsa kmen mith stoppenbnkum, en slecht nd warande
linda with tha svnnestrlum. To tha lesta hvon hja en burch mkad
nd forth alle thera. Nis thin hus thus navt sterk noch wst, alsa
mot i trachda vmbet re bter to mkjande. Min hus wre sterk enoch,
sider, men thet hge wter heth et vp brad nd stornewind heth et
ore dn. Hwr stand thin hus thn, frje Trst. Alingen thre Rne,
andere thene man. Ne stand et thn navt vppen nol jeftha therp, frje
Trst. Nean sider, min hus stand nsum by tha overe, allna hv ik
et buwad, men ik ne macht thr allna nn therp to makane. Ik wist
wel, side Trst, tha fmna hv et my meld. Thv hest al thin lva
en grwel had an tha mnniska, ut frse thtste awet jva jeftha
dva moste to fara hjam. Thach thr mitha ne mi mn navt fr ne
kvma. Hwand Wr.alda thr mild is, krath him fona gyriga. Fsta het
vs rden nd buppa tha dura fon alle burgum is t in stn ut wryten:
bist rg btsjochtig side Fsta, bihod thn jvwe nsta, bithjod thn
jvwe nsta, help thn juwe nesta, s skilun hja t thi witherdva. Is
i thina rd navt god noch, ik nt fr thi nn btera. Skmrd wrth
then mn nd hi drupte stolkes hinne.





NW WIL IK SELVA SKRIWA ROST FON OVER MIN BURCH AND THAN OVER HWAT
IK HAV MUGE SJAN.


Min burch lid an-t north-ende thre Liudgrda. Thju tore heth sex
syda. Thrya thrittich ft is hju hch. Flt fon boppa. En lyth huske
thr vppa, hwna mn tha stra bisjath. An aider syd thre tore stt
en hus, long thrya hondred, brd thrya sjugun ft, lika hch bihalva
thju hrof, thr rondlik is. Altham fon hyrbakken stn, nd fon buta ne
send nnen thera. Om tha burch is en hringdik, throm en grft diap
thrya sjugun ft, wyd thrya twilif ft. Siath hwa fonre tore del,
sa siath hi thju dnte fon et Jol. Vppa grvnd twisk tha sdlika hsa
thre, send allerlja krda fon hinde nd fr, throf moton tha fmna
tha krefta lra. Twisk tha nortlika hsa is allna fjeld. Tha thrju
nortlika hsa send fol kren nd ther bihof. Twa sdar send to fra
tha fmkes vmbe to skola nd to hma. Thet sdlikoste hus is thre
Burchfm his hm. Inna tore hangt thju foddik. Tha wagar thre tore
send mith kestlika stna smukad. In vppa thre sderwach is thne
Tex wrytten. An tha fre syde thra finth mn thju formlre; anna
winstere syde tha wa. Tha ora ska finth mn vppa ra thrja. Tojenst
tha dik by-t hus thr fm stt thju owne nd thju molmk thrvch fjuwer
bufla kroden. Buta vsa burchwal is-t hm, thr vppa tha burchhra
nda wrar hme. Thju ringdik thra is en stonde grt, nn stjurar,
men svnna stonde, hwrfon twya twilif vppen etmelde kvma. In vpper
binnasyde fona dik is en flt, fif ft vndera krn. Thr vppa send
thrya hondred krnboga, todekt mith wod nd lther. Bihalva tha hsa
thra inhmar send thr binna alingne tha dik jeta thrya twilif ndhsa
to fra tha omhmar. Thet fjeld thjanath to kmp nd to wde. Anna
sdsyde fon tha btenste hringdik is thju Liudgrde omtnad thrvch
thet grte Lindawald. Hjra dnte is thrju hernich, thet brde buta,
til thju svnne thr in sia mi. Hwand thr send flo frlandeska
thrja nd blommen thrvch tha stjurar mith brocht. Alsa thju dnte
vsar burch is, send alle thera; thach vs-is is thju grteste; men
thi fon Texland is tha aldergrteste. Thju tore fon Fryasburch is
alsa hch tht hju tha wolka torent, ni thre tore is al et thera.

By vs vppa burch ist alsa dlad. Sjugun jonge fmna wkath by thre
foddik. Aider wk thrja stonda. In ha re tid moton hja huswrk dva,
lra nd slpa. Send hja sjugun jr wkande wsen, alsa send hja
fry. Thn mgon hja emong tha mnniska g, vp-ra sd to letane nd
rd to jvane. Is hwa thrju jr fm wst, s mi hju alto met mith
tha alda fmna mith g.

Thi skrywer mot tha fmkes lra lsa, skrywa nd rkenja. Tha grysa
jeftha grva moton lra hjam rjucht nd plicht, sdkunda, krdkunda,
hlkunda, skdnesa, tellinga nd sanga, bijunka allerlja thinga thr
hjam ndlik send vmbe rd to jva. Thju Burchfm mot lra hjam ho hja
thrmith to wrk g mota by th mnniska. r en Burchfm hjra std
innimt, mot hju thrvch thet lnd fra en fvl jr. Thr grva burchhra
nd thrja alda fmna gan mith hiri mitha. Alsa is-t k my gvngon. Min
frt is alingen thre Rne wst, thjus kd opward, alingen thre re
syde ofward. Ho hger ik upkm, to rmer likte mi tha mnniska. Wral
inna Rne hde mn utstekka makad. Thet sn tht thr ain km, wrde
mith wter wr skpfachta gten vmbe gold to winnande. Men tha mngrta
ne drogon thr nne golden krone fon. r wron thr mr wst, men sont
wi Sknland miste, send hja ni tha berga gvngon. Thr delvath hja
yserirtha, thr hja yser of mkja. Boppa thre Rne twisk thet berchta,
thr hv ik Mrsta sjan. Tha Mrsta tht send mnniska thr invppa
mra hma. Hjara husa send vp plum buwad. Tht is vret wilde kwik nda
bose mnniska. Thr send wolva, bra nd swrte grislika lwa [69]. And
hja send tha swetsar [70] jeftha plingar fonda hinde Krkalandar,
thra Klta folgar nd tha vrwildere Twiskar, alle gyrich ni rv nd
but. Tha Mrsta helpath hjara selva mith fiska nd jga. Tha huda
wrdat thrvch tha wiva tomkad nd birhet mith skors fon berkum. Tha
litha huda saft lik fmnafilt. Thju burchfm et Fryasburch [71]
side vs tht hja gode nfalde mnniska weron. Thach hd ik hja r
navt sprken hred, ik skolde mnath hve tht hja nn Fryas wre,
men wilda, s ryst sgon hja ut. Hjra fachta nd kruda wrdon thrvch
tha Rnhmar vrwandelath nd thrvch tha stjurar buta brocht. Alingen
thre Rne wr et aln, til Lydasburch [72]. Thr was en grte flyt
[73]. Invppa thisra flyt wron k mnniska, thr husa vp pla hde. Men
tht nr nn Fryas folk, men tht wron swarte nd bruna mnniska,
thr thjanath hde to rojar vmbe tha butafrar to honk to helpane. Hja
moston thr bilywa til thju thju flte wither wi brda.

To tha lersta kmon wi to-t Alderga. By-t suderhvahved stt thju
Wraburch, en stnhus, thrin send allerlja skulpa, hulka, wpne nd
klathar wrad, fon fre landum, thrvch tha stjurar mith brocht. En
fjardl dna is-t Alderga. En grte flyt omborad mith lothum, husa
nd grdum ella riklik sjarad. Invpper flyt li en grte flte rd,
mith fnon fon allerlja farwa. Et Fryas di hongon tha skilda omma
tha borda to. Svme blikton lik svnna. Tha skilda thr witking nd
thra skolta bi tha nachtum wron mith gold vmborad. Abefta thre flyt
was en grft grven, to hlpande dna alingen thre burch Forna [74]
nd forth mith en nga muda [75] in s. To fra thre flte wre thit
tha utgvng nd et Fly tha ingvng. A bde syda thre grft send skne
husa mith hel blikanda farwa mlad. Tha grdne send mit altid grne
hgvm omtunad. Ik hv thr wiva sian, thr filtne tohnekna drogon as t
skriffilt wre. Lik to Stavere wron tha mngrtne mith golden kronum
vppira holum nd mith hringum [76] om rma nd ft sjarad. Sudward
fon Forna lid Alkmrum. Alkmrum is en mre jefta flyt, thrin lid
en land, vppa tht land moton tha swarte nd bruna mnniska hwila
vin as to Lydahisburch. Thju Burchfm fon Forna side my, tht tha
burchhra distik to-r gvngon vmb ra to lrande, hwat fte frydom
sy, nd ho tha mnniska an thre minne agon to lvane vmbe sjen to
winnande fon Wr.aldas gst. Was thr hwa thr hra wilde nd bigripa
machte, sa wrth er halden, alont er fvl lrad wre. Tht wrde dn vmbe
tha frhmande folka wis to mkane, nd vmbe vral tha to winnande. r
hd ik anda Sxanamarka to thr burch Mnnagrda forda [77] wst. Thach
thr hd ik mr skmelhd sjan, as-k hyr rikdom sprde. Hju andere:
s hwersa thr an da Sxanamarka en frjar kvmath en mangrte to bi
frjande, alsa frjath tha mngrtne thr, kanst thin hus fry wra
tojenst tha bannane Twisklandar, hst nach nne flad, ho flo bufle
hst al fnsen nd ho flo bra nd wolva huda hst al vppa thre
mrk brocht? Dna ist kvmen tht tha Saxmanna thju buw anda wiva
vrlten hve. Tht fon hvndred to smine nn ne lsa mi ner skriwa
ne kn. Dna is-t kvmen, tht nimman nn sprk vppa sin skild neth,
men blt en mislikande dnte fon en diar, tht er flad heth. And
ndlik, dna is-t kvmen, tht hja sr wichandlik ewrden send, men
to met vin dvm send as et kwik, tht hja fnsa, nd vin erm as
tha Twisklndar, hwr mith hja orloge. To fra Fryas folk is irtha
nd s eskpen. Al vsa rinstrma runath vppa s to. Tht Lydas folk
nd tht Findas folk skil ekkorum vrdelgja, nd wy moton tha lthoga
landa bifolka. In-t fon nd omme fra lid vs held. Wilst nw tht tha
boppalnder dl hve an vsa rikdom nd wisdom, s skil ik thi en rd
jva. Lt et tha mangrtne to wnhd wrde hjara frjar to frjande,
r hja ja segsa: hwr hst al in wralda ommefren, hwad knst thin
bern tella wra fra landa nd wra frhmanda folka? Dvath hja alsa,
s skilun tha wichandlika knpa to vs kvma. Hja skilun wiser wrtha
nd rikkr nd wi ne skilun nn bihof longer navt nve an tht wla
thjud. Tha jongste thr fmna fon thra thr by mi wron, km uta
Saxsanamarka wi. As wi nw to hongk kmon, heth hju orlovi frjad
vmbe ni hjra hus to gne. Afterni is hju thr Burchfm wrden, nd
dna is-t kvmen tht er hjudga s felo Saxmnna by tha stjurar fre.


                      Ende fon thet Apollonia bok.





THA SKRIFTA FON FRETHORIK AND WILJOW.


Min nm is Frthorik to nomath oera Linda, tht wil segsa ovir tha
Linda. To Ljudwardja bin ik to Asga kren. Ljudwardja is en ny thorp,
binna thene ringdik fon thr burch Ljudgarda, hwrfon tha nma an vnr
kvmen is. Vnder mina tida is er fl bred. Fl hd ik thr vr skrven,
men fterni send mi k flo thinga meld. Fon n nd ther wil ik en
skdnese fter thit bok skrywa, tha goda mnniska to-n re tha rga
to vnre.

In min jged hrd ik grdwird alomme, rge tid km, rge tid was
kvmen, Frya hd vs lton, hjra wkfmkes hde hju abefta halden,
hwand drochten likande bylda wron binna vsa lndpla fvnden.

Ik brnde fon nysgyr vmbe thi bylda to bisjan. In vsa brt strompele
en ld fmke to tha husa uta in, immer to kthande vr rge tid. Ik
gyrde hja ling syde. Hju strik mi omme kin to. Nw wrd ik drist nd
frje jef hju mi rge tid nd tha bylda ris wisa wilde. Hju lakte
godlik nd brocht mi vpper burch. En grve mn frje my jef ik al
lsa nd skrywa kv. N sid ik. Thn most rost to ga nd lra,
sid-er owers ne mi-t jow navt wysen wrde. Dystik gvng ik bi tha
skriwer lra. Acht jr ltter hrd ik, vsa burchfm hde hordom
bidryven nd svme burchhra hdon vrrd plgad mith tha Magy, nd
flo mnniska wron vp hjara syde. Vral km twispalt. Thr wron bern,
thr vpstandon ajen hjara eldrum. Inna gluppa wrdon tha froda mnniska
morth. Thet alde fmke, thr ella br mkade, wrth dd fvnden in
en grupe. Min tt, thr rjuchter wre, wilde hja wrken h. Nachtis
wrth er in sin hus vrmorth. Thrju jr ltter wr thene Mgy bs
svnder strid. Tha Saxmnna wron frome nd frod bilywen. Ni tham
fljuchton alle gode mnniska. Min mm bistvrv-et. Nw dd ik lik tha
thera. Thi Mgy bogade vppa sinra sndhd. Men Irtha skold im thna,
tht hja nn Mgy ner afgoda to lta ne mochte to thre hlge skta,
hwrut hju Frya brade. vin sa thet wilde hors sina mnna sked,
ni tht thet sina ridder gersfallich mkad heth, vin s skodde
Irtha hjra walda nd berga. Rinstrma wrdon ovira fjelda sprd. S
kokade. Berga spydon ni tha wolkum, nd hwad hja spyth hde, swikton
tha wolka wither vp jrtha. By-t anfang there Arnemnath nigade jrtha
northward, hju sg del, l lgor nd lgor. Anna Wolfamnath lidon tha
Dnemarka fon Fryas lnd vnder-ne s bidobben. Tha walda thr bylda in
wron, wrdon vphyvath nd thr windum spel. Thet jr fter km frost
inna Herdemnath nd lid ld Fryas lnd vnder en plnke skul. In
Sellamnath km stornewind ut et northa wi, mith forande berga fon
ise nd stnum. Tha spring km, hyf jrtha hjra selva vp. Ise smolt
wi. Ebbe km nd tha walda mith byldum drvon ni s. Inner Winna
jeftha Minnamnath gvng aider thurvar wither hm fra. Ik km mith en
fm to thre burch Ljudgrda. Ho drove sach et ut. Tha walda thra
Lindawrda wron mst wi. Thr tha Ljudgrde wst hde, was s. Sin
hef ftere thene hringdik. Ise hde tha tore wi brocht nd tha husa
lide in thrvch ekkrum. Anna helde fonna dik fond ik en stn. vsa
skriver hd er sin nm inwryten, tht wre my en bken. S-t mith
vsa burch gvngen was, was-t mith mitha ra gvngon. Inna hga lnda
wron hja thrvch jrtha, inna dna landa thrvch wter vrdn. Allna
Fryasburch to Texland wrth vnedrad fvnden. Men al et lnd thet
northward lid hde, wre vnder s. Noch nis-t navt boppa brocht. An
ths kd fon-t Flymre wron ni meld wrde thrichtich salta mra
kvmen, vnstonden thrvch tha walda, thr mith grvnd nd al vrdrven
wron. To Westflyland fiftich. Thi grft thr fon-t Alderga thweres
to het land thrvchlpen hde, was vrsndath nd vrdn. Tha stjurar
nd r frande folk, thr to honk wron, hde hjara selva mith mga
nd sibba vppira skepum hret. Men tht swarte folk fon Lydasburch
nd Alikmarum hde aln dn. Thawil tha swarta sdward dryvon,
hdon hja flo mngrtne hret, nd nidam nimman ne km to aska
tham, hildon hja tham to hjara wiva. Tha mnniska thr to bek kmon,
gvngon alle binna tha hringdika thra burgum hma, thrvchdam et thr
buta al slyp nd broklnd wre. Tha gamla husa wrde byn klust. Fona
boppalndum kpade mn ky nd skp, nd inna tha grte husa thr to
fra tha fmna sten hde, wrde nw lken nd filt mkad, vmbe thes
lvens willa. Tht skd 1888 [78] jr ni tht Atlnd svnken was.

In 282 jr [79] ndon wi nn remoder navt hat, nd nw ella tomet
vrlren skinde, gvng mn ne kjasa. Thet hlot falde vp Gosa to
nmath Makonta. Hju wre Burchfm et Fryasburch to Texlnd. Hel fon
hawed nd klr fon sin, lle god, nd thrvchdam hira burch allna
sprad was, sach alrik thrut hira hropang. Tjan jr lttere kmon
tha stjurar fon Forana nd fon Lydas burch. Hja wildon tha swarta
mnniska mith wif nd bern to thet lnd utdryva. Thrwr wildon hja
thre Moder is rd biwinna. Men Gosa frje, knst n nd r to bek
fora ni hjra lndum, thn chste spod to mkjande, owers ne skilun
hja hjara mga navt wither ne finda. N side hja. Th side Gosa:
Hja hvon thin salt provad nd thin brd ten. Hjara lif nd lva
hvon hja vnder jow hod stlad. I moste jow ajne hirta biska. Men ik
wil thi en rd jeva. Hald hjam alond jow wldich biste vm ra wither
honk to fora. Men hald hjam bi jow burgum thr bta. Wk ovir hjara
sd nd lr hjam as jef hja Fryas svna wre. Hjra wiva send hyr tha
steriksta. As rk skil hjara blod vrfljuchta, til er tha lesta navt
owers as Fryas blod in hjara fterkvmande skil bilywa. S send hja
hyr bilwen. Nw winst ik wel tht mina fterkvmande thr vp letta,
ho fr Gosa wrhd sprek. Th vsa lnda wither to bigana wr, kmon
thr banda erma Saxmanna nd wiva ni tha vvrdum fon Stavere nd tht
Alderga, vmbe golden nd ra sjarhd to skane fon ut tha wasige
bodeme. Thach tha stjurar nildon hja navt to lta. Tha gvngon hja
tha lthoga thorpa bihma to West Flyland, vmbe ra lif to bihaldane.





NW WIL IK SKRIWA HO THA GRTMANNA AND FLO HLNJA FOLGAR TOBEK KMON.


Twa jr ni tht Gosa Moder wrde [80], km er en flte to thet
Flymara in fala. Thet folk hropte ho.n.sen. Hja foron til Stavere,
thr hropton hja jeta ris. Tha fna wron an top nd thes nachtes
skton hja barnpila [81] anda loft. Th dird wre rojadon svme mith
en snke to thre hava in. Hja hropton wither ho.n. sen. Th hja
landa hipte-n jong kerdel wal vp. In sina handa hdi-n skild, thrvp
was brd nd salt lid. Afterdam km en grva, hi side wi kvmath
fona fere Krkalandum wi, vmb vsa sd to warjande, nw winstath wi i
skolde alsa mild wsa vs alsa fl lnd to jvane tht wi thrvp mge
hma. Hi telade-n le skdnese thr ik fter btre skryva wil. Tha
grva niston navt hwat to dvande, hja sandon bodon allerwikes, k
to my. Ik gvng to nd side: nw wi-n Moder hve agon wi hjra rd to
frjande. Ik selva gvng mitha. Thju Moder, thr ella wiste, side, lt
hja kvme, s mgon hja vs lnd helpa bihalda: men lt hjam navt vp ne
std ne bilyva, til thju hja navt waldich ne wrde ovir vs. Wi ddon
as hju sid hde. That wre l ni hjra hi. Fryso reste mith sin
ljudum to Stavere, that hja wither to ne sstde mkade, sa god hja
machte. Wichhirte gvng mith sinum ljudum astward ni there mude. Svme
thra Johnjar, thr mnde tht hja font Alderga folk sproten wre,
gvngen thr hinne. En lyth dl thr wnde tht hjara thla fon tha
sjugon landa wei kmon, gvngon hinne nd setton hjara selva binna
tha hringdik fon thre burch Walhallagra del. Ljudgrt thene skolte
bi nachte fon Wichhirte wrth min the fterni min frjund. Fon ut
sin dibok hv ik thju skdnese thr hir fter skil folgja.

Nei tht wi 12 mel 100 nd twia 12 jr bi tha fif wtrum sten hde,
thahwila vsa skmpar alle sa bifren hde thr to findane, km
Alexandre [82] tham kning mith en weldich hr fon boppa allingen
thr strm vsa thorpa bifra. Nimman ne mcht im wither worda. Thach
wi stjurar thr by tha s ston, wi skpt vs mith al vsa tilbre
hava in nd brda hinna. Tha Alexandre fornom tht im s ne grte
flte vntfra was, wrth er wodinlik, to swrande hi skolde alle
thorpa an logha offerja jef wi navt to bek kvma nilde. Wichhirte
lide siak to bedde. Th Alexandre tht fornom heth er wacht
alont er bter wre. Afterni km er to him sr kindlyk snakkande,
thach hi thrjvchde lik hi r dn hde. Wichhirte andere thr fter,
o aldergrteste thra kningar. Wi stjurar kvmath allerwikes, wi
hven fon jow grte ddun hred. Thrvmbe send wi fvl rbidenese to
fara jowa wpne, tha jet mar vr thina witskip. Men wi thera wy send
frybern Fryas bern. Wy ne mgon nne slfona navt ne wrde. Jef ik
wilde, tha ra skolde rder sterva willa, hwand alsa ist thrvch vsa
wa biflen. Alexandre side: ik wil thin lnd navt ne mkja to min
bt, ner thin folk to mina slfona. Ik wil blt tht ste my thjanja
skolste vmb ln. Thrvr wil ik swra by vs bdar godum, tht nimman vr
my wrogja skil. Tha Alexandre fternei brd nd salt mith im dlade,
heth Wichhirte that wiste dl ksen. Hi lt tha skpa hala thrvch sin
svne. Tha thi alle tobek wron, heth Alexandre thi alle hred. Thr
mitha wilde hi sin folk ni tha helge Gnga fra, thr hi to land
navt hde mge nka. Nw gvng er to nd ks altham ut sin folk nd
ut sina salt-atha thr wenath wron vvr-ne s to frane. Wichhirte
was wither siak wrden, thrvmbe gvng ik allna mitha nd Nearchus
fon thes keningis wga. Thi tocht hlip svnder fardl to-n-ende,
uthvede tha Johnjar immerthe an vnmin wron with tha Phonisjar,
alsa Narchus thr selva nn bs ovir bilywe ne kv. Intwiska hde
tham kning navt stile nst. Hi hde sina salt-atha bma kapja
lta nd to planka mkja. Thrvch help vsar timberljud hder thr of
skpa mkad. Nw wilder selva skning wertha, nd mith l sin hr
thju Gonga vpfra. Thach tha salt-atha thr fon thet bergland kmon,
wron ang to fara s. As hja hradon tht hja mith moste, stakon hja
tha timberhlotha ane brnd. Thr thrvch wrde vs le thorp anda aska
lid. Thet forma wnde wy tht Alexandre tht bifalen hde nd jahwder
stand rd vmb s to kjasane. Men Alexander wre wodin, hi wilde tha
salt-atha thrvch sin ajn folk ombrensa lta. Men Narchus tham navt
allna sin roste forst men ak sin frjund wre, rde him owers to
dvande. Nw brad er as wen der lavade thet vnluk et dn hde. Tha hi
ne thvrade sin tocht navt vrfata. Nw wild er to bek kra, thach r
hi tht dde, lt hi thet forma biska hwa-r skeldich wron. Dry-r
tht wiste lt er altham svnder wpne bilywa, vmb en ny thorp to
mkjande. Fon sin ajn folk lt er wepned vmbe tha ra to tmma, nd
vmbe ne burch to bvwande. Wy moston wiv nd bern mith nimma. Kmon
wi anda muda thre uphrat, sa machton wi thr en std kiasa jeftha
omkra, vs ln skold vs vin blyd to dlath wrde. An tha nya skpa,
thr tha brnd vntkvma wron, let-er Johniar nd Krkalandar g. Hi
selva gvng mith sin ra folk allingen thre kd thrvch tha dorra
wostna, tht is thrvch et land tht Irtha vphid hde uta s, tha
hju thju strte after vsa thela vphide as hja inna Rde s kmon.

Tha wy to ny Grtmanja kmon (ny Grtmanja is en hva thr wi
selva makad hede, vmbe thr to wterja) mton wi Alexandre mith sin
hr. Narchus gvng wal vp nd bide thrja dga. Tha gvng et wither
forth. Tha wi bi thre uphrat kmon, gvng Narchus mith sina salt-atha
nd flo fon sin folk wal vp. Tha hi km hring wither. Hi side, thi
kning lt jow bidda, i skille jet en lithge tocht to sinra wille dvan,
alont et ende fona Rde s. Thrni skil jawehder s fl gold krja
as er bra mi. Tha wi thr kmon, lt er vs wysa hwr thju strte
r wst hde. Thr ni wylader n nd thritich dga, alan ut sjande
vvra wostne.

Tho tha lesta km er en hloth mnniska mith forande twa hondred
lephanta thvsend kmlun tolden mith woden balkum, rpum nd allerlja
ark vmbe vsa flte ni tha Middels to tyande. Tht biswd-vs, nd
likt vs bal to, men Narchus teld vs, sin kning wilde tha thera
kninggar tna that i weldiger wre, s tha kninggar fon Thyris r
wsen hde. Wi skoldon men mith helpa, skur skolde vs tht nn skda
navt dva. Wi moston wel swika, nd Nearchus wiste ella s pront to
birjuchte tht wi inna Middels lide r thrja mnatha forby wron. Tha
Alexandre fornom ho-t mith sinra onwerp ofkvmen was, wrth er sa
vrmten tht er tha drage strte utdiapa wilde Irtha to-n spot. Men
Wr.alda lt sine sle ls, thrvmbe vrdronk er inna win nd in sina
ovirmodichhd, r tht er bijinna kvste. After sin dd wrde thet rik
dlad thrvch sina forsta. Hja skolde alrek en dl to fara sina svnum
wrja, thach hja wron vnmnis. Elk wilde sin dl bihalda nd selva
formra. Tha km orloch nd wi ne kvste navt omme kra. Narchus
wilde nw, wi skolde vs del setta an Phonisi his kd, men tht nilde
nimman navt ne dva. Wi side, rder willath wi wga ni Fryasland to
gna. Tha brocht-er vs nei thre nya hva fon Athenia, hwr alle fte
Fryas bern formels hin tin wron. Forth gvngon wi salt-tha liftochta
nd wpne fra. Among tha flo forsta hde Narchus en frjund mith nme
Antigonus. Thisse strdon bde vmb n dol, s hja sidon as follistar
to fra-t kninglike slachte nd forth vmbe alle Krkalanda hjara alda
frydom wither to jvane. Antigonus hde among flo therum nnen svn,
thi hte Demtrius, fter tonmad thene stda winner. Thisse gvng
nis vpper stde Salmis of. Ni tht er thr en stt mi strden hde
most er mith thre flte strida fon Ptholemeus. Ptholemus, alsa hte
thene forst thr welda ovir giptaland. Dmtrius wn thre kse, tha
navt thrvch sina salt-tha, men thrvch dam wy him helpen hde. Thit
hde wi dn thrvch athskip to fra Narchus, hwand wi him far basterd
blod biknde thrvch sin friska hd nd blwa gon mith wit hr. After
ni gvng Dmtrius ls vp Hrodus [83] thr hinne brochton wi sina
salt-tha nd liftochta wr. Th wi tha leste ris to Hrodus kmon,
was orloch vrtyan. Dmtrius was ni Athenia fren. Tha vs kning
tht vnderstande, ld-er vs tobek. Tha wi anda hve kmon, wre l et
thorp in row bidobben. Friso thr kning wr ovir-a flte, hde en svn
nd en toghater ts, s bjustre fres, as jef hja ps ut Fryasland wi
kvmen wren, nd s wonderskn as nimman mocht hgja. Thjv hrop thrvr
gvng vvr alle Krkalanda nd km in tha ra fon Dmtrius. Dmtrius
wre vvl nd vnsdlik, nd hi thogte tht-im ella fry stvnde. Hi lt
thju toghater avbr skkja. Thju moder ne thvrade hjra joi [84] navt
wachtja, joi nomath tha stjurar wiva hira mna, tht is blideskip,
ak segsath hja swthirte. Tha stjurar hton hjra wiva trst, nd fro
jefta frow tht is fr k frolik, tht is lik an fr. Thrvchdam hju
hjra man navt wachtja thurade, gvng hju mith hjra svne ni Dmtrius
nd bad, hi skolde hja hjra toghater wither jva. Men as Dmtrius
hira svn sa, lt-er tham ni sinra hove fora, nd dde aln mith him,
as-er mith tham his suster dn hde. Anda moder sand hi en buda gold,
thach hju stirt-et in s. As hju ths km, warth hju wansinnich,
allerwikes run hju vvra strte: nst min kindar navt sjan, o wach,
lt mi to jow skul ska, wand min joi wil mi dja for tha-k sina kindar
wi brocht hv. Tha Dmtrius fornom, tht Friso to honk wre, sand-i
en bodja to him segsande, tht hi sina bern to him nomen hde wmbe ra
to fora to-n hge stt vmbe to lnja him to fra sina thjanesta. Men
Friso thr stolte nd herdfochtich wre, sand en bodja mith en brve
ni sinum bern tha, thrin mnde hi hjam, hja skolde Dmtrius to
willa wsa, vrmithis tham hjara luk jrde. Thach thene bodja hde
jeta-n ora brve mith fenin, thrmi bifl-er hja skolde tht innimma,
hwand sid-er-vnwillinglik is thin lif bivvllad, tht ne skil jow
navt to rkned ni wrde, thach shwersa jow jowe sle bivvlath sa ne
skil jow nimmerthe to Walhlla ne kvma, jow sle skil thn ovir irtha
ommewra, svnder  thet ljucht sja to mugande, lik tha flramusa nd
nachtula skilstv alra dystik in thina hola skula, thes nachtis utkvma,
then vp vsa grva grja nd hla, thahwila Frya hjra haved fon jow
ofwenda mot. Tha bern dde lik-ra biflen warth. Dmtrius lt ra
likka in s werpa nd to tha mnniska wrde sid, tht hja fljucht
wron. Nw wilde Friso mith alleman ni Fryasland fra, thr-i r wst
hde, men tha mst nilde tht navt ne dva. Nw gvng Friso to nd skt
thet thorp mith-a kninglika frrdskrum anda brnd. Hjud ne kv ni
thvrade ninman ne bilywa, nd alle wron blyde, that hja bta wre,
bihalva wif nd bern hdon wi ella abefta lten, thach wi wron to
lden mith liftochtum nd orlochtuch.

Friso nde nach nn fretho. Tha wi by tha alda hve kmon gvnger
mith sina drista ljudum to nd skt vnwarlinga tha brnd inna skpa,
thr-i mith sina pilum bigna kv. After sex dgum sgon wi tha
orlochflte fon Dmtrius vp vs to kvma. Friso bifl vs, wi moston
tha lithste skpa fterhde in ne brde line, tha stora mith wif
nd bern frut. Forth bd er wi skoldon tha krnboga fon for nimma
nd anda ftestwen fstigja, hwand sid er, wi achon al ffjuchtande
to fjuchtane. Nimman ne mi him formta vmb en enkeldera fyand to
forfolgjande, alsa sid-er is min bislut. Tha hwila wi thrmitha al
dvande wron, km wind vs vppa kop, to thra lfa nd thra wiva skrik,
thrvchdam wi nne slvona navt nde as thra thr vs bi ajn willa
folgan wre. Wi ne machton hja thus navt thruch roja ni vntkvma. Men
Wralda wiste wel, hwrvmb-er s dde, nd Friso thr-et fata, lt
tha brnpila ring inna krnboga lidsa. To lik bd-er tht nimman
skiata ne machte, r hy skten hde. Forth sid-er tht wi alle ni
tht midloste skip skiata moste, is tht dol god biracht sid-er,
s skilun tha ra him to helpane kvma nd thn mot alrik skiata sa-r
alderbesta mi. As wi nw arhalf ketting fon-ra of wre, bigoston tha
Phonisiar to skiata. Men Friso n-andere navt bi fra tha roste pil
del falde a sex fadema fon sin skip. Nw skt-er. Tha ra folgade,
thet likte en fjurrin nd thrvchdam vsa pila mith wind mi gvngon,
bilvon hja alle an brnd, nd nkade selva tha thridde lge. Allera
mnnelik gyradon nd jwgade. Men tha krta vsar witherlgum wron
sa herde, thet-et vs thet hirte binpen warth. As Friso mnde tht
et to koste, lt-er ofhalde nd wi spode hinne. Thach ni that
wi twa dga forth pilath hde, km thr en re flte ant sjocht,
fon thrittich skpun, thr vs stdis in wnne. Friso lt vs wither
rd makja. Men tha thera sandon en lichte snka fvl rojar forut,
tha bodon thra bdon ut alera nma jef hja mith fra machte. Hja
wron Johniar, thrvch Dmtrius wron hja wldantlik ni there alda
hve skikad. Thr hdon hja fon thre kse hrad nd nw hdon hja
thet stolta swrd antjan, nd wron vs folgad. Friso thr fl mitha
Johnjar faren hde side j, men Wichhirte vsa kning side n. Tha
Johnjar send afgoda thjanjar sid-er, ik selva hv hrad, ho hja thi
an hropte. Friso side thet kvmath thrvch tha wandel mith tha fta
Krkalandar. Tht hv ik vken selva dn. Thach ben ik alsa herde
Fryas as tha finste fon jow. Friso wre thene mn thr vs to Fryasland
wisa moste. Thus gvngon tha Johnjar mith. Ak likt-et nei Wr.aldas hi,
hwand r thrja mnathe om hlpen wron, gvngon wi allingen Britannja,
nd thrja dga lter machton wi ho.n sen hropa.





THIT SKRIFT IS MIJ OWER NORTLAND JEFTHA SKNLAND JVEN.


Vndera tida tht vs land del sg, wre ik to Sknland. Thr gvng et
alsa to. Thr wron grte mra, thr fon tha bodeme lik en blse vt
setta, then spliton hja vt-n. Uta rta km stof as-t gliande yser
wre. Thr wron berga thr tha krunna of swikte. Thesse truldon
nther nd brochton walda nd thorpa wi. Ik self s tht en berch
fon tha ra of torent wrde. Linrjucht sg er del. As ik afterni
sjan gvng, was thr en mre kvmen. Tha irtha bterad was, km er
en hrtoga fon Lindasburch wi, mit sin folk nd en fm, thju fm
kthe allomme: Thene Mgy is skeldich an al-eth lt tht wi lden
hve. Hja tgon immer forth en thet hr wrth al grter. Thene Mgy
fluchte hinne, mn fand sin lik, hi hde sin self vrdn. Tha wrdon
tha Finna vrdrven ni nre std, thr machton hja lva. Thr wron
fon basterde blode. Thissa machton biliwa, thach flo gvngon mith tha
Finna mi. Thi hrtoga warth to kning kren. Tha krka thr l bilven
wron wrde vrdn. Sont komath tha gode Northljud vken to Texland vmb
there Moder-is rd. Th wi ne mgath hjam for nne rjuchta Fryas mar
ne halde. Inna Dnamarka ist skur as bi vs gvngon. Tha stjurar, tham
hjara self thr stoltelika skmpar hton, send vppira skpa gvngon,
nd fterni sind hja to bek gvngon.


                                 Held!


Hwersa thene Kroder en tid forth kroden heth, thn skilun tha
fterkomanda wna tht tha lka and brka, thr tha Brokmanna mith
brocht hve, jen were an hjara thla. Thr vr wil ik wka nd thus
s fl vr hjra plga skriva as ik sjan h. Vr tha Grtmanna kn
ik rd hinne stappa. Ik nv navt fl mithra omme gvngen. Tha s
fr ik sjan h send hja tht mast bi tl nd sd bilwen. Tht ne
mi ik navt segsa fon tha thera. Thr fon.a Krkalnda wi kvme,
send kwd ther tl nd vppira sd ne mi mn l navt boga. Flo
hvath brna gon nd hr. Hja send nidich nd drist nd ng thrvch
overbilwichhd. Hwrsa hja sprka, s nmath hja the worda fr vppa
thr lerst kvma mosta. Ajen ald segath hja d, jen salt sd, m fori
mn, sel fori skil, sode fori skolde, to fl vmb to nomande. Ak forath
hja mst vrdvaliske nd bikirte nma, hwran mn nn sin an hefta ne
mi. Tha Johniar sprkath btre, thach hja swygath thi h nd hwri
navt nsa mot, wrth er tekth. Hwersa imman en byld mkath fter
nnen vrstvrven nd thet likt, s lwath hja, tht thene gst thes
vrsturvene thr inne frath. Thrvr hvath hja alle bylda vrburgen
fon Frya, Fsta, Mda, Thjanja, Hellnja nd flo thera. Hwerth
thr en bern ebern, s kvmath tha sibba et smne nd biddath an Frya
tht hju hjara fmkes mi kvma lta tht bern to senande. Hvon hja
bden sa ne mi nimman him rora ni hra lta. Kvmt et bern to grjande
nd halt thit en stvnde an, alsa is tht en kwd tken nd man is an
formoda, tht thju mm hordom dn heth. Thrvr hv ik al rge thinga
sjan. Kvmt et bern to slpande, s is tht en tken, tht tha fmkes
vr-et kvmen send. Lakt et inna slp, s hvon tha fmkes tht bern
luk to sit. Olon lwath hja an bosa gsta, hexna, kolla, aldermankes
nd elfun, as jef hja fon tha Finna wei kmen. Hyrmitha wil ik enda
nd nw mn ik tha-k mr skrven h, as n minra thla. Frthorik.

Frthorik min gd is 63 jr wrden. Sont 100 nd 8 jr is hi thene
roste fon sin folk, thr frdsum sturven is, alle thera send vndera
slga swikt, thrvr tht alle kmpade with ajn nd frhmande vmb
rjucht nd plicht.

Min nm is Wil-jo, ik bin tha fm thr mith him fona Saxanamarka to
honk for. Thrvch tl nd ommegang km et ut, tht wi alle bde fon
Adela his folk wron, th km ljafde nd fterni send wi man nd wif
wrden. Hi heth mi fyf bern lten, 2 suna nd thrju toghatera. Konerd
alsa ht min forma, Hchgna min thera, mine aldeste toghater
hth Adela, thju thera Frulik nd tha jongeste Nocht. Th-k ni
tha Saxanamarka for, hv ik thrju boka hret. Thet bok thra sanga,
thra tellinga, nd thet Hlnja bok. Ik skrif thit til thju mn navt
thnka ne mi tht hja fon Apollnja send; ik hv thr fl lt vr
had nd wil thus k thju re h. Ak hv ik mr dn, tha Gosa-Makonta
fallen is, hwames godhd nd klrsjanhd to en sprkword is wrden,
th ben ik allna ni Texland gvngen vmbe tha skrifta vr to skrivane,
thr hju fter lten heth, nd th tha lerste wille fonden is fon
Frna nd tha niltne skrifta fon Adela jefta Hellnja, hv ik tht
jetta ris dn. Thit send tha skrifta Hellnjas. Ik set hjam fr vppa
vmbe tht hja tha aldesta send.


                         ALLE AFTA FRYAS HELD.


In ra tida niston tha Slvona folkar nawet fon fryhd. Lik oxa wrdon
hja vnder et juk brocht. In irthas wand wrdon hja jgath vmbe mtal
to delvane nd ut-a herde bergum moston hja hsa hwa to forst nd
presterums hm. Bi al hwat hja ddon, thr nas nawet to fra hjara
selva, men ella moste thjanja vmbe tha forsta nd prestera jeta riker
nd weldiger to mkjane hjara selva to sdene. Vnder thesse arbd
wrdon hja grv nd strm r hja jrich wron, nd sturvon svnder n
ochta afskn irtha tham overflodlik fvl jf to bta al hjara bern. Men
vsa britna kmon nd vsa bnnalinga thrvch tha Twisklnda vr in hjara
marka fra nd vsa stjurar kmon in hjara hvna. Fon hjam hradon hja
klta vr lika frydom nd rjucht nd overa wa, hwr bta nimman omme
ne mi. Altham wrde vpsugon thrvch tha drova mnniska lik dwa thrvch
tha dorra fjelde. As hju fvl wron bijonnon tha alderdrista mnniska to
klippane mith hjara kdne, alsa-t tha forsta w dde. Tha forste send
stolte nd wichandlik, thrvmbe is thr k noch dged in hjara hirta,
hja birdon et smine nd javon awet fon hjara overflodalikhd. Men
tha lfa skin frna prestara ne machton tht navt ne lyda, emong
hjara forsinde godum hdon hja k wrangwrda drochtne eskpen. Pest
km inovera lnda. Nw sidon hja, tha drochtna send tornich overa
overhrichhd thra bosa. Tha wrdon tha alderdrista mnniska mith
hjara kdne wirgad. Irtha heth hjara blod dronken, mith tht blod
fode hju frchda nd nochta, nd alle tham thr of ton wrdon wis.

16 wra 100 jr lden [85] is Atland svnken, nd to thra tidum
brade thr awat hwr vppa nimman rkned nde. In-t hirte fon Findas
lnd vppet berchta lid en del, thr is kthen Kasamyr [86], thet is
sjeldsum. Thr werth en bern ebern, sin mm wre thju toghater enis
kning nd sin tt wre-n hvedprester. Vmb skm to vnkvma mosten hja
hjara jen blod vnkvma. Thrvmbe wrth er bta thre stde brocht bi
rma mnniska. In twiska was-t im navt forhlad ne wrden, thr vmbe
dd er ella vmbe wisdom to gtane nd grane. Sin forstn wre s grt
tht er ella forstnde hwat er s nd hrade. Tht folk skowde him mit
rbdenese and tha prestera wr don ang vr sina frga. Th-r jrich
wrde gvnger ni sinum aldrum. Hja moston herda thinga hra, vmb-im
kwit to werthane javon hja him vrflod fon kestlika stnum; men hja ne
thvradon him navt avbr biknn as hjara jne blod. Mith drovenese
in vrdelven overa falxe skm sinra aldrum gvng-er ommedwla. Al
forth frande mte hi en Fryas stjurar thr as slv thjanade, fon
tham lrd-i vsa sd nd plgum. Hi kpade him fry, nd to ther dd
send hja frjunda bilwen. Alomme hwr er forth hinne tch, lrd-i
an tha ljuda tht hja nne rika ner prestera tolta moston, tht hja
hjara selva hode moston jen falxe skm, ther allerwikes kvad dvat
an tha ljavde. Irtha sid-er sknkath hjara jva ni mta men hjara
hd klwat, tht mn thrin ch to delvane to rane nd to sjane,
s mn throf skra wil. Thach sid-er nimman hovat thit to dvande
fori ennen thera hit ne sy, tht et bi mne wille jef ut ljavade
skd. Hi lrde tht nimman in hjara wand machte frota vmbe gold
her silver ner kestlika stna, hwr nid an klywath nd ljavde fon
fljuchth. Vmbe jow manghrta nd wiva to sjarane, sid-er, jvath
hjara rin strma noch. Nimman sid-er is weldich alle mnniska
mtrik nd lika luk to jn. Tha tht it alra mnniska plicht vmbe
tha mnniska alsa mtrik to mkjane nd sa flo nocht to jn, as to
binka is. Nne witskip seid-er ne mi mn minachtja, thach lika
dla is tha grteste witskip, thr tid vs lra mi. Thrvmbe tht
hjv argenese fon irtha wrath nd ljavde feth.

Sin forme nm wre Jes-us [87], thach tha prestera thr-im sralik
hton hton him Fo tht is falx, tht folk hte him Kris-en tht is
herder, nd sin Fryaske frjund hta him Bda, vmbe that hi in sin
hvad en skt fon wisdom hde nd in sin hirt en skt fon ljavde.

To tha lersta most-er fluchta vr tha wrka thra prestera, men vral
hwr er km was sine lre him frut gvngen nd vral hwr-er gvng
folgadon him sina ltha lik sine skde ni. Th Jes-vs alsa twilif
jr om fren hde, sturv-er, men sina frjunda wradon sine lre nd
kthon hwr-et ron fvnde.

Hwat mnst nw tht tha prestera ddon, tht mot ik jo melde, k mot-i
thr sralik acht vp jn, forth mot-i over hjara bidryv nd renka wka
mith alle krftum, thr Wralda in jo lid heth. Thahwila Jes-us lre
vr irtha for, gvngon tha falxe prestera ni-t lnd sinra berta sin
dd avbra, hja sidon tht hja fon sinum frjundum wron, hja bradon
grte rowa, torennande hjara klthar to flardum nd to skrande hjara
hola kl. Inna hla thra berga gvngon hja hma, thach thrin hdon hja
hjara skt brocht, thr binna mkadon hja byldon fter Jes-us, thessa
byldon jvon hja antha vnrg thnkanda ljuda, to longa lersta sidon
hja tht Jes-us en drochten wre, tht-i tht selva an hjam bilden
hde, nd tht alle thr an him nd an sina lra lwa wilde, nimels
in sin kningkrik kvme skolde, hwr fr is nd nochta send. Vrmites
hja wiston tht Jes-us jen tha rika to fjelda tgen hde, s kthon
hja allerwikes, that rmode h nd nfald s thju dre wre vmbe in
sin rik to kvmane, tht thra thr hyr vp irtha tht mste lden hde,
nimels tha msta nochta hva skolde. Thahwila hja wiston tht Jes-us
lrad hde tht mn sina tochta welda nd bistjura moste, s lrdon
hja tht mn alle sina tochta dja moste, nd tht tha fvlkvminhd
thra mnniska thrin bistande tht er vin vnforstoren wrde s tht
kalde stn. Vmbe tht folk nw wis to mkjande tht hja alsa ddon,
alsa bradon hja rmode overa strta nd vmb forth to biwisane tht
hja al hjara tochta dd hde, nmon hja nne wiwa. Thach sahwrsa en
toghater en misstap hde, s wrth hja that ring forjn, tha wrakka
sidon hja most mn helpa and vmbe sin jn sle to bihaldane most
mn fl anda cherke jn. Thus todvande hde hja wiv nd bern svnder
hshalden nd wrdon hja rik svnder werka, men that folk wrth fl
rmer nd mr lndich as  to fra. Thas lre hwrbi tha prestera nn
re witskip hova as drochtlik rda, frna skin nd vnrjuchta plga,
brd hiri selva ut fon-t sta to-t westa nd skil k vr vsa landa kvma.

Men astha prestera skilun wna, tht hja allet ljucht fon Frya nd
fon Jes-us lre vtdvath hva, s skilum thr in alle vvrda mnniska
vpstonda, tham wrhd in stilnise among ekkorum wrath nd to fra
tha prestera forborgen hve. Thissa skilun wsa ut forsta blod, fon
presterum blod, fon Slvonum blod, nd fon Fryas blod. Tham skilun
hjara foddikum nd tht ljucht bta bringa, s tht allera mnnalik
wrhd mi sjan; hja skilun w hropa overa dda thra prestera nd
forsta. Tha forsta thr wrhd minna nd rjucht tham skilun fon
tha prestera wika, blod skil strma, men thrut skil-et folk nye
krfta gra. Findas folk skil sina findingrikhd to mna nitha wenda,
tht Lydas folk sina krfta nd wi vsa wisdom. Tha skilun tha falxa
prestera wi fgath wertha fon irtha. Wralda his gst skil alomme nd
allerwikes rath nd bihropa wertha. Tha wa thr Wralda bi-t anfang
in vs mod lide, skilun allna hrad wertha, thr ne skilun nne ra
mstera, noch forsta, ner bsa navt nsa, as thra thr bi mna wille
kren send. Thn skil Frya juwgja nd Irtha skil hira jva allna
sknka an tha werkande mnnisk. Altham skil anfanga fjuwer thusand
jr ni Atland svnken is nd thusand jr lter skil thr longer nn
prester ner tvang vp irtha sa.

Dela tonmath Hellnja, wk!

S lda Frnas troste wille. Alle welle Fryas held. An tha nme
Wraldas, fon Frya, nd thre fryhd grte ik jo, nd bidde jo,
sahwersa ik falla machte r ik en folgster nmath hde, s bifl ik
jo Tntja thr Burchfm is to thre burch Mdasblik, til hjud dgum
is hja tha besta.

Thet heth Gsa ni lten. Alle mnniska held. Ik nv nne remoder
binomad thrvchdam ik nne niste, nd et is jo bter nne Moder to
hvande as ne hwr vp-i jo navt forlta ne mi. Arge tid is forbi
fren, men thr kvmt en there. Irtha heth hja navt ne brad nd
Wralda heth hja navt ne skren. Hju kvmt ut et sta ut-a bosma thra
prestera wi. S flo ld skil hju broda, tht Irtha-t blod algdvr
navt drinka ne kn fon hira vrsljana bernum. Thjustrenesse skil
hju in overne gst thra mnniska sprda, lik tongar-is wolka oviret
svnneljucht. Alom nd allerwikes skil lest nd drochten bidryf with
fryhd kmpa nd rjucht. Rjucht nd fryhd skilun swika nd wi mith
tham. Men thesse winst skil hjara vrlias wrochta. Fon thrju worda
skilun vsa fterkvmande an hjara ljuda nd slvona tha bithjutnesse
lra. Hja send mna ljavde, fryhd nd rjucht. Tht forma skilun
hja glora, fterni with thjustrenesse kmpa al ont et hel nd klr
in hjawlikes hirt nd holle wrth. Thn skil tvang fon irtha fgad
wertha, lik tongarswolka thrvch stornewind, nd alle drochten bidryv
ne skil thr jen nawet navt ne formga. Gsa.





THET SKRIFT FON KONERD.


Min thla hvon in fter thit bok skrven. Thit wil ik boppa ella
dva, vmbe tht er in min stt nn burch ovir is, hwrin tha brtnesa
vp skrven wrde lik to fra. Min nme is Konerd, min tt-his nme
was Frthorik, min mem his nme Wiljow. After tt his dd ben ik to
sina folgar kren, nd tha-k fiftich jr tlde ks men mij to vrste
grvetmn. Min tt heth skrven ho tha Linda-wrda nd tha Ljudgrdne
vrdilgen send. Lindahm is jeta wi, tha Linda-wrda far en dl,
tha northlikka Ljudgrdne send thrvch thene salta s bidelven. That
brwsende hef slikt an tha hringdik thre burch. Lik tt melth heth, s
send tha hvalsa mnniska to gvngen nd hvon hskes bvwad binna tha
hringdik thra burch. Thrvmbe is tht ronddl nw Ljvdwerd hten. Tha
stjurar segath Ljvwrd, men tht is wansprke. Bi mina jged was-t re
lnd, tht bta tha hringdik lid, al pol nd brok. Men Fryas folk
is diger nd flitich, hja wrdon mod ner wirg, thrvchdam hjara dol to
tha besta lide. Thrvch slta to delvane nd kdika to mkjane fon
tha grvnd thr t-a slta km, alsa hvon wi wither en gode hm bta
tha hringdik, thr thju dnte het fon en hof, thr pla stwarth,
thr pla sdwarth nd thr pla wstwarth mten. Hjud dgum send
wi to dvande -pla to hjande, vmb ne hve to winnande nd mith
n vmb-vsa hringdik to biskirmande. Jef et werk rd sy, s skilun
wi stjurar utlvka. Bi min jged stand-et hyr bjstre om-to, men hjud
send tha hskes al hsa thr an rja stn. And lek nd brek thr mith
ermode hir in glupt wron, send thrvch flit a-buta drven. Fon hir ut
mi allera mnnalik lra, tht Wr.alda vsa Alfoder, al sina skepsela
fot, mits tht hja mod halde nd mnlik therum helpa wille.





NV WIL IK VR FRISO SKRIVA.


Friso thr al weldich wre thrvch sin ljud, wrth k to vrste
grve kren thrvch Staverens ommelandar. Hi spot mith vsa wisa fon
lnd-wr nd skmpa, thrvmbe heth-er en skol stift hwr in tha knpa
fjuchta lra ni Krkalandar wysa. Thn ik lv tht i tht dn heth
vmb tht jongk-folk an sin snr to bindane. Ik hv min brother thr
k hin skikt, tha-s nv thjan jr lden. Hwand tocht ik nv wi nne
Moder lnger navt nve, vmbe tha nen jen tha re to bi skirmande,
ch ik dubbel to wkane tht hi vs nn mster ne wrth.

Gosa neth vs nne folgstere nmeth, thr vr nil ik nn ordl ne fella,
men thr send jeta alda rg thenkande mnniska, thr mne tht hju-t
thr-vr mith Friso nis wrden is. Th Gosa fallen was, th wildon tha
ljud fon alle wrda ne there Moder kjasa. Men Friso thr to dvande
wre vmb-en rik to fara him selva to mkjane, Friso ne grde nn
rd ner bodo fon Texland. As tha bodon thra Landstum to him kmon,
sprek-i nde kth. Gosa sid-er was frsjande wst nd wiser as alle
grva tsmne nd thach nde hju nn ljucht nr klrhd in thjuse
ske ne fvnden, thrvmbe nde hju nne mod hn vmb ne folgstere to
kjasane, nd vmb ne folgstere to kjasane thr tvyvelik wre, thr heth
hju bald in sjan, thrvmbe heth hju in hjara troste wille skrven,
tht is jow btre nne Moder to hvande as ne hwr vpp-i jo selva
navt forlta ne mi. Friso hde fl sjan, bi orloch was er vpbrocht,
nd fon tha hrenkum nd lestum thra Golum nd forstum hder krek sa
fl lred nd geth, as-er ndich hde vmbe tha ra grva to wiande
hwr hi hjam wilde. Sjan hir ho-r thrmith to gvngen is.

Friso hde hir-ne ther wif nimth, thju toghater fon Wil-frthe,
bi sin lve was-er vrste Grva to Staveren wst. Thr bi hder twn
svna wnnen nd twa toghatera. Thrvch sin bilid is Kornlja sin jongste
toghater mith min brother mant. Kornlja is wan Fryas and mot Kornhlja
skrven wrde. Wmod sin aldeste heth er an Kavch bonden. Kavch thr
k bi him to skole gvng is thi svnv fon Wichhirte thene Grtmanna
kning. Men Kavch is k wan Fryas nd mot Kp wsa. Men kvade tle
hvon hja mar mithbrocht as gode sda.

Nw mot ik mith mine skdnese a-befta kra.

Aftre grte flod hwr vr min tt skrven heth, wron flo Juttar
nd Ltne mith ebbe uta Balda jefta kvade s [88] fored. Bi Kt his
gat drvon hja in hjara kna mith yse vppa tha Dnemarka fst nd
thr vp send hja sitten bilwen. Thr nron narne nn mnniska an-t
sjocht. Thrvmbe hvon hja tht lnd int, ni hjara nme hvon hja
tht land Juttarland hten. Afterni kmon wel flo Denemarker to bek
fon tha hga landum, men thissa setton hjara selva sdliker del. And
as tha stjurar to bek kmon thr navt vrgvngen navt nron, gvng
thi na mith tha thera nei tha s jefta landum. [89] Thrvch thisse
skikking mochton tha Juttar tht land halda, hwr-vppa Wr.alda ra wjad
hde. Tha Slandar stjurar tham hjara selva mith blte fisk navt helpa
ner nra nilde, nd thr en rge grins hde an tha Gola, tham gvngon
dna tha Phonisjar skpa birwa. An tha sdwester herne fon Sknland,
thr lid Lindasburcht tonmath Lindasnse, thrvch vsa Apol stift,
alsa in thit bok [90] biskrwen stt. Alle kdhmar nd ommelandar
dna wron eft Fryas bilven, men thrvch tha lust thre wrke jen tha
Golum nd jen tha Kltana folgar gvngon hja mitha Slandar sma dvan,
men that sma dva neth nen stek navt ne halden. Hwand tha Slandar
hde felo mislika plga nd wenhde ovir nommen fon tha vvla Mgjarum,
Fryas folk to-n spot. Forth gvng ek to fara him selva rwa, thach jef
et to pase km thn standon hja mnlik therum trvlik by. Thach to
tha lesta bijondon tha Slandar brek to krjande an goda skpa. Hjara
skipmkar weron omkvmen nd hjara walda wron mith grvnd nd al fon-t
land of fged. Nw kmon thr vnwarlingen thry skpa by tha ringdik
fon vsa burch mra. Thrvch tha inbrka vsra landum wron hja vrdvaled
nd tha Flymvda misfaren. Thi kpmon thr mith gvngen was, wilde fon
vs nya skpa h, thrto hdon hja mithbrocht allerlja kestlika wra,
thr hja rwed hdon fon tha Kltanarlandum nd fon tha Phonisjar [91]
skpum. Nidam wy selva nne skpa navt n-de, jf ik hjam flingka
horsa nd fjvwer wpende rinbodon mith nei Friso. Hwand to Stveren
nd allingen tht Alderg thr wrdon tha besta wrskpa maked fon herde
ken wod thr nimmerthe nn rot an ne kvmth. Thahwila tha skampar by
my byde, wron svme Juttar ni Texland fren nd dn wron hja ni
Friso wsen. Tha Slandar hdon felo fon hjara storeste knpum rwed,
thi moston vppa hjara benka roja, nd fon hjara storeste toghtera vmb
thr by bern to tjande. Tha stora Juttar ne mochton et navt to wrane,
thrvchdam hja nne gode wpne navt nde. Th hja hjara lth telad hde
nd thrvr flo wordon wixlad wron, frje Friso to tha lesta jef hja
nne gode have in hjara g navt n-de. O-jes, anderon hja, ne besta
n, ne thrvch Wr.alda skpen. Hju is net krek lik jow bjarkrk thr,
hira hals is eng, th in hira blg knnath wel thvsanda grte kna
lidsa, men wi nvath nna burch ner burchwpne, vmbe tha rwskpa thr
ut to haldane. Thn mosten jow gvnst mkja side Friso. God rden
anderon tha Juttar, men wi n-vath nne ambachtisljud ner bvwark,
wi alle send fiskar nd juttar. Tha ora send vrdrvnken jefta ni tha
hga landum fljucht. Midlar hwila hja thus klta, kmon mina bodon
mitha Slndar hra et sina hove. Hir most nw letta ho Friso alle
to bidobbe wiste to nocht fon bde partja nd to bte fon sin jn
dol. Tha Slandar sider to, hja skoldon jrlikes fiftech skpa hve,
ni fsta mtum nd ni fsta jeldum, to hrd mith ysere kdne nd
krnbogum nd mith fvlle tjuch alsa far wrskpa hof nd ndlik sy,
men tha Juttar skoldon hja thn mith frthe lta, nd all-et folk tht
to Fryasbern hred. J hi wilde mar dva, hi wilde al vsa skmpar
utnda tht hja skolde mith fjuchta nd rwa. Th tha Slandar wi
brit wron, th lt er fjuwertich alda skpa to laja mith burchwpne,
wod, hirbaken stn, timberljud, mirtselra nd smda vmbe thr mith
burga to bvwande. Witto, that is witte sin svn, sand hi mith vmb to
to sjanande. Hwat thr al fr fallen is, n-is my navt ni meld, men sa
fl is mi br wrden, an byde sida thre haves mvde is ne withburch
bvwed, thr in is folk lid that Friso uta Saxanamarka tch. Witto heth
Sjuchthirte bifrjad nd to sin wiv nomen. Wilhem alsa hte hira tat,
hi was vreste Aldermn thra Juttar, that is vrste Grvetman jefta
Grve. Wilhem is kirt after sturven nd Witto is in sin std koren.





HO FRISO FORTHER DDE.


Fon sin rosta wif hder twn sviaringa bihalda, thr sr klok
wron. Hetto, that is hte, thene jongste skikt er as senda boda
ni Kattaburch tht djap inna Saxanamarka lid. Hi hde fon Friso
mith krjen sjugon horsa buta sin jn, to lden mith kestlika skum,
thrvch tha skmpar rwed. Bi jahweder hors wron twn jonga skmpar
nd twn jonga hrutar mith rika kldarum klth nd jeld in hiara
bdar. vin as er Hetto ni Kattaburch skikte, skikter Bruno, tht
is brne, thene thera svjaring ni Mannagrda wrda, Mannagrda
wrda is fr in thit bok [92] Mannagrda forda skrven, men tht is
misdn. Alle rikdoma thr hja mith hede wrdon ni omstand wi sknkt
an tha forsta and forstene nd an tha utforkrne mangrtne. Kmon th
sine knapa vppa thre mid vmbe thr mith et jongkfolk to dnsjane,
sa lton hja kvra mith krdkok kvma nd brgum jeftha tonnum fon
tha besta bjar. After thissa bodon lt-er immer jongkfolk over tha
Saxanarmarka fra, thr alle jeld inna budar hde nd alle mida
jeftha sknkadja mith brochton, nd vppa thre mid tradon hja alon
vnkvmmerlik wi. Jef-t nv brde tht tha Saxana knpa thr nydich ni
utsgon, thn lakton hja godlik nd sidon, aste thvrath thene mna
fyand to bikmpane, s knst thin brid jet fl riker mida jn nd
jet forstelik tra. Al bda sviaringa fon Friso send bostigjad mith
toghaterum thra romriksta forstum, nd fkerni kmon tha Saxanar
knpa nd mangrtne by lle keddum ni tht Flymar del.

Tha burchfmna nd tha alda fmna thr jeta fon hjar re grthd wiste,
nygadon navt vr ni Frisos bedriv, thrvmbe ne kthon hja nn god fon
him. Men Friso snder as hja lt-ra snka. Men tha jonga fmna spnd-er
mith goldne fingrum an sina sk. Hja sidon alomme wy nvath longer
nn Moder mr, men tht kvmth dna tht wit jroch send. Jvd past vs
ne kning, til thju wi vsa landa wither winna, thr tha Modera vrlren
hve thrvch hjara vndigerhd. Forth kthon hja, alrek Fryasbern is
frydom jven, sin stem hra to ltane bi fara thr bisloten wrth bi
t kjasa nre forste, men ast alsa wyd kvma machte tht i jo wither ne
kning kjasa, s wil ik k min mne segse. Ni al hwat ik skoja mi,
s is Friso thr to thrvch Wr.alda kren, hwand hi heth im wonderlik
hir hinne wiad. Friso wt tha hrenka thra Golum, hwam his tle hi
sprkt, hi kn thus jen hjara lestum wka. Thn is thr jeta awet to
skojande, hok Grva skolde mn to kning kjasa svnder that tha ra
thr nidich vr wron. Aldulkera tlum wrth thrvch tha jonga fmnn
kethen, men tha alde fmma afskn f an tal, tapadon hjara rdne ut en
thera brg. Hja kthon allerwikes nd to alla mannalik: Friso kthon
hja dvath s tha spinna dvan, thes nachtis spnth-i netta ni alle
sidum nd thes dis vrskalkth-i thr sina vnftertochtlika frjunda
in. Friso sith that-er nne prestera ner poppa forsta lyde ne mi,
men ik seg, hi ne mi nimman lyda as him selva. Thrvmbe nil hi navt
ne dja tht thju burch Stavia wither vp hjath warth. Thrvmbe wil
hi nne Moder wr h. Jud is Friso jow rd jvar, men morne wil hi
jow kning wertha, til thju hi over jo alle rjuchta mei. Inna bosm
thes folk-is antstondon nw twa partyja. Tha alda nd rma wildon
wither ne Moder h, men tht jongkfolk, tht fvl strdlust wre
wilde ne tt jeftha kning h. Tha rosta hton hjara selva moder
his svna nd tha thera hton hjara selva tt his svna, men tha Moder
his svna ne wrde wrde navt ni meld, hwand thrvchdam thr flo skpa
mked wrde, was thr ovirflod to fra skipmkar, smda, sylmkar,
rpmkar nd to fra alle ra ambachtisljud. Thr to boppa brochton
tha skmpar allerlja syrhda mith. Thr fon hdon tha wiva nocht,
tha fmna nocht, tha mangrtne nocht, nd throf hdon al hjara mgum
nocht nd al hjara frjundum nd thum.

Tha Friso bi fjuwertich jr et Stveren hushalden hde sturf-er. [93]
Thrvch sin bijelda hde-r flo stta wither to manlik therum brocht,
thach jef wi thr thrvch bter wrde thvr ik navt bijechta. Fon
alle Grva thr bifra him wron n-as thr nimman s bifmed lik
Friso wst. Tha s as-k r side, tha jonge fmna kthon sina love,
thahwila tha alda fmna ella ddon vmb-im to achtjane nd htlik to
mkjane bi alle mnniska. Nw ne machton tha alda fmna him thr mitha
wel navt ne stra in sina bijeldinga, men hja hvon mith hjara bra
thach alsa fl utrjucht tht-er sturven is svnder tht er kning wre.





NW WIL IK SKRIWA VR ADEL SIN SVNV.


Friso thr vsa skidnese lred hde ut-et bok thra Adellinga, hde
ella dn vmbe hjara frjundskip to winnande. Sin roste svnv thr hi hir
won by Swthirte sin wif, heth-er bi stonda Adel hten. And afskn hi
kmpade mith alle sin weld, vmbe nne burga to forstlane ner wither
vp to bvwande, thach sand hi Adel ni thre burch et Texland til thju
hi diger bi diger kvd wertha machta, mith ella hwat to vsa wa, tle
nd sedum hreth. Tha Adel twintich jr tlde lt Friso him to sin
jn skol kvma, nd as er thr utlred was, lt-er him thrvch ovir alle
stta fra. Adel was-ne minlika skalk, bi sin fra heth-er flo tha
wnnen. Dna is-t kvmen tht et folk him Atha-rik hten heth, awet hwat
him fterni sa wel to pase km, hwand as sin tt fallen was, bilv
er in sin std svnder that er vr-et kjasa ner thera Grva sprka km.

Thahwila Adel to Texland inna lre wre, was thr tefta en lle
ljawe fm in vpper burch. Hju km fon ut tha Saxanamarkum wi,
fon ut-re sttha thr is kthen Svbaland thr thrvch wrth hju to
Texland Svbene [94] hten, afskn hjra nme Ifkja wre. Adel hde
hja ljaf krjen nd hju hde Adel ljaf, men sin tt bd-im hi skolde
jet wachtja. Adel was hrich, men alsa ring sin tt fallen was nd hi
sten, sand hi bistonda bodon nei Berth-holda hira tt hin, as-er sine
toghter to wif hva machte. Bertholda wr-ne forste fon vnforbastere
sd, hi hde Ifkja ni Texland inna lre svnden inner hpe that hja
nis to burchfm kre wrde skolde in sine jn land. Thach hi hde
hjara bder grte knna lred, thrvmbe gvng-er to nd jef hjam sina
sjen. Ifkja wr-ne kante Fryas. Far sa fre ik hja hv knna lred,
heth hju aln wrocht nd wrot til thju Fryasbern wither kvma machte
vndera selva wa nd vnder nen bn. Vmbe tha mnniska vppa hira syd
to krjande, was hju mith hira frjudelf fon of hira tt thrvch alle
Saxanamarka fren and forth ni Grtmnnja. Grtmannja alsa hdon
tha Grtmanna hjara stt hten, thr hja thrvch Gosa hira bijeldinga
krjen hde. Dna gvngen hja nei tha Dnemarka. Fon tha Dnemarka
gvngon hja skip nei Texland. Fon Texland gvngon hja ni Westflyland
en sa allingen tha s ni Walhallagra hin. Fon Walhallagra brdon
hja allingen thra sder Hrnum al ont hja mith grta frse boppa
thre Rne bi tha Marsta kmon [95] hwrfon vsa Apollnja skrven
heth. Tho hja thr en stt wst hde, gvngon hja wither ni tha delta
[96]. As hja nw en tid lng ni tha delta offren wron al ont hja inna
strk fon thre alda burch Aken [97] kmon, sind thr vnwarlinga fjuwer
skalka morth and naked uteklt. Hja wron en lith fter an kvmen. Min
brother thr vral by was hde hja often vrbden, thach hja nde navt
ne hred. Tha bnar thr tht dn hde wron Twisklndar thr juddga
drist wi ovira Hrna kvma to morda and to rwande. Tha Twislndar tht
sind bannane nd wi britne Fryasbern, men hjara wiva hvath hja fon
tha Tartarum rwet. Tha Tartara is en brn Findas folk, althus hten
thrvchdam hja alle folka to strida uttarta. Hja send al hrutar nd
rwar. Thr fon send tha Twisklndar alsa blod thorstich wrden. Tha
Twisklndar tham thju rgnise dn hde, hton hjara selva Frya jeftha
Franka. Ther wron side min brother rda bruna nd wita mong. Thre
thr rd jeftha brun wron biton hjara hre mith sjalkwter [98]
wit. Nidam hjara nthlita thr brun by wr, alsa wrdon hja thesto
ldliker thr thrvch. vin as Apollnja biskojadon hja fterni
Lydasburch nd et Alderg. Dna tgon hju in over Stverens wrde by
hjara ljuda rond. Alsa minlik hdon hja hjara selva anstled that
tha mnniska ra allerwikes halda wilde. Thr mnatha forther sand
Adel bodon ni alle thum thr hi biwnnen hde nd lt tham bidda,
hja skoldon inna Minna mnath lichta ljuda to him senda. [99]

sin wif sid er thr fm wst hde to Texlnd, hde dna en ovirskrift
krjen. To Texland warthat jeta flo skrifta fvnden, thr navt in-t
bok thra Adelinga vrskrven send. Fon thissa skriftum hde Gosa n
bi hira utroste wille lid, thr thrvch tha aldeste fm Albthe avbr
mkt wertha most, alsa ringen Friso fallen was.





HYR IS THAT SKRIFT MITH GOSAS RD.


Tha Wralda bern jf an tha modera fon tht mnniskelik slachte,
th lid er ne tle in aller tonga nd vp aller lippa. Thjus mide
hde Wralda an tha mnniska jven, til thju hja mnlik thera thrmith
machte knbr mkja, hwat mn formyde mot nd hwat mn bijagja mot vmbe
slighd to findane nd slighd to haldane in al vghd. Wralda is
wis nd god nd al frsjande. Nidam er nw wist, tht luk nd slighd
fon irtha flya mot, jef boshd dged bidroga mi, alsa heth er an thju
tl ne rjuchtfrdige jendomlikhd fst bonden. Thjus jendomlikhd
is thr an lgen, tht mn thr mith nn ljen sge, ner bidroglika
worda sprka ne mi svnder stem lth noch svnder skmrd, thrvch hvam
mn tha bosa fon hirte bistonda vrknna mi. Nidam vsa tle thus to
luk nd to slighd wjath, nd thus mith wkt jen tha bosa nygonga,
thrvmbe is hju mith alle rjucht godis tle hten, nd alle tha jna
hwam hja an re halda hvath thr gme fon. Tha hwat is brth. Alsa
ring thr mong vsa halfsusterum nd halfbrotharum bidrogar vpkmon,
tham hjara selva fori godis skalkum utjavon, also ring is tht owers
wrden. Tha bidroglika prestera nd tha wrangwrja forsta thr immer
smin hladon, wildon ni wilkr lva nd buta god-is wa dvan. In
hjara tsjodishd send hja to gvngen nd hvon thera tla forsvnnen,
til thju hja hmlik machte sprka in jenwrtha fon alrek therum,
vr alle bosa thinga nd vr alle vnwrthlika thinga svnder tht
stemlth hjam vrrda mocht nach skmrd hjara gelt vrderva. Men
hwat is thrut bern. vin blyd as-t sd thra goda krdum fon vnder
ne grvnd ut vntkmth, tht avbr sjed is thrvch goda ljuda by helle
di, ven blyd brength tyd tha skdlika krda an-t ljucht, thr sjed
send thrvch bosa ljuda in-t forborgne nd by thjustrenesse.

Tha lodderiga mangertne nd tha vnmnlika knpa thr mitha vvla
presterum nd forstum horadon vntlvkadon tha nya tla an hjara bola,
thrwisa send hja forth kvmen mong tha folkrum, til thju hja god-is
tle gld vrjetten hve. Wilst nw wta hwat thr of wrden is? Nv
stemlth ner gelt hjara bosa tochta navt longer mar vrrdon, nv is
dged fon ut hjara midden wken, wisdom is folgth nd frydom is mith
gvngen, ndracht is sok rkt nd twispalt heth sin std innommen,
ljafde is fljucht nd hordom sith mith nyd an tfel, nd thr r
rjuchtfrdichhd welde, welth nv tht swrd. Alle send slvona wrden,
tha ljuda fon hjara hra, fon nyd, bosa lusta nd bigyrlikhd. Hde hja
nvmr ne tle forsvnnen, mglik was-t thn jet en lith god gvngen. Men
hja hvon alsa flo tla utfonden as thr stta send. Thrthrvch mi
tht ne folk tht re folk vin min forstn as thju kv thene hvnd
nd thi wolf tht skp. Thit mgath tha stjurar bitjuga. Thach dn
is-t nv wi kvmen, tht alle slvona folkar mnlik thara lik ra
mnniska biskoja nd tht hja to straffe hjarar vndigerhd nd fon
hjara vrmtenhd, mnlik thera alsa long biorloge nd bikampa moton
til thju alle vrdilgad send.





HYR IS NV MIN RD.


Bist thv alsa gyrich that thu irtha allna erva wilste, alsa achst thv
nimmer mre nn re tle ovir thina wra ni kvma to ltane as god-is
tle, nd thn achst thv to njodane, til thju thin jn tle fry fon
uthmeda klinka bilyweth. Wilst thv tht er svme fon Lydas bern nd
fon Findas bern resta, s dvath stv vin alsa. Thju tle thra Ast
Sknlandar is thrvch tha wla Mgjara vrbrd; thju tle thra Kaltana
folgar is thrvch tha smgrige Gole vrderven. Nv send wi alsa mild wst
vmbe tha witherkvmande Hellna folgar wither in vs midden to nmande,
men ik skrom nd ben srelik ange, tht hja vs mild-sa vrjelda skilun
mith vrbrding vsra rne tle.

Fl hvon wi witherfren, men fon alle burgum, thr thrvch arge
tyd vrhomlath send nd vrdiligad, heth Irtha Fryasburch vnforleth
bihalden; k mi ik thr by melda tht Fryas jeftha god-is tle hir
evin vnforleth bihalden is.

Hyr to Texland most mn thus skola stifta, fon alle sttum thr
et mitha alda sdum halda, most-et jongk folk hyr hinne senden
wrde, fterdam mochton thra utlred wre tha ra helpa thr to
honk vrbide. Willath tha ra folkar ysre wron fon thi sella nd
thrvr mith thi sprka nd thinga, s moton hja to god-istle wither
kra. Lrath hja god-is tle s skilun tha worda fry-s nd rjucht-h
to hjara inkvma, in hjara brin skilet thn bijina to glimmande nd
to glorande til thju ella to-ne logha warth. Thissa logha skil alle
balda forsta vrtra nd alle skinfrna nd smgriga prestera.

Tha hinde nd frhmande sendabodon hdon nocht fon vr tht skrift,
thach thr ne kmon nne skola. Th stifte Adel selva skola, fter
him ddon tha ra forsta lik hy. Jrlikis gvngon Adel nd Ifkja tha
skola skoja. Fandon hja thn mong tha inhmar nd uthmar seliga thr
ekkorum frjundskip bradon, s lton bde grte blidskip blika. Hdon
svme seliga ekkorum frjundskip sworen, alsa lton hja alra mannalik
to manlik rum kvma, mith grte stt lton hja thn hjara nma in en
bok skriva, thrvch hjam tht bok thra frjundskip hten, fter dam
warth frst halden. Al thissa plga wrde dn vmbe tha asvndergana
twyga fon Fryas stam wither et smene to snrane. Men tha famna thr
Adel nd Ifkja nydich wron, sidon that hja-t niwerth re vr ddon
as vmb en gode hrop, nd vmb bi grdum to weldana in ovir nis ther
man his stt.

By min tt sinra skriftum hv ik nen brf funden, skrvin thrvch
Ljudgrth thene Grtmn [100], bihalva svmlika ska thr min tt
allna jelde, jf ik hyr tht thera to tht besta.

Pang-ab, tht is fyf wtera nd hwr neffen wi wech kvme, is-ne
runstrme fon afsvnderlika sknhd, nd fif wtera hten vmb thet
fjuwer ra runstrama thrvch sine mvnd in s floja. l fere stwarth is
noch ne grte runstrme thr hlige jeftha frna Gong-ga hten. Twisk
thysum runstrmne is-t lnd thra Hindos. Bda runstrma runath fon
tha hga bergum ni tha delta del. Tha berga hwan se del strme
sind alsa hch thet se to tha himel lja. Thrvmbe wrth-et berchta
Himellja berchta hten. Vnder tha Hindos nd thera ut-a lndum sind
welka ljuda mank thr an stilnise by malkorum kvma. Se gelvath thet
se vnforbastere bern Findas sind. Se gelvath thet Finda fon ut-et
Himmellja berchta bern is, hvan se mith hjara bern ni tha delta
jeftha lgte togen is. Welke vnder tham gelvath thet se mith hjra
bern vppet skum thr hlige Gongga del gonggen is. Thrvmbe skolde thi
runstrme hlige Gongga hta. Mr tha prestera thr ut en r lnd wech
kvma lton thi ljuda vpspra nd vrbarna, thrvmbe ne thurvath se far
hjara sk nit pentlik ut ni kvma. In thet lnd sind lle prestera tjok
nd rik. In hjara chrka werthat llerlja drochtenlika byldon fvnden,
thr vnder sind flo golden mank. Biwesta Pangab thr sind tha Yra
jeftha wranga, tha Gedrostne jeftha britne, nd tha Orjetten jeftha
vrjetne. Ol thisa nma sind-ar thrvch tha nydige prestera jven,
thrvchdam hja fon ar fljuchte, vmb sda nd gelv. bi hjara kvmste
hdon vsa thla hjara selva k an tha stlika ower fon Pangab del
set, men vmb thra prestera wille sind se k ni thr wester ower
fren. Thrthrvch hvon wi tha Yra nd tha thera kenna lrth. Tha
Yra ne sind nne yra mr gda minska thr nna byldon to lta nach
nbidda, k willath se nna chrka nach prestar doga, nd vin als
wi-t frna ljucht fon Fsta vpholda, vin s holdon se llerwechs fjur
in hjara hsa vp. Kvmth mn efter l westlik, ls kvmth mn by tha
Gedrostne. Fon tha Gedrostne. Thisa sind mith ra folkrum bastered nd
sprkath lle afsvnderlika tla. Thisa minska sind wrentlik yra bonar,
thr ammer mith hjara horsa vp overa fjelda dwla, thr ammer jgja
nd rwa nd thr hjara selva als salt-tha forhra an tha omhmmande
forsta, ther wille hwam se alles nither hwa hwat se birka mge.

Thet lnd twisk Pangab nd ther Gongga is like flet as Fryaslnd an tha
s, afwixlath mith fjeldum nd waldum, fruchtbr an alle dlum, mr
thet mach nit vrletta that thr bi hwila thsanda by thsanda thrvch
honger biswike. Thisa hongernde mach thrvmbe nit an Wr.alda nach
an Irtha wyten nit wertha, mr allna an tha forsta and prestera. Tha
Hindos sind ivin blode nd forfred from hjara forstum, als tha hindne
from tha wolva sind. Thrvmbe hvon tha Yra nd ra ra Hindos hten,
tht hindne bitjoth. Mr fon hjara blodhd wrth afgrislika misbruk
mkth. Kvmat thr frhmande kpljud vmb kren to kpjande, alsa warth
alles to jeldum mkth. Thrvch tha prestera ni warth et nit wrth,
hwand thisa noch snoder nd jyriger als alle forsta to samene, wytath
l god, thet al-et jeld endlik in hjara bdar kvmth. Buta nd bihalva
thet tha ljuda thr fl fon hjara forsta lyda, moton hja k noch fl
fon thet fenynige nd wilde kwik lyda. Thr send store elefante thr
by le keddum hlpa, thr bihwyla le fjelda kren vrtrappe nd le
thorpa. Thr sind bonte nd swarte katta, tigrum hten, thr s grt
als grte kalvar sind, thr minsk nd djar vrslynne. Bta flo ra
wriggum sind thr snka fon af tha grte ner wyrme l to tha grte
ner bm. Tha grteste kennath en le kv vrslynna, mr tha lythste sind
noch frsliker als tham. Se holdon hjara selva twisk blom nd fruchta
skul vmb tha minska to bigna tham thr of plokja wille. Is mn thr
fon byten, s mot mn strva, hwand jen hjara fenyn heth Irtha nna
krda jven, lsnka tha minska hjara selva hvon skildich mkt an
afgodie. Forth sind thr llerlja slacht fon hchdiska nyndiska nd
adiska, l thisa diska sind yvin als tha snka fon of ne wyrme til-ne
bmstame grt, ni that hja grt jof frslik sind, sind hjara nma,
thr ik alle nit noma ni ken, tha aldergrtesta diska sind algttar
hten, thrvchdam se yvin grsich bitte an thet rotte kwik, that mith-a
strma fon boppa ni tha delta dryweth as an thet lvande kwik, that
se bigna mge. An tha westsyde fon Pangab, wn wi wech kvme nd hwer
ik bern ben, thr blojath nd waxath tha selva frchta nd nochta as
an tha stsyde. To fra wrdon er k tha selva wrigga fonden, mr vsa
thla havon alle krylwalda vrbrnath nd alsnka fter et wilde kwik
jged, that ther f mr resta. Kvmth man l westlik fon Pangab, then
finth man neffen fette etta k dorra gstlanda thr vnendlik skina,
bihwila ofwixlath mith ljaflika strka, hwran thet g forbonden
bilywet. Vnder tha fruchta fon min land sind flo slachta mank, thr
ik hyr nit fvnden hv. Vnder allerlja kren is er k golden mank,
k goldgle aple, hwrfon welke s swt as hning sind, nd welka
sa wrang as k. By vs werthat nochta fonden lik bern-hveda s grt,
thr sit tsys nd melok in, werthat se ald s mkt man ther lja fon,
fon tha bastum mkt mn tw nd fon tha kernum mkt mn chelka nd r
gerd. Hyr inna walda hv ik krup nd stkbja sjan. By vs sind bibma
als jow lindabma, hwrfon tha bja fl swter nd thrwra grter
as stkbja sind. Hwersa tha dga vppa sin olderlngste sind nd thju
svnne fon top skinth, then skinth se linrjucht vppa jow hole del. Is
mn then mith sin skip l fr sdlik faren, nd mn thes middis
mith sin gelt ni-t sten kred, s skinth svnne jen thine winstere
syde lik se wers jen thine fre syde dvath. Hyrmitha wil ik enda,
mr after min skrywe skil-et thi licht nog falla, vmb tha ljenaftiga
teltjas to mge skiftane fon tha wara tellinga. Jow Ljudgrt.





THET SKRIFT FON BDEN.


Mine nm is Bden, Hachgna his svn. Konerd min m is nimmer
bostigjath nd alsa bernls sturven. My heth mn in sin std
koren. Adel thene thredde kning fon thjuse nme heth thju kse
godkrth, mites ik him as mina mstre bikenna wilde. Buta tht fvlle
erv minre m heth-er mi en le plek grvnd jven tht an mina erva
plade, vnder frwrde that ik thrvp skolde mnniska stlla ther
sina ljuda nimmerthe skolde [101].



thrvmbe wil ik thet hir-ne sted forjune.





BRF FON RIKA THJU ALDFAM, VPSEID TO STAVEREN BY-T JOLFRSTE.


Jy alle hwam his thla mith Friso hir kmon, min rbydnesse to jo. Alsa
jy mne, send jy vnskeldich an afgodie. Thr nil ik jvd navt vr sprka,
men jvd wil ik jo vppen brek wysa, tht f btre sy. Jy wtath jeftha
jy ntath navt, ho Wralda thusand glornma heth, thach tht wtath
jy alle tht hy warth Alfder hten, ut rske tht alles in ut him
warth nd waxth to fding sinra skepsela. T-is wr, tht Irtha warth
bihwyla k Alfdstre hten, thrvchdam hju alle frchd nd nochta
brth, hwermitha mnnisk nd djar hjara selva fde. Thach ne skolde
hju nne frchd ner nocht navt ne bra, bydam Wralda hja nne krefta
ne jf. Ak wiva ther hjara bern mma lta an hjara brosta, werthat
fdstra hten. Th ne jf Wralda thr nn melok in, sa ne skoldon
tha bern thr nne bte by finda. S tht by slot fon reknong Wralda
allna fder bilywet. Tht Irtha bihwyla warth Alfdstre heten, nd
ne mm fdstre, kn jeta thrvch-ne wende, men tht-ne mn him lt
fder hte vmbe tht er tt sy, tht strid with-jen alle rdnum. Th
ik wt wnt thjus dwshd wi kvmth. Hark hyr, se kvmth fon vsa ltha,
nd shwersa thi folgath werthe, s skilun jy thrthrvch slvona wertha
to smert fon Frya nd jowe hgmod to.ne straf. Ik skil jo melda ho-t
by tha slvona folkar to gvngen is, thr fter mi jy lra. Tha poppa
kningar tham ni wilkr lva, stkath Wralda ni thre krne, ut nyd
that Wralda Alfder ht, sa wildon hja fdrum thra folkar hta. Nw
wt allera mannalik tht-ne kning navt ovir-ne waxdom ne welth,
nd tht im sin fding thrvch tht folk brocht warth, men thach
wildon hja fvlherdja by hjara formtenhd. Til thju hja to-ra dol
kvma machte, alsa hvon hja thet forma navt fvldn wst mith tha frya
jefta, men hvon hja tht folk ne tins vplid. Fori thene skt, tham
throf km, hradon hja vrlandiska salt-tha, tham hja in-om hjara
hova lidon. Forth namon hja alsa flo wiva, as-ra luste, nd tha
lithiga forsta nd hra ddon al-n. As twist nd tvyspalt fterni
inna hshaldne glupte nd thr-vr klchta kmon, th hvon hja sid,
ja-hweder mn is thne fder fon sin hshalden, thrvmbe skil-er thr
k bs nd rjuchter ovir wsa. Th km wilkr nd vin as tham mitha
mnnum in ovir tha hshaldne welde, gvng er mit tha kningar in ovir
hjara stt nd folkar dvan. Th tha kningar et alsa wyd brocht hdon,
tht hja fderum thra folkar hte, th gvngon hja to nd lton
byldon fter hjara dntne mkja, thissa byldon lton hja inna tha
cherka stalla nst tha byldon thra drochtne nd thi jena tham thr
navt far bgja nilde, warth ombrocht jeftha an kdne dn. Jow thla
nd tha Twisklandar hvon mitha poppa forsta ommegvngen, dna hvon
hja thjuse dwshd lred. Tha navt allna tht svme jower mn hjara
selva skeldich mkja an glornma rw, k mot ik my vr flo jower wiva
biklgja. Werthat by jo mn fvnden, tham mith Wralda an n lin wille,
thr werthat by jo wiva fvnden, thr et mi Frya wille. Vmbe tht hja
bern bred hve, ltath hja hjara selva modar hta. Tha hja vrjettath,
that Frya bern brde svnder jengong nis mn. J navt allna tht
hja Frya nd tha remodar fon hjara glor-rika nma birwa wille,
hwran hja navt nka ne mge, hja dvath aln mitha glornma fon hjara
nsta. Thr send wiva thr hjara selva ltath frovva hta, afsken
hja wte tht thjuse nme allna to forsta wiva hreth. Ak ltath hja
hjara toghatera fmna hta, vntankes hja wte, tht nne mangrt alsa
hta ne mi, wra hju to ne burch hrth. Jy alle wnath tht jy thruch
tht nm rwa btre werthe, thach jy vrjettath tht nyd thr an klywet
nd tht elk kwd sine tuchtrode sjath. Krath jy navt ne wither,
s skil tid thr waxdom an jva, alsa strik tht mn et ende thr of
navt bisj ne mi. Jow fterkvmanda skilun thr mith fterath wertha,
hja ne skilun navt ne bigripa hwnat thi slga wi kvme. Men afskn jy
tha fmna nne burch bvwe nd an lot vrlte, thach skilun thr bilywa,
hja skilun fon ut wald nd holum kvma, hja skilun jow fterkvmande
biwysa tht jy thr willens skildech an send. Thn skil mn jo vrdema,
jow skina skilun vrfrth fon ut-a grvum rysa, hja skilun Wr.alda,
hja skilun Frya nd hjara fmna anhropa, th nimman skil-er wet an
btra ne mge, bifre tht Jol in op en ore hlphring trth, men tht
skil rist bra as thr thsand jr vrhlpen send fter thisse w.


                       Ende fon Rikas brf. [102]



thrvmbe wil ik tht forma vr swarte Adel skriva. Swarte Adel wre
thene fjurde kening fter Friso. Bi sin jged heth-er to Texland
lred, fterni heth-er to Stveren lred, nd forth heth-er thrvch
ovir alle stta fren. Th tht er fjuwer nd tvintich jr wre,
heth sin tt mked tht-er to Asega-skar kren is. Th-er nmel
skar wre, skte hi altid in-t frdl thra rma. Tha rika, sd-er,
plgath noch vnrjuchta thinga thrvch middel fon hjara jeld, thrvmbe
gon wi to njvdane tht tha rma ni vs omme sjan. Thrvch th-s nd
ra rdne wr-i thene frjund thra rma nd thra rika skrik. Alsa
rg is-t kvmen tht sin tt him ni tha gum sach. Th sin tt fallen
was, nd hy vppa tham-his stel klywed, th wild-er vin god sin ambt
bihalda, lik as tha keningar fon-t sta plgath. Tha rika nildon tht
navt ne dja, men nw hlip allet ra folk to hpe, nd tha rika wron
blyde that hja hl-hd-is fon thre acht ofkmon. Fon to ne hrade
mn nimmar mra ovir lika rjucht petrja. Hi dumde tha rika nd hi
strykte tha rma, mith hwam his helpe hi alle skum skte, thr-er
bistek vp hde. Kening Askar lik-er immer hten warth, wre by sjugun
irthft lnge, s grt sin tl wr, wron k sina krefta. Hi hde-n
hel forstn, s tht-er alles forstnde, hwrwr that sprken warth,
thach in sin dvan ne macht mn nne wisdom spra. Bi-n skn nhlite
hd-er ne glade tonge, men jeta swarter as sin hr is sine sle
fvnden. Th that-er n jr kening wre, ndskte hi alle knpa fon
sin stt, hja skoldon jerlikis vppet kmp kvma nd thr skin-orloch
mkja. In-t rost hde-r thr spul mith, men to tha lersta warth-et
s menrlik, that ald nd jong ut alle wrdum wi kmon to frjande
jef hja machte mith dva. Th hi-t alsa fre brocht hde, lt-er
wrskola stifta. Tha rika kmon to brane nd sidon, that hjara
bern nw nn lsa nach skryva navt ne lrade. Askar ne melde-t navt,
men as thr kirt fter wither skin-orloch halden warth, gvng-er vppen
vpstal stonda, nd ktha hld. Tha rika sind to my kvmen to brana,
tht hjara knpa nn lsa nach skryva noch lra, ik n.v thr nawet
vp sith, thach hir wil ik mine mnong sedsa, nd an tha mna acht
bithinga lta. Th alrek nw nisgyrich ni him vpsach, sid-er forther,
ni min bigrip mot mn hjud tht lsa nd skriva tha fmna nd alda
lichta vrlta. Ik n-il nn kwd sprka vr vsa thla, ik wil allna
sega, vndera tyda hwrvp thrvch svme s herde bogath warth, hvon tha
burchfmna twyspalt inovir vsa lnda brocht, nd tha Modera fr nd
ni ne kvndn twyspalt navt wither to-t land ut ne dryva. Jeta rger,
thahwila hja klta nd petrade vr ndelsa plga, send tha Gola
kvmen nd hvon al vsa skna sdarlanda rweth. Hmisdga send hja
mith vsa vrbrda brotharum nd hjara salt-thum al overa Skelda kvmen,
vs rest thus to kjasane twisk-et bra fon juk jef swrd. Willath wi fry
bilyw, alsa gon tha knpa tht lsa nd skryva frhndis fterwi-n
to ltane nd in stde that hja invppa mide hwip nd swik sple,
moton hja mith swrd nd spr spla. Send wi in alle dla ofned nd
tha knpa stor enoch vmb helmet nd skild to brane nd tha wpne
to hntrane, then skil ik my mith jower helpa vppa thene fjand
werpa. Tha Gola mieath then tha nitherlga fon hjara helpar nd
salt-thum vppa vsa fjeldum skryva mith-et blod, tht t hjara wndum
drjupth. Hvon wi thene fyand n mel far vs t drven, alsa moton wi
thrmith forth gvnga, alhwenne thr nn Gola ner Slvona nach Tartara
mra fon Fryas erv to vrdryvane send. Tha-s rjucht, hrypon tha msta
nd tha rika ne thvradon hjara mvla navt pen ne dva. Thjus tosprke
hd er sekur to fara forsonnen nd vrskriva lten, hwand s-wendis fon
thre selvare di wron tha ofskriftum thra hwel in twintich hnda
nd thi alle wron nishldende. Afterni bifel-er tha skipmanna,
hja skoldon dubbele frstwene mkja lta, hwran mn ne stlen
krnboga macht fstigja. Thra thr fterwi bilv warth bibot,
kvn imman swra that-er nne midle navt nde, alsa moston tha rika
fon sin g-t bitalja. Hjud skil mn sjan hwr vppa al tht b hi
thlpen is. An-t north-ende fon Britanja tht fvl mith hga bergum
is, thr sit en Skots folk, vr-et mradl t Fryas blod sproten,
vr-a ne helte send hja t Kltanafolgar, vr-et ra dl t Britne
nd bannane, thr by grdum mith tyd fon-t-a tinlnum thr hinna
fljuchte. Thr ut-a tinlna kmon, hvath algadur vrlandiska wiva
jeftha fon vrlandis tuk. Thi alle send vnder-et weld thra Golum,
hjara wpne send woden boga nd spryta mith pintum fon herthis-hornum
k fon flintum. Hjara hsa send fon sdum nd str nd svme hmath
inna hola thra bergum. Skpon thr hja rwed hve, is hjara nge
skt. Mong tha fterkvmanda thra Kltanafolgar hvath svme jeta ysera
wpne, thr hja fon hjara thlum urven hve. Vmbe nw god forstn to
werthande, mt ik min telling vr tht Skotse folk resta lta, nd
wet fon tha hinda Krkalanda skriva. Tha hinda Krkalanda hvon vs
to fara allna to hrath, men sunt vnhglika tidum hvon ra thr k
fterkvmanda fon Lyda nd fon Finda nitherset, fon tha lersta kmon
to tha lersta en le hpe fon Trje. Trje alsa heth ne stde hten,
thr et folk fon tha fre Krkalanda innomth nd vrhomelt heth. Th
tha Trjana to tha hinda Krkalandum nestled wron, tha hvon hja
thr mith tid nd flit ne sterke std mith wlla nd burgum bvwed,
Rome, that is Rum, hten. Th tht dn was, heth tht folk him selva
thrvch lest nd weld fon tht le lnd mster mked. Tht folk tht
anda sdside thre Middels hmth, is fr-et mra dl fon Fhonysja wi
kvmen. Tha Fhonysjar [103] send en bastred folk, hja send fon Fryas
blod nd fon Findas blod nd fon Lyda his blod. Tht folk fon Lyda send
thr as slvona, men thrvch tha vntucht thr wyva hvon thissa swarte
mnniska al-et ra folk bastered nd brun vrfrvet. Thit folk nd
tham fon Rome kmpath ln vmb-et msterskip fon tha Middels. Forth
lvath tham fon Roma an fjandskip with tha Fonysjar, nd hjara prestera
thr-et rik allna welda wille wr irtha, ne mgon tha Gola navt ne
sjan. Tht forma hvon hja tha Fphonysjar Mis-selja ofnomen, dn alle
landa, thr sdward, westward nd northward lidsa, k et sdardl
fon Britanja, nd allerwikes hvon hja tha Fonysjar prestera, that
hth tha Gola vrjgeth, dn sind thusanda Gola ni north Brittanja
brit. Kirt vrlden was thr tha vreste thra Golum sten vppa thre
burch, thr is kthen Krenk that is herne, hwanath hi sin bifla jef
an alle ra Gola. Ak was thr al hjara gold togadur brocht. Kren herne
jeftha Krenk is ne stnen burch, thr r an Klta hrde. Thrvmbe
wildon tha fmna fon tha fterkvmande thra Kltana-folgar tha burch
wither h. Alsa was thrvch tha fyanskip thra fmna nd thra Golum
faithe nd twist in ovir tht Berchland kvmen mith morth nd brnd. Vsa
stjrar kmon thr fken wol hlja, tht hja sellade fori tobirde
hdum nd linne. Askar was often mith wst, an stilnesse hd-er mith
tha fmna nd mith svme forstum tskip sloten, nd him selva forbonden
vmbe tha Gola to vrjgane t Krenk. As-er thrni wither km jf hi
tha forsta nd wigandliksta manna ysere helma nd stla boga. Orloch
was mith kvmen nd kirt fter flojadon strma blod by tha hellinga
thra bergum del. Th Askar mnde that kans him tolkte, gvng-er mith
fjuwertich skpum hin nd nam Krenk nd thene vreste thra Golum
mith al sine gold. Tht folk wrmith hi with tha salt-thum thera
Golum kmped hde, hd-er t-a Saxanamarkum lvkt mith lofte fon grte
hra-rve nd but. Thus warth tha Gola nwet lten. Afterni nam-er
tw landa to berch far sinum skpum, nd hwnath hi lter tgvng vmb
alle Fonysjar skpa nd stda to birwane thr hi bigna kv. Tha er
tobek km brocht-i tomet sexhvndred thra storeste knpum fon tht
Skotse berchfolk mith. Hi side that hja him to borgum jven wren,
til thju hi skur wsa machte tht tha eldra him skolde trow bilywa,
men-t was jok, hi hild ra as lifwre et sina hova, thr hja allera
distik les krjon in-t ryda nd in-t hndtra fon allerlja wpne. Tha
Denamarkar tham hjara selva sunt lng boppa alle ra stjrar stoltlike
skmpar hte, hdon s ringe navt fon Askar sina glorrika ddum navt
ne hred, jef hja wrdon nydich thr vr, thrmte, that hja wilde orloch
brensa over-ne s nd over sina landa. Sjan hyr, ho hi orloch formitha
machte. Twisk tha bvwfala thre vrhomelde burch Stavja was jeta ne
snode burchfm mith svme fmna sten. Hjra nme was Rintja nd thr
gvng en grte hrop fon hira wishd t. Thjus fm bd an Askar hjra
helpe vnder bithing, that Askar skolde tha burch Stavja wither vpbvwa
lte. As-er him thr to forbonden hde, gvng Rintja mith thrim fmna
ni Hals, [104] nachtis gvng hju risa nd thes dis kthe hju vppa
alle markum nd binna alle midum. Wralda side hju hde hja thrvch
thongar tohropa lta tht allet Fryas folk moston frjunda wertha, lik
sustar nd brothar tmed, owers skolde Findas folk kvma nd ra alle
fon irtha vrdilligja. Ni thongar wron Fryas sjvgun wkfmkes hja
anda drme forskinnen, sjvgun nachta fter ekk-rum. Hja hde seith
boppa Fryas landum swabbert ramp mith juk nd kdne omme. Thrvmbe
moton alle folkar thr t Frya sproten send hjara tonma wi werpa
nd hjara selva allna Fryas bern jeftha folk hta. Forth moton alle
vpstonda nd et Findas folk fon Fryas erv dryva. Nillath hja tht
navt ne dva, alsa skilun hja slvona benda vmbe hjara halsa krja,
alsa skilun tha vrlandaska hra hjara bern misbruka nd frytra
lta, til thju tht blod sygath inna jowre grva. Thn skilun tha
skinna jowre thla jo kvma wekja nd jo bikyvja vr jo lefhd nd
vndigerhd. Tht dvme folk, tht thrvch todvan thra Mgyara al
an sa fl dwshd wenth was, lvadon alles hwat hju side nd tha
mmma klimdon hjara bern jen hjara brosta an. Th Rintja thene
kening fon Hals nd alle thera manniska to ndracht vrwrocht hede,
sand hju bodon ni Askar nd tg selva alingen thene Balda s. Dn
gvng hju by tha Hlith-hwar, althus hten vmbe that hja hjara fyanda
immer ni thet nhlite hwe. Tha Hlithhwar send britne nd bannene
fon vs jn folk tht inna tha Twisklanda sit nd omme dwarelt. Hjara
wyva hvon hja mst algadur fon tha Tartara rwed. Tha Tartara snd
en dl fon Findas slachte nd althus thrvch tha Twisklandar hten
vmbe tht hja nimmerthe nn frtho wille, men tha mnniska alti t
tarta to strydande. Forth gvng hju ftera Saxnamarka tweres thrvch tha
ra Twisklanda hin, allerwikes tht selva tktha. Ni twam jr om
wron, km hju allingen thre Rne to honk. By tha Twisklandar hede
hju hjara selva as Moder tjn nd sid tht hja mochton as fry nd
franka mnniska wither kvma, men thn mosten hja ovir tha Rne gvngga
nd tha Gola folgar t Fryas sdarlandum jgja. As hja tht dde,
sa skolde hjra kning Askar overa Skelda gvngga nd thr tht land
ofwinna. By tha Twisklandar send flo tjoda plga fon tha Tartarum nd
Mgjara binna glupt, men k fl send thr fon vsa sdum bilwen. Thr
thrvch hvath hja jeta fmna thr tha bern lra nd tha alda rd
jeva. Bit-anfang wron hja Reintja nydich, men to tha lesta wrth
hju thrvch hjam folgath nd thjanjath nd allerwikes bogath, hwr-et
nette nd ndlik wre.

Alsa ringen Askar fon Rintja hjra bodon fornom ho tha Juttar nygath
wron, sand hi bistonda bodon fon sinant wegum ni tha kning fon
Hals. Tht skip, wrmith tha bodon gvngon, was fvl lden mith fmna
syrhdum nd thr by wr en golden skild, hwrvppa Askar his dnte
kunstalik was utebyld. Thissa bodon mosten frja jf Askar thes kning
his toghter Frthogunsta to sin wif hve machte. Frthogunsta km en
jr lter to Stveren, bi hjara folgar wre k nen Mgy, hwand tha
Juttar wron sunt lng vrbrud. Kirt fter that Askar mith Frthogunsta
bostigjath was, wrth thr to Stveren ne scherke bvwad, inna thju
scherke wrdon tjoda drochten lykanda byldon stlth mith gold trvch
wrochtne klthar. Ak is er biwrath that Askar thr nachtis nd vntydis
mith Frthogunsta fr nitherbuwgade. Men s fl is skur, thju burch
Stavia ne wrth navt wither vpebvwed. Rintja was al to bek kvmen,
nd gvng nydich ni Prontlik thju Moder et Texland brja. Prontlik
gvng to nd sand allerwikes bodon thr tkthon, Askar is vrjven
an afgodie. Askar dde as murk-i-t navt, men vnwarlingen km thr ne
flte t Hals. Nachtis wrdon tha fmna t-re burch drywen, nd ogtins
kvn mn fon thre burch allna ne glandere hpe sjan. Prontlik nd
Rintja kmon to my vmb skul. Th ik thr fterni vr ni tochte, lk
it my to, that it kwdlik fr min stt bidja kvste. Thrvmbe hvon
wi to smne ne lest forsonnen, thr vs alle bta most. Sjan hyr ho
wi to gvngen send. Middel in-t Krylwald biasten Ljvwerde lith vsa
fly jeftha wra, thr mn allna thrvch dwarlpda mi nka. In vppa
thjus burch hd ik sunt lnge jonga wkar stald, thr alle ne grins
an Askar hde, nd alle ra mnniska dnath halden. Nv wast bi vs k
al sa wyd kvmen, tht flo wyva nd k manna al patrade vr spoka,
witte wyva nd uldermankes, lik tha Dnamarkar. Askar hde al thissa
dwshde to sin bta anwenth nd tht wildon wi nv k to vsa bta
dva. Bi-ne thjustre nacht brocht ik tha fmna ni thre burch nd
dn gongen hia mith hjara fmna in thrvch tha dwarl-pda spokka in
wttta klthar huled, s that thr afterni nn mnnisk mra kvma ne
thvrade. Tha Askar mnde tht-er thu hnda rum hde, lt-i tha Mgjara
vnder allerlja nma thrvch ovir sina stta fra nd bta Grneg
nd bta mina stt ne wrdon hja nrne navt ne wrath. Ni that Askar
alsa mith tha Juttar nd tha ra Dnamarkar forbonden was, gvngon hja
alsmina rwa; thach that neth nne gode frchda bred. Hja brochton
allerlja vrlandiska skta to honk. Men just thr thrvch nildon tht
jong folk nn ambacht lra, nach vppa tha fjeldum navt ne werka,
s that hi to tha lersta wel slvona nimma moste. Men thit was l
al jen Wralda his wille nd jen Fryas rd. Thrvmbe kv straf navt
fterwga ne bilywa. Sjan hyr ho straffe kvmen is. nis hdon hja to
smine ne le flte wnnen, hju km fon ta Middels. Thjus flte was
to lden mith purpera klthar nd ra kostelikhd, thr alle fon of
Phonisja kmon. Tht wraka folk thre flte wrth bisda thre Sjene
an wal set, men tht stora folk wrth halden. Tht most ra as slvona
thianja. Tha skneste wrdon halden vmbe vppet land to bilywane nd
tha ldliksta nd swartste wrdon an bord halden vmbe vppa tha benka to
rojande. An-t Fly wrth tha bodel dlath, men svnder hjara wta wrth
k hjara straf dlath. Fon tha mnniska thr vppa tha vrlandiska skepum
stalt wron, wron sex thrvch bukpin felth. Mn tochte tht et eta
nd drinka vrjven wre, thrvmbe wrth alles ovir bord jompth. Men
bkpin reste nd allerwikes, hwr slvona jeftha god km, km k
bkpin binna. Tha Saxmanna brochten hju ovir hjara marka, mith tha
Juttar for hju ni Sknland nd alingen thre kd fon tha Balda-s,
mith Askar his stjrar for hju ni Britanja. Wi nd tham fon Grneg
ne lton nn god ner minniska ovir vsa pla navt ne kvma, nd thrvmbe
bilwon wi fon tha bkpin fry. Ho flo mnniska bkpin wirpth heth,
nt ik navt to skrywane, men Prontlik thr et fterni fon tha ra
fmna hrde, heth my meld, tht Askar thsandmel mra frya mnniska
t sina sttum hulpen heth, as er vvla slvona inbrochte. Th pest
far god wyken was, tha kmon tha fri wrden Twisklandar ni thre Rne,
men Askar nilde mith tha forstum fon tht vvla vrbasterde folk navt an
ne lyne navt ne stonda. Hi nilde navt ne dja, that hja skoldon hjara
selva Fryas bern hta, lik Rintja biboden hde, men hi vrjet thrbi
that-i selva swarte hra hde. Emong tha Twisklandar wron thr tw
folkar, thr hjara selva nne Twisklandar hton. Tht ne folk km
l fr t-et sd-sten wi, hja hton hjara selva Allemanna. Thissa
nma hdon hja hjara selva jven, th hja jeta svnder wiva inna
tha walda as bannane ommedwarelde. Ltar hvon hja fon-et slvona
folk wiva rvath, vin sa tha Hlithwar, men hja hvon hjara nme
bihalden. Tht ra folk, tht mra hinde ommedwarelde, hton hjara
selva Franka, navt vmbe that hja fry wron, men Frank alsa hde thene
roste kning hten, tham him selva mith hulpe fon tha vrbrda fmna
to ervlik kning ovir sin folk mkad hde. Tha folkar tham an him
pladon, hton hjara selva Thjoth-his svna, that is folk-his svna,
hja wron frya mnniska bilwen, nidam hja nimmer nen kning ner
forste nach mster biknnna nilde, as thene jenge tham by mna willa
was kren vppa thre mna acht. Askar hde al fon Rintja fornommen,
that tha Twisklandar forsta mst alti in fiandskip nd faitha
wron. Nw stald-i hjam to fra, hj skolde nen hrtoga fon sin
folk kjasa vmbe that-er ang wre seid-er that hja skolde mit manlik
therum skoldon twista ovir-et msterskip. Ak sid-er kvndon sina
forsta mith-a Golum sprka. Tht sid-er wre k Moder his mne. Th
kmon tha forsta thra Twislandar to ekkrum nd ni thrija sjugun
etmelde kron hja Alrik to-ra hertoga ut. Alrik wre Askar his nva,
hi jef him twn hvndred skotse nda hvndred thra storosta Saxmanna
mith to lifwra. Tha forsta moston thrija sjvgun fon hjara svnum ni
Stveren senda to borg hjarar trow. To nv was alles ni winsk gvngen,
men th mn ovire Rne fara skolde, nildon thene kning thra Franka
navt vnder Alrikis bifla navt ne stonda. Thrthrvch lip alles an tha
tys. Askar thr mnde tht alles god gvng, lande mith sina skpa anna
tha re syde thre Skelda, men thr was was man long fon sin kvmste
to ljucht nd vppa sin hod. Hja moston alsa ring fljuchta as hja kvmen
wron, nd Askar wrde selva fath. Tha Gola niston navt hwa hja fensen
hde, nd alsa warth hi fterni twixlath fori nnen hge Gol, thr
Askar his folk mith forath hde. Thawila tht-et alles brade, hlipon
tha Mgjara jeta dryster as to fra ovir vsa bra ra landa hinna. By
Egmvda hwr to fra tha burch Forna stn hde, lton hja ne cherka
bvwa jeta grter nd rikar as Askar to Stveren dn hde. Afterni
sidon hja that Askar thju kse vrlren hde with tha Gola, thrvchdam
et folk navt lwa navt nilde, that Wodin hjam helpa kvste, nd that
hja him thrvmbe navt anbidda nilde. Forth gvngon hja to nd skkton
jonga bern tham hja by ra hildon nd vpbrochten in tha hemnissa fon
hjara vrbruda lre. Wron thr mnniska tham



Het overige ontbreekt.







AANTEEKENINGEN


[1] Het woord Bok wordt in het Handschrift overal zoo geschreven;
en daarmede stemmen alle Oud-Friesche Rechtboeken overeen. De
woordenboeken van v. Richthofen en Hettema schrijven Bok of Boc. De
spelling Bk is Kamper wanspraak.

[2] Als verslag voorgelezen in eene vergadering van het Friesch
Genootschap Februarij 1871 en bij deze uitgave onveranderd gelaten.

[3] Verg. G. Meerman, Admonitio de Chartae nostratis
origine. Vad. Letteroef. 1762. bl. 630.

Mr. J. H. de Stoppelaar, Het papier in de Nederlanden, Middelburg,
1869. bl. 4.

[4] Min-erva werd Nyhellenia genoemd, omdat hare raadgevingen ny en
hel, nieuw en helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van
S. Pomponius Festus de verborum Significatione, Min-erva dicta quod
bene moneat.

Zie Preller, Rom. Myth. p. 258.

[5] Mis.sellia, miskoop, verkeerde koop.

[6] 3449 - 1256 = 2193 voor Chr.

[7] Magy, Koning der Magyaren en Finnen.

[8] nsa = ne wsa.

[9] nilde = ne wilde.

[10] nte = ne wte.

[11] Oni, oud Holl. ane, Duitsch ohne = zonder.

[12] Mong, among, emong = onder.

[13] Falikant, f likande = weinig gelijkende, niet conform.

[14] Wr.alda. Altijd geschreven als samengesteld woord beteekent:
de overoude, het oudste wezen.

[15] Od, wortel van het Lat. odi, ik haat.

[16] Nylof; de kleur van nieuw loof? geel groen.

[17] De mrkskat werd in goederen betaald.

[18] Stjurar, van hier de naam Sturii by Plinius.

[19] Prentar, nog op Texel een (stuurmans) leerling.

[20] Minno, Minos (de oude).

[21] Nyhellenia, Nehalennia.

[22] Krekaland, het Krekenland, zoowel Groot Griekenland als
Griekenland zelf.

[23] Fsta, Vesta, en de Vestaalsche maagden.

[24] Stjurar, Sturii.

[25] Skmpar, Sicambri.

[26] Angelara, Angli.

[27] Mrsata, Marsacii.

[28] Aldland, Atlantis.

[29] Sknland, Scania, Scandinavia.

[30] 2198 - 101 = 2092 v. Chr.

[31] Goda-hisburch, Gothenburg.

[32] Alderga, Ouddorp (bij Alkmaar).

[33] Lumkamkja bithre Emuda, Embden.

[34] Amering, nog in N.-Holland in gebruik, beteekent daar: ademtocht,
oogenblik. Cf. Kiliaan in voce.

[35] Ktsgat, het Kattegat.

[36] Wodin, Odin, Wodan.

[37] Kdik, Cadix.

[38] 2193 - 193 = 2000 v. Chr.

[39] Thyrhisburch, Tyrus.

[40] Thyr, de zoon van Odin.

[41] Almanaland, Ameland.

[42] Wyringg, Wieringen.

[43] Missellja, Marseille.

[44] Gola, Galli, Gaulois.

[45] Middelburg.

[46] 2193 - 563 = 1630 v. Chr.

[47] Myk wordt nog op Walcheren gehoord.

[48] Klta Min-his, Minnesdochter?

[49] Sjene, de Seine.

[50] Kltana, Celtae.

[51] Jonhis landa, Insulae Joniae, Insulae piratarum.

[52] Athenia, Athene.

[53] Vervolg hier het verhaal van bl. 48-56.

[54] Skrops, Cecrops.

[55] Strte, thans hersteld als Kanaal van Suez. Pangab, de Indus.

[56] 2193 - 1005 = 1188 v. Chr.

[57] Wallahagara, Walcheren.

[58] Kalip, bij Homerus Kalipso.

[59] Dna marka, de lage marken.

[60] 2193 - 1602 = 591 v. Chr.

[61] Verg. bl 4.

[62] Medemi'lacus.

[63] Grneg, Groningen.

[64] Dokhm, Dokkum.

[65] Lindasburch, op kaap Lindanaes, Noorwegen.

[66] Grbam. C. Niebuhr Reize enz. I 174, eene zakpijp bij de
Egyptenaren Sumra elKrbe genoemd.

[67] To hnekka, eene hooge, tot aan de nek reikende, japon.

[68] Cf. Hegel a. h. l.

[69] Leeuwen in Europa, Herodotus, VII, 125.

[70] Swetsar, Switsers.

[71] Fryasburch, Freiburg.

[72] Lydasburch, Leiden, de burcht.

[73] Flyt, jeftha mre, de Mare.

[74] Forana, Vroonen.

[75] Engamuda, Egmond.

[76] Diod. Sic. V 27, van de Galliers.

[77] Mannagrdaforda, Munster.

[78] 2193 - 1888 = 305 voor Chr.

[79] Sedert 587 voor Chr. Verg. pag. 110, 112.

[80] 303 v. Chr.

[81] Barnpila. De falarica by Livius XXI. 8.

[82] Alexander aan den Indus 327 v. Chr. 327 + 1224 = 1551 v. Chr.

[83] 305 voor Chr.

[84] Joi en trst. Te Scheveningen hoort men nog: joei en troos. Joi,
Fransch joye.

[85] 2193 - 1600 = 593 v. Chr.

[86] Kasamyr, Kashmir.

[87] Jes-us, evenmin te verwarren met Jezus, als Krisen (Krishna)
met Christus.

[88] Balda jefta kvada s, de Baltische zee. Juttarland, Jutland.

[89] Zeeland, de Deensche Eilanden.

[90] Zie bl. 124.

[91] Phonisiar, hier Puniers, Carthagers.

[92] Zie bl. 11.

[93] 263 v. Chr.

[94] Hamconius. p. 8. Suobinna.

[95] Zie bl. 150.

[96] Delte nog in N. Holland in gebruik, laagte.

[97] Aken, Aken.

[98] Diod Sic. V. 28.

[99] Hier heeft de afschrijver Hiddo oera Linda een blad te veel
omgeslagen, en daardoor twee bladzijden overgeslagen.

[100] Zie bl. 164.

[101] Hier ontbreken in het H. S. twintig bladzijden (misschien meer),
waarin Beeden geschreven heeft over dien koning Adel III. (Bij onze
kronijk schrijvers Ubbo genoemd).

[102] Hier eindigde het schrijven van Beeden. In het H. S. ontbreken
twee bladzijden volgens de paginatuur. Maar zonder twijfel ontbreekt
er meer. De afgebroken aanhef van het volgende wijst aan, dat de
aanvang van het volgende geschrift verloren gegaan is en daarmede ook
de aanduiding van den naam des schrijvers, die een zoon of kleinzoon
van Beeden kan geweest zijn.

[103] Fhonysiar, Carthagers.

[104] Hals, Holstein.






End of the Project Gutenberg EBook of Thet Oera Linda Bok, by Anonymous

*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK THET OERA LINDA BOK ***

***** This file should be named 30467-8.txt or 30467-8.zip *****
This and all associated files of various formats will be found in:
        http://www.gutenberg.org/3/0/4/6/30467/

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net (This book was
produced from scanned images of public domain material
from the Google Print project.)


Updated editions will replace the previous one--the old editions
will be renamed.

Creating the works from public domain print editions means that no
one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
(and you!) can copy and distribute it in the United States without
permission and without paying copyright royalties.  Special rules,
set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark.  Project
Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
charge for the eBooks, unless you receive specific permission.  If you
do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
rules is very easy.  You may use this eBook for nearly any purpose
such as creation of derivative works, reports, performances and
research.  They may be modified and printed and given away--you may do
practically ANYTHING with public domain eBooks.  Redistribution is
subject to the trademark license, especially commercial
redistribution.



*** START: FULL LICENSE ***

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase "Project
Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg-tm License (available with this file or online at
http://gutenberg.org/license).


Section 1.  General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
electronic works

1.A.  By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement.  If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B.  "Project Gutenberg" is a registered trademark.  It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement.  There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
even without complying with the full terms of this agreement.  See
paragraph 1.C below.  There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
works.  See paragraph 1.E below.

1.C.  The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg-tm electronic works.  Nearly all the individual works in the
collection are in the public domain in the United States.  If an
individual work is in the public domain in the United States and you are
located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
are removed.  Of course, we hope that you will support the Project
Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
the work.  You can easily comply with the terms of this agreement by
keeping this work in the same format with its attached full Project
Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.

1.D.  The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work.  Copyright laws in most countries are in
a constant state of change.  If you are outside the United States, check
the laws of your country in addition to the terms of this agreement
before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
creating derivative works based on this work or any other Project
Gutenberg-tm work.  The Foundation makes no representations concerning
the copyright status of any work in any country outside the United
States.

1.E.  Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1.  The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
copied or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.org

1.E.2.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
and distributed to anyone in the United States without paying any fees
or charges.  If you are redistributing or providing access to a work
with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
1.E.9.

1.E.3.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
terms imposed by the copyright holder.  Additional terms will be linked
to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
permission of the copyright holder found at the beginning of this work.

1.E.4.  Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.

1.E.5.  Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg-tm License.

1.E.6.  You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
word processing or hypertext form.  However, if you provide access to or
distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
form.  Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7.  Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8.  You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
that

- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
     the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
     you already use to calculate your applicable taxes.  The fee is
     owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
     has agreed to donate royalties under this paragraph to the
     Project Gutenberg Literary Archive Foundation.  Royalty payments
     must be paid within 60 days following each date on which you
     prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
     returns.  Royalty payments should be clearly marked as such and
     sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
     address specified in Section 4, "Information about donations to
     the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."

- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
     you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
     does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
     License.  You must require such a user to return or
     destroy all copies of the works possessed in a physical medium
     and discontinue all use of and all access to other copies of
     Project Gutenberg-tm works.

- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
     money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
     electronic work is discovered and reported to you within 90 days
     of receipt of the work.

- You comply with all other terms of this agreement for free
     distribution of Project Gutenberg-tm works.

1.E.9.  If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
electronic work or group of works on different terms than are set
forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark.  Contact the
Foundation as set forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1.  Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
collection.  Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
works, and the medium on which they may be stored, may contain
"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
your equipment.

1.F.2.  LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees.  YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH F3.  YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3.  LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from.  If you
received the work on a physical medium, you must return the medium with
your written explanation.  The person or entity that provided you with
the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
refund.  If you received the work electronically, the person or entity
providing it to you may choose to give you a second opportunity to
receive the work electronically in lieu of a refund.  If the second copy
is also defective, you may demand a refund in writing without further
opportunities to fix the problem.

1.F.4.  Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5.  Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law.  The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6.  INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
with this agreement, and any volunteers associated with the production,
promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
that arise directly or indirectly from any of the following which you do
or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.


Section  2.  Information about the Mission of Project Gutenberg-tm

Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of computers
including obsolete, old, middle-aged and new computers.  It exists
because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
remain freely available for generations to come.  In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.


Section 3.  Information about the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service.  The Foundation's EIN or federal tax identification
number is 64-6221541.  Its 501(c)(3) letter is posted at
http://pglaf.org/fundraising.  Contributions to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
permitted by U.S. federal laws and your state's laws.

The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
throughout numerous locations.  Its business office is located at
809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
business@pglaf.org.  Email contact links and up to date contact
information can be found at the Foundation's web site and official
page at http://pglaf.org

For additional contact information:
     Dr. Gregory B. Newby
     Chief Executive and Director
     gbnewby@pglaf.org


Section 4.  Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
spread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment.  Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States.  Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements.  We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance.  To
SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
particular state visit http://pglaf.org

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States.  U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
methods and addresses.  Donations are accepted in a number of other
ways including checks, online payments and credit card donations.
To donate, please visit: http://pglaf.org/donate


Section 5.  General Information About Project Gutenberg-tm electronic
works.

Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone.  For thirty years, he produced and distributed Project
Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.


Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
unless a copyright notice is included.  Thus, we do not necessarily
keep eBooks in compliance with any particular paper edition.


Most people start at our Web site which has the main PG search facility:

     http://www.gutenberg.org

This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
